De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Bouwen
Veel plannen zijn alweer gemaakt binnen kerkenraden en kerkelijke commissies: het 'winterwerk' nadert. Eigenaardig woordgebruik: de winter van het leven is meestal niet de meest vruchtbare tijd. Het heeft meer te maken met afbouwen dan met opbouwen. In de winter nadert het einde, de dood, het stille graf. We zetten het daarom maar tussen aanhalingstekens als we het hebben over kerkelijk opbouwwerk. Gemeenteopbouw is de bedoeling van onze inzet in de wintertijd. Er wordt in reformatorische kring soms wat huiverig gereageerd op menselijke inzet en ijver. Dan valt al gauw de term activisme. God doet het, de Geest doet het. Dáár moeten we het van hebben. En ons doen stelt bij het doen van de Geest niet zoveel voor. Ik denk dat we ook hier het bijbelse tweesporenbeleid van Filippensen 2 : 12 en 13 in het oog moeten houden. waarbij óns werken zelfs vóór het werken van God wordt genoemd.
Onlangs promoveerde de Dordtse Baptistenpredikant René Erwich op een 'onderzoek naar het functioneren van gemeenteopbouwprocessen in drie Baptistengemeenten'. Hij gaf zijn studie de veelzeggende titel mee: Het gaat om mensen (uitg. Boekencentrum). De kern van zijn studie is: wie aan gemeenteopbouw doet, moet niet vergeten dat structuren en organisatievormen daarbij wel belangrijk zijn, maar gemeenteleden moeten daarin wel meegenomen willen worden.
Ik ontleen dit aan een bespreking in het Centraal Weekblad van 20 augustus 1999 van de hand van dr. J. Hendriks. Hij was tot voor kort universitair hoofddocent gemeenteopbouw aan de VU. Wie met hart en ziel zich inzet voor de opbouw van de gemeente, kan soms lijden aan haar traagheid, haar loomheid en matheid. En juist dat lijden beweegt tot gedrevenheid, om 'de muren van Sion' op te bouwen (Nehemia!).

'Er is een verlangen naar vernieuwing van de gemeente. Naar een gemeente waarin mensen met vreugde meedoen aan de zaken waar het uiteindelijk om gaat: de omgang met God, de gemeenschap met elkaar, de dienst aan de samenleving (prediken en boze geesten uitwerpen).
Meer en meer wordt beseft dat die vernieuwing niet in de eerste plaats komt door ons optreden. We beseffen de waarheid van de aloude wijsheid: "Als de Heer het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan" (Psalm 127 : 1). Daarom gaf Rob van Kessel, katholiek hoogleraar praktische theologie, zijn boekje over gemeenteopbouw de titel mee Zes kruiken water. "Theologen kunnen niet nieer dan water aandragen, in de hoop dat dit met de genade Gods in het leven van de kerk tot wijn wordt," aldus Van Kessel. Daarvoor krijgen we meer en meer oog. Dat is maar goed ook, temeer daar dit ons van kramp kan verlossen.
Maar dat is niet het hele verhaal. We beseffen ook dat gemeenteleden bekwaamheden hebben ontvangen én de opdracht hebben gekregen aan de opbouw mee te werken. Met het hart, maar ook met verstand. Dat is altijd wel beseft. Al door Paulus. Hij ontvouwt niet wat mooie beelden en inspirerende gedachten, waarna hij er het beste van hoopt. Nee, hij werkt aan de opbouw van de gemeente als een kundig bouwmeester en hij wil dat weten ook (1 Korintiërs 3 : 10).
Kundig bezig zijn betekent onder meer serieus aandacht besteden aan vragen als: Hoe gaat het in de praktijk? Wat levert het op? Hoe moet je de praktijk beoordelen? Wat kun je op grond daarvan aanbevelen? Hoe moeten we het proces van gemeenteopbouw vormgeven? Als kerkenraad, als werkgroep?
Over deze vragen en vele andere doet René Erwich een boekje open. Nou ja, een boekje: zijn proefschrift Het gaat om mensen telt ruim vierhonderd bladzijden.'

Hoe verlopen de processen in de praktijk bij Baptistengemeenten? Erwich deed daar onderzoek naar. Hendriks vat samen:

'Erwich onderzocht dat minutieus in drie gemeenten. Wat blijkt in de praktijk? De predikanten zijn de eigenlijke trekkers van het proces. Hun rol is "bijzonder groot" (blz. 198). Zij hebben – en dat geldt ook voor kerkenraden – een zeker (ecclesiologisch) ideaalbeeld van de gemeente voor ogen. De spanning tussen dat beeld en de werkelijkheid drijft hen tot handelen. Daarvoor gebruiken zij agogische theorieën, die zij min of meer toevallig tegenkomen. Met behulp daarvan doen zij er alles aan om hun (!) gemeente mee te krijgen.
Vooral in de beginfase van het opbouwproces wordt de gemeente er uitgebreid bij betrokken, maar dat wordt gaandeweg minder. De gemeenteleden lopen zo een achterstand op, die steeds groter wordt. Daarbij speelt een rol dat zij de begrippen die de predikant gebruikt niet meer begrijpen. En dus worden zij ook steeds afhankelijker van de predikant.'

Zelfs in Baptistengemeenten blijft het teveel een zaak van de dominee en in het gunstigste geval samen met zijn kerkenraad. Zelfs daar ja, want in het type gemeente zoals Baptisten die kennen is immers de gemeentevergadering het hoogste gezag (congregationalisme: congregatie = gemeente).

'De studie van Erwich drukt ons weer eens met de neus op de praktijk. Zijn analyse van processen in Baptistengemeenten stelt ook SoW-gemeenten voor indringende vragen. Allerwegen wordt gesproken over de noodzaak van gemeenteopbouw. Zeker in onze tijd. Maar hoe geven wij daaraan vorm? Zijn we kundige bouwmeesters of rommelen we maar wat aan? Welke vraag staat in de gemeente centraal: waar blijven we? Of: waar gaan we naartoe? Heeft de gemeente een gemeenschappelijke visie? Wordt daaraan systematisch gewerkt? Is de weg die we daarbij inslaan in harmonie met onze ecclesiologische uitgangspunten? Welke rol wordt de gemeente toebedeeld en wat is de rol van de dominee?
De vraag is niet of de predikant een grote rol zal spelen. Zelfs niet of dat zou moeten. Natuurlijk moet dat. Maar de eigenlijke vraag is of zij die rol zo kan vervullen dat er een subject-subjectrelatie tussen predikant en gemeente ontstaat. Voor die vraag staan ook de nieuwe SoW-bureaus, zoals de regionale dienstencentra. Zien zij op hun beurt de gemeenten als subjecten, die zelf verantwoordelijk zijn, of als objecten, die de ideeën van "hogerhand" moeten worden aangepraat?
Ik sluit mij graag aan bij Erwich, die stelt dat het voor opbouwprocessen essentieel is dat zowel "de zaak" als "de mens" recht gedaan wordt. Alleen al de titel van zijn dissertatie is een program: het gaat om mensen.'

Daar mogen we voor ons 'winterwerk' bezieling uit putten: het gaat om mensen. Het gaat onze God om mensen, om Zijn mensen. De mensen voor ons en naast ons op de kansel en in de kerkbank zijn niet 'onze' mensen. In de zin van: ons soort mensen. Het Evangelie zoekt ingang in het bestaan van mensen. Daar moet voor gewerkt worden. Daar is voortdurende bezinning en inventiviteit voor nodig.

Wachten
In het laatst verschenen nummer van Theologia Reformata (jrg. 42 no. 2 – juli 1999) staat de tekst te lezen van het afscheidscollege van dr. A. Noordegraaf. Hij schrijft erboven: Gemeenteopbouw bij kenterend getij. Opbouw van de gemeente heeft te maken, aldus dr. Noordegraaf, met de hedendaagse crisis van kerk, geloof en religie. 'De opkomst van het vak gemeenteopbouw heeft alles te maken met het crisisbesef, dat het niet goed gaat met de kerk. Hoe kunnen we overleven in de vrieskou van een geseculariseerde samenleving?'
Wie dit besef in zich voelt, moet wel getroffen zijn door wat collega drs. W. Dekker (IZB) in ons blad van 29 juli 1999 schreef in de rubriek 'Zending: daar en hier'. Het is in ieder geval de kerkredactie van het Nederlands Dagblad opgevallen. Want ze vroegen drs. Dekker om een reactie. Ter herinnering, drs. Dekker schreef onder andere dit:

'We leven in een agnostisch-humanistische cultuur, waarin al het oude en vertrouwde afbrokkelt. Noch restauratie noch optimistisch activisme zullen ons redden. Alleen God zelf – als Hij er werkelijk is – zal ons redden. Wij hoeven niet meer te doen dan te roepen uit de diepte. Om zo te ervaren dat we vastgehouden worden. Die boodschap zal in onze tijd rooms en protestant, gereformeerde bonder en agnostische zoeker verbinden. Alle andere boodschappen verdelen en zullen ten laatste ook niet houdbaar blijken.'

Op de vraag: moet je dan maar stil gaan zitten afwachten in een hoekje? antwoordt drs. Dekker in het ND van 11 augustus 1999:

'De vraag "Moeten we dan maar stil gaan zitten afwachten in een hoekje?" krijg ik vaker naar aanleiding van wat ik zeg of schrijf. Die vraag krijgen we ook vaker bij de IZB. Er zijn namelijk medechristenen die veel meer actiegericht zijn dan wij. Ze zeggen het niet altijd, maar je ziet ze als het ware denken: Waarom zijn die kerkelijke reformatorische christenen zo sloom? Waarom timmeren ze niet meer met eigentijdse methoden luidruchtig met de boodschap aan de weg? Wij hebben toch een Woord voor de wereld, dat geldt voor iedere tijd? We zullen allen in onze moderne tijd gebruik moeten maken van moderne communicatietechnieken om het aan de man te brengen.
Ik heb er nog eens opnieuw over nagedacht, waarom ik in deze benadering niet mee kan gaan. Ze is me in ieder geval te boven- en te buitenhistorisch. Ik ben de laatste tijd steeds vaker bepaald bij dat diepzinnige gedeelte uit het boek Prediker: "Alles heeft een bestemde tijd en alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd. Er is een tijd om af te breken en een tijd om te bouwen, een tijd om te wenen en een tijd om te lachen, een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken." (Pred. 3)'

Drs. Dekker ziet in deze woorden uit Israels wijsheidsliteratuur ervaringskennis opgeslagen geboren uit de omgang met de levende God in de geschiedenis. We hebben het niet in onze hand als het gaat om het handelden van God. Het wachten op Gods tijd is wezenlijk voor wie op weg is met de God van Israël. Drs. Dekker geeft daar voorbeelden van uit de geschiedenis waar de Bijbel van verhaalt, maar ook uit de gang van het evangelie in Europa.

'Het nieuwe van onze cultuur in West-Europa is, dat het christelijk geloof zelf als overgeleverde waarheid in een ernstige crisis is terechtgekomen. Veel overgeleverde voorstellingen lijken niet meer te passen in ons wereldbeeld. Bovendien hebben de christelijke kerken jammerlijk gefaald om de vernieuwende kracht van het christelijk geloof te demonstreren met als voorlopig dieptepunt de moord op zes miljoen joden in "een werelddeel waar in elk dorp de kerktorens naar de hemel wijzen" (Elie Wiesel). Daarom is het voor de laatste christenen in Europa nu de tijd om stil te worden, zich te verootmoedigen en te wachten op God. Daarbij mogen ze verdergaan of opnieuw beginnen met "onder de mensen het goede doen" (Bonhoeffer).
Maar ze moeten niet doen alsof er niets aan de hand is. Ze moeten niet zich onttrekken aan de schuld en het falen van de christelijke kerk in de afgelopen eeuwen. Ze moeten zich niet onttrekken aan het oordeel. Ze moeten niet de reële Godsverduistering bagatelliseren. Ze moeten niet een tijdloos evangelie brengen alsof er van geen crisis sprake zou zijn. Ze moeten niet eigenmachtig willen beschikken over Gods bestemde tijden. Ze moeten juist solidair zijn met deze onze wereld, die door ons christenen mede is vormgegeven in al haar dubbelheid van ongekende mogelijkheden en ongekende verschrikkingen. Ze moeten solidair zijn met al die mensen die God absoluut niet meer vanzelfsprekend aanwezig achten, de hele en halve nihilisten, die niet meer in God kunnen geloven en toch soms ineens weer naar Hem verlangen.
Ze moeten intussen zelf dagelijks leven van genade: "Heer, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp". Ze moeten dagelijks bidden: "Heer, schijn in mij, schijn door mij" en zo het goede doen onder de mensen zonder enige pretentie, maar met een groot verlangen dat zo opnieuw iets van God zichtbaar zal mogen worden in onze wereld.

Nieuwe woorden
Vanuit deze praktijk moeten ze zoeken naar nieuwe en echte woorden, aan alle vanzelfsprekendheden voorbij. Bonhoeffer, een van de grote zieners van onze eeuw, schreef het in mei 1944 in de gevangenis zo: "Ons christen-zijn zal in deze tijd bestaan uit slechts twee elementen: bidden en onder de mensen het goede doen. Elk denken en praten en organiseren van christenen moet herboren worden uit dat bidden en doen. De kerk is nog in de smeltkroes en elke poging om haar voortijdig weer een machtige organisatie te geven, zal een vertraging betekenen in haar verandering en zuivering."

Ik moet afbreken, maar ik hoop dat duidelijk geworden is, dat zó wachten op God nog heel veel werk oplevert.'

Ik denk dat verantwoord gemeenteopbouwwerk juist alles te maken heeft met wat collega Dekker hier schetst. Hebben we niet juist elkaar toe te rusten om in zulk een tijd als we thans beleven echt gelovig te wachten op God?

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's