De achilleshiel van het calvinisme (1)
Uit overtuiging dat de Nederlandse gereformeerde theologie wel pretendeert calvinistisch te zijn, maar met name op het punt van wedergeboorte Calvijn niet goed begrijpt, en op dat punt het meest kwetsbaar is, schreef de vrijgemaakt-gereformeerd predikant Fred van Hulst een boek, getiteld 'De achilleshiel van het calvinisme'. Het houdt een protest in tegen de ernstig verwaarloosde kern van het geloof, de ervaren wedergeboorte.
In een historisch overzicht, beschreven in de eerste vier hoofdstukken, schetst de auteur, met recht 'in vogelvlucht', vier eeuwen theologiseren in Nederland, vanaf de Reformatie in de 16e eeuw tot de ontwikkelingen in onze 20e, bijna 21e eeuw.
Dat je bij deze aanpak wel eens over veel zaken heenvliegt, ligt in de aard der zaak opgesloten.
De toespitsing vormt wel het punt waar volgens de schrijver alles om draait. Hij geeft dit aan door twee karakteristieke punten van het theologiseren van Calvijn te accentueren; namelijk de leer van de noodzaak van de wedergeboorte van de mens en de leer van de goddelijke predestinatie.
Vervolgens legt hij de vinger bij, wat ik zou willen noemen, de noodzaak van de zekerheid des geloofs en constateert dan dat er over het algemeen geloof genoeg is, in de zin van religieuze overtuiging, maar dat zekerheid des geloofs wel van een heel andere orde is. Zij behoort bijbels gezien tot het wezen van het geloof; het geloof, verwekt in het hart door het horen van het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest, waardoor de mens opnieuw geboren en tot een nieuwe mens gemaakt wordt (art. 24 Ned. Gel. Bel.). Me dunkt een helder uitgangspunt.
Gebrek aan krachtige geloofspredrking in bovengenoemde zin brengt mensen binnen en buiten de christelijke gemeente in verwarring en onzekerheid.
Een weg terug?
Van Hulst stelt zich en zijn lezers de vraag of er een weg terug is. Hoe komt het dat we wel de woorden van de grote Reformatie kennen (en preken), maar zo weinig de levensveranderende kracht ervan ervaren? Hij maakt dan onderscheid tussen officiële en officieuze leer, m.a.w. de authentieke gereformeerde belijdenis en de interpretatie daarvan. Het laatste, zo constateert hij m.i. terecht, heeft het eerste overwoekerd en van zijn plaats gedrongen. Een weg terug? Ja, als we ons weer laten gezeggen door het Woord van God en weer komen tot kennis van Hem.
Wedergeboorte in geloofspraktijk
In het laatste, vierde, hoofdstuk van het historisch overzicht worden de ontwikkeling van de wedergeboortetheologie en de verschillende opvattingen hierover nagegaan. Zowel binnen- als buitenlandse opties worden in dit onderzoek betrokken.
Pelagianisme en remonstratisme alsmede de Dordtse Leerregels komen aan de orde en onder het kopje 'Dordt internationaal' wordt een overzicht gegeven van de inbreng van Engelse, Franse en Duitse theologen op de Synode van Dordrecht (1618/ 1619). Op zichzelf boeiend en interessant.
Verder gaat Van Hulst hier diep in op de verhouding tussen goddelijke predestinatie en menselijke verantwoordelijkheid 'voor het menselijk verstand niet doorzichtig te maken'. Remonstranten benadrukken de menselijke verantwoordelijkheid ten koste van de goddelijke souvereiniteit.
Het hypercalvinisme gaat de omgekeerde weg, waardoor je in de dode orthodoxie belandt. Terecht wordt opgemerkt dat je wedergeboren moet zijn om de predestinatie zorgvuldig te kunnen onderscheiden van het determinisme. Immers wat voor wijzen en verstandigen verborgen is, is de kinderen geopenbaard. Ik zou erbij willen zeggen, niet om het geheim op een of andere wijze rationeel te beheersen, maar om het welbehagen van God te aanbidden.
Uiteindelijk is dan ook Van Hulsts conclusie: 'Ik kan het geheim niet oplossen en wil dat ook niet, maar verwonder mij met Paulus over de diepte en rijkdom van de kennis Gods' (Romeinen 11 : 33vv.).
Echter ontspoort voor mijn gevoel de schrijver als hij Hebreeën 11 : 6, waar we lezen 'dat wie tot God komt moet geloven dat Hij is', enz., dit geloof nog niet het ware geloof noemt, maar het gelijk stelt met hetgeen de duivelen van God geloven (Jak. 2 : 19) en het zelfs een dood geloof noemt. Over rationalisme gesproken!
Nu kan ik begrijpen dat Van Hulst de wedergeboorte min of meer afhankelijk maakt van het geloof, niet in die zin dat we 'door het geloof wedergeboren worden' (Calvijn), maar in de zin van: 'Pas wanneer je je van harte bereid verklaart, om je eigen leven en idealen helemaal op te geven voor Mij (Christus) en je bereid bent je uitsluitend door Mij te laten leiden, kan Ik je het nieuwe leven schenken… je moet gewoon gehoorzaam zijn'. En ook: 'Je kunt niet wedergeboren worden (cursivering H.V.) als je een verkeerde visie op de predestinatie hebt'.
Ik zou hier willen vragen of het een en ander voorwaardelijk is bedoeld. Het lijkt er sterk op. En hoe klopt dat met de belijdenis dat het ware geloof puur genadegeschenkt is? Jezus zei toch ook niet tegen Nicodemus: u moet eerst gehoorzaam zijn en eerst een juiste visie op de predestinatie kennen, eer je wedergeboren kunt worden? Is dat wel zo, dan verdaagt het pure genadekarakter van de wedergeboorte in de mist.
Een zekere ambivalentie
Ik wil ondanks deze kritische notie graag honoreren wat de schrijver, zich beroepend op Augustinus, naar voren brengt: 'Tenzij God uit louter genade, de mens tot leven wekt, kan hij God niet eens dienen. God moet geestelijk dode mensen tot leven verwekken. Deze verwekking vindt plaats in de wedergeboorte'.
Terecht keert hij zich tegen de gedachte dat de wedergeboorte afhankelijk is van de eigen keuze om de Heere te dienen en dat men uit deze keuze tot wedergeboren-te-zijn concludeert.
Maar dan is het toch op z'n minst ambivalent, en zeker m.i. niet consequent als je dan (op blz. 40) leest: 'De Heere laat zich enkel vinden door wie Hem serieus zoeken. Daar gaat een menselijke keuze aan vooraf; je moet het zelf willen'. Volgens de Dordtse Leerregels (hoofdstuk III en IV art. 11) werkt de Heilige Geest door het Evangelie zo op de wil van de mens in, 'dat de wil, die dood was levend wordt, die niet wilde nu metterdaad wil; die wederspannig was gehoorzaam wordt. Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen'. Van ambivalentie is hier in elk geval geen sprake. Juist zo kun je handhaven, dat de prediking tot de mens komt met bevel van geloof en bekering.
Het tijdstip van de wedergeboorte
We kunnen met Van Hulst onderschrijven dat de wedergeboorte niet bij allen een precies dateerbare ervaring hoeft te zijn. Eveneens dat de prediking van het Evangelie het instrument is van de Geest en de wedergeboorte plaatsvindt op het moment, waarop de waarheid van het verkondigde Woord tot je hart begint door te dringen.
Maar ik vraag me af waarom hierbij gezegd wordt: 'Dat vindt gewoonlijk niet meteen onder de kerkdienst plaats'. Waarom 'gewoonlijk' niet?
Nu, zegt Van Hulst: 'Eerder gebeurt het wanneer je in stilte en onder persoonlijk gebed nadenkt over de gepredikte boodschap voor jouw leven'. En hij argumenteert dit als volgt: 'Omdat het kunnen begrijpen en persoonlijk toepassen van het gepredikte Woord een vrij volwassen activiteit is, vindt deze wederboorte dan ook gewoonlijk niet op jonge leeftijd plaats. Bovendien om je leven weg te geven aan Christus, om jezelf te verloochenen als het leven voor je gevoel nog maar net begonnen is, daarvoor is een zekere rijpheid nodig. Je moet in staat zijn om geestelijke dingen te kunnen verstaan. Dat moet je van jonge mensen niet onmiddellijk verwachten…'.
In gemoede vraag ik me ook hier af of het kunnen begrijpen en toepassen van het gepredikte Woord een activiteit van de volwassene of de werking van de Heilige Geest, die het Woord verklaart én toepast. Is er een zekere geestelijke en voorafgaande rijpheid nodig waar de geest der wedergeboorte op wacht?
Moest Lydia uit Handelingen 16 eerst over de boodschap van het Evangelie nadenken of nam zij onmiddellijk acht (dank zij Geesteswerking) op hetgeen door Paulus werd gesproken? En vond de wedergeboorte niet bij heel wat jonge mensen plaats waarbij te denken valt aan Samuël, Obadja, Timotheüs en vele anderen meer?
Me dunkt, dat bij het sterke beroep, dat Van Hulst telkens doet op Calvijn, hij hier Calvijn beter ruimte had moeten geven, als deze t.a.v. van Johannes de Doper opmerkt: 'Laat ons uit dit voorbeeld leren, dat de werking van de Geest in de harten der mensen, van de prille jeugd tot de grijze ouderdom, geheel vrij en aan geen wetten gebonden is' (Commentaar op Lukas 1 : 15).
H. Visser, Katwijk aan Zee
N.a.v. F. van Hulst, De Achilleshiel van het calvinisme, uitgave Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 180 pag., ƒ 27,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's