Hoe lezen wij het laatste bijbelboek? (4)
Een vorig keer haalde ik Da Costa aan. Reeds in de vorige eeuw schreef hij dat de Schrift naast de krant gelegd moest worden. Hij wilde daarmee zeggen dat men er dan achter komt dat de grote zomer aanstaande is.
Die grote zomer geeft de christen vreugde. In het geloof ziet hij er reikhalzend naar uit. Wanneer de grote zomer aanbreekt, is niet bekend. Het tijdstip is bij God bekend. Maar dat zij komt is vast en zeker. Gods belofte houdt ons het voor. En van de beloften Gods staat geschreven dat zij vast en zeker zijn in Christus Jezus, Gode tot heerlijkheid door ons.
Aan Gods belofte inzake de grote zomer behoeft niet getwijfeld te worden. Alles wat uit Zijn mond uitgaat blijft vast en ongebroken!
Wij moeten daarom niet al te zeer zien op een nieuw millennium dat weldra aanbreekt. Er gaat vrijwel geen dag voorbij of er wordt wel over een nieuw millennium geschreven. Het lijkt wel of alles zich in een 'verhaastingsproces' naar een nieuw millennium bevindt.
Velen vragen zich af: wat staat ons te wachten? Blumhardt heeft ooit gezegd: 'Wij wachten niet op iets, maar wij wachten op Iemand. Wij verwachten Jezus, met eer en heerlijkheid gekroond'.
De christen ziet uit naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Vooral ziet hij uit naar Jezus. Want het is de Zaligmaker van Wie hij zegt: 'Ik heb U lief, omdat U mij eerst hebt liefgehad'.
Het zal juist zijn als iemand mij voorhoudt dat de wetteloosheid en de goddeloosheid toeneemt. In een vorig artikel heb ik daarover geschreven. Echter… wij moeten er eens op letten dat juist in zo'n tijd waarin zich dat alles voordoet, de Heere Zijn Kerk bemoedigt met te zeggen: 'Als deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is' (Lukas 21 : 28).
Als ik aan verlossing denk, denk ik aan een totale verlossing. Dat wil zeggen dat ik denk aan de verlossing van ons mensen alsmede aan de verlossing van de schepping. Over de nood en het zuchten van de schepping lezen wij niet alleen in het boek Openbaring het een en ander, maar ook in Romeinen 8. Als daarom het Koninkrijk Gods gekornen zal zijn, zal God alles en in allen zijn. Alle nood van schepsel en schepping zál verdwenen zijn.
Antichrist
Nog altijd is het Koninkrijk Gods niet gekomen. Iemand heeft eens de vraag gesteld of het met het Koninkrijk van God nog iets zal worden. Een vraag die te begrijpen is als wij de nood, het kwaad, de ongerechtigheid in deze wereld zien. Toch behoeft zo'n vraag niet gesteld te worden, want Jezus komt! Het Koninkrijk komt. De Koning der kerk heeft het beloofd. Maar wel gaat aan de komst van de Koning en Zijn volkomen rijk een aantal tekenen vooraf. Ik stipte er in vorige artikelen reeds een drietal aan waarvan zowel in de Evangeliën als in de Openbaring wordt gesproken. Dit keer noem ik een vierde signaal: de antichrist.
Zowel in II Thessalonicensen als in de Openbaring wordt van hem geschreven. In II Thess. 2 : 3 en 4 lezen wij: 'Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet (de dag van Christus, De K.), tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs; Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in de tempel Gods als een God zal zitten, zichzelf vertonende dat hij God is'.
In het boek Openbaring met name in hoofdstuk 13 wordt de antichrist genoemd: het beest uit de zee. Johannes op Patmos zegt als hij dat beest ziet: 'En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering'.
In het boek Openbaring heeft de antichrist een afschuwelijke gedaante. Erger dan in de brief van de apostel Paulus aan de Thessalonicensen! Niettemin doen zij hetzelfde werk. Zij hebben hetzelfde op het oog, nl. om God te lasteren en de kinderen Gods naar het leven te staan. De antichrist zal niet eerder ophouden met zijn goddeloos werk tot op het moment dat God hem een halt toeroept en hem laat ondergaan in het eeuwige vuur.
In de brieven van Johannes (dus niet in de Openbaring, want dit is een profetisch boek) komen wij de antichrist in het meervoud tegen. Johannes vertelt ons dat er dwaalleer in de kerk is binnengeslopen. Deze dwaalleer (docetisme) is het werk van de antichristen. Zij proberen de gemeente af te trekken van het vaste fundament des geloofs. Wie anders zou dat vaste fundament zijn dan Jezus Christus? Voor de antichristen waarschuwt de apostel Johannes daarom ernstig in zijn brieven. Men zal zich houden aan de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest.
In I Johannes 2 : 18 schrijft de apostel: 'Kinderkens, het is de laatste ure en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen dat het de laatste ure is'.
Heel scherp wordt de apostel Johannes als hij in ditzelfde hoofdstuk zegt: 'Wie is de leugenaar dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist die de vader en de Zoon loochent'.
De dwaalleer uit Johannes' dagen is dezelfde als in onze tijd. Ook nu wordt ontkend dat Jezus is de Gezalfde Gods. Men ziet in Hem een voorbeeld, een voortreffelijk mens, maar niet de gezondene des Vaders die Kurios is, de Heere die alle macht heeft in hemei en op aarde. Wat dat betreft is de twintigste eeuw niet zoveel anders dan het tijdperk van de keizers. Laatstgenoemden lieten zich goddelijke verering welgevallen. Niet Jezus was Kurios, doch zij pretendeerden dit te zijn.
Wij is hij?
Wie is de antichrist? In de loop der eeuwen zijn er vele pogingen ondernomen om er precies achter te komen wie hij is. Men heeft – om zo te zeggen – zijn persoon proberen op te sporen.
Wat zeker is bij alle onzekerheid: Hij is niet vast te pinnen op een bepaalde tijd. Zijn gestalten zijn heel verschillend, maar ook de tijden waarin hij zich toont. Nu eens doet hij zich zus en dan weer zo voor. Nu eens in déze tijd, dan weer in díe tijd.
Hij heeft slechts één doel voor het oog: de gehele wereld wil hij op zijn hand krijgen. Eenieder en alles sleurt hij mee in wetteloosheid en goddeloosheid. Ik denk in dit verband aan de satanskerk. In die kerk telt Gods wet niet! Alles wat die kerk de aanhangers voorhoudt, staat haaks op Gods wet. Kortom: alles is geoorloofd als het maar tegen Gods wet is. Alles in de satanskerk is er antigoddelijk en antichristelijk.
In die kerk heerst de antichrist die de belichaming is van alles wat antigoddelijk en antichristelijk is.
Ik schreef reeds dat de antichrist zich in allerlei gestalten en vormen kan voordoen. Dat kan gebeuren als hij zich op soldatenlaarzen aandient, maar ook als hij verschijnt als een engel des lichts.
Wij moeten nooit vergeten dat hij zich zeer religieus kan voordoen en dat het nog niet eens altijd eenvoudig is om echt van vals te onderscheiden: Gods werk van nabijkomend!
De Zaligmaker houdt ons voor dat er in de dag der dagen mensen zullen zijn die in Zijn Naam wonderen hebben gedaan en toch… Hij kent deze mensen niet. Zij zijn geen vriend, geen metgezel van allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen. De antichrist had hun zinnen verblind…
Het is goed te bedenken dat het woord 'anti' twee betekenissen heeft. Meestal kennen wij het in de betekenis van 'tegen', maar het kan ook deze betekenis hebben: 'in plaats van'.
Als wij 'anti' als 'in plaats van' even vasthouden, wil het zeggen dat er iets of iemand zich aandient in de plaats van Christus. Iets of iemand die Christus nabij komt, maar het niet is. Misschien kunnen wij wel spreken over een surrogaat-Christus. Deze antichrist wordt in de eredienst; (cultus) als God vereerd. Dat zal vooral gebeuren als hij zich religieus (godsdienstig) voordoet. Een voorbeeld daarvan gaf ik hierboven (d.a. de satanskerk).
De weerhouder
Zijn kracht en macht moeten wij niet onderschatten. Maar vooral aan het einde van de geschiedenis zal de kracht en de, macht van de antichrist zeer omvangrijk zijn. Er zal dan iets gebeuren wat ons in II Thessalonicensen 2 wordt voorgehouden. Dan zal de weerhouder wegvallen, zodat de antichrist ongebreideld zijn gang kan gaan. Niets of niemand zal hij dan nog ontzien. De weerhouder zal weggevallen zijn!
Een vraag: Wie is de weerhouder? Ik las bij W. H. Velema een verklaring die mij erg aansprak. Hij ziet de weerhouder als een macht. Let wel: een macht ten goede. Deze macht is de uitwerking van het Woord van God in nationale en internationale verbanden. Dankzij de weerhouder kan de Evangelieprediking nog voortgang hebben. Het welbehagen des Heeren (en daaronder mogen wij toch ook de Evangelieprediking verstaan) kan door Zijn hand gelukkig en gelukkend voortgaan.
Het wil niet zeggen dat de prediking van het Evangelie niet wordt tegengestaan. Maar dankzij de weerhouder gaat het door! Het wordt nog gebracht. Het zal zijn gezegende werking doen. Jongeren en ouderen leren de Heere kennen. De vreze Gods krijgt gestalte in hen. Maar ook zullen er dankzij de prediking van het Evangelie structuren veranderen. Tekenen van hoop worden opgericht. Tekenen van het Koninkrijk dat is gekomen én dat komt!
Zal die weerhouder nog lang blijven of is zij een macht ten goede die langzaam maar zeker aan het verdwijnen is? Daarover wil ik graag een volgende keer mijn gedachten laten gaan. Wat duidelijk is: het signaal van de antichrist vóór de komst van Christus moet niet onderschat worden. Niettemin: de zaak van de Zoon van God zal bekend worden. Met artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis mag het wel leven: 'Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen…'
G. S. A. de Knegt, Barneveld
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's