De vaders en de broers van Putten (2)
In de fuik
'Gründlich' hebben de ongeveer duizend militairen zich van hun taak gekweten. Het feit dat het zondagmorgen was, heeft wellicht hun werk vergemakkelijkt: velen waren ter kerke gegaan. Er werd nog wel gewaarschuwd, voor en tijdens de diensten, dat er een razzia op handen was. Men had bijvoorbeeld overvalwagens zien rijden. Maar het was al te laat. De terugkerende kerkgangers liepen in de fuik. Inmiddels was ook de opdracht gegeven dat er tien notabele gijzelaars aangewezen en opgebracht moesten worden. Overal in het dorp wemelde het van militairen, die op de hoeken van alle wegen mitrailleurs hadden opgesteld. Zij lieten er geen misverstand over bestaan wat er aan de hand was: 'Eén voor allen is allen voor één, ' zei een soldaat. Sommige mannen stonden apart in een groep. Hun werd verteld dat ze, zodra ze met z'n twaalven waren, zouden worden doodgeschoten. Niet minder angstaanjagend was dat later die ochtend een ladder met het lichaam van een neergeschoten Puttenaar bij hen werd neergezet. Hij was één van de zeven, die er die dag vielen.
Politiemannen uit Putten en omgeving werden ook ingezet bij de arrestaties. Sommigen bagatelliseerden tegenover de burgers wat er aan de hand was: de opdracht naar het dorpscentrum te gaan was slechts gegeven met het oog op de controle van persoonsbewijzen en het onderzoek naar wapenbezit; wellicht kon men zo de daders te pakken krijgen. Anderen gaven echter de raad te vluchten. Een enkele agent weigerde zelfs de boodschap om zich te melden over te brengen.
Niet iedereen gaf aan het bevel gehoor. Sommigen vluchtten inderdaad. Er waren er ook die ziek op bed gingen liggen. Soms verhinderden de vrouwen, dat hun man, zoon of broer zich ging melden. Of ze waren de Duitsers te slim af. Zoals de vrouw, van wie de man zich thuis in een gat in de grond verborgen had. Toen de soldaten de woning wilden doorzoeken, zei ze huilend tegen hen: 'Ga maar gerust kijken. Mijn vader zit al in de kerk en mijn rnan zit al lang in Duitsland!'
In en rond de kerk
Inmiddels zwol op het marktplein de stroom mannen aan. Daar werden zij onder strenge bewaking gesteld. Wie er eenmaal was gearriveerd, kon niet meer terug. Overal stonden soldaten met hun geweer in de aanslag. Tal van legerauto's stonden bij de kerk. In de kerk zelf had men de vrouwen en kinderen bijeengedreven, die naar hun man of vader of zoon waren komen kijken. Om een uur of zes mochten de kinderen onder de tien naar huis, maar zonder geleide. Halverwege de avond kwam Fullriede binnen en ging voor de kansel staan. Hij sommeerde de vrouwen naar huis te gaan en de volgende morgen om tien uur terug te zijn, met eten voor hun mannen. 'Denk erom, kom terug, het gaat om het behoud van uw mannen!'
In de school vlakbij de kerk had men 's middags rond een uur of drie de mannen opgesloten. Het gebouw was er echter veel en veel te klein voor. In korte tijd waren de toiletten overstroomd. Het vuil liep de gangen in, waar men opeengepakt stond. De lokalen waren ook overvol: 150 man in een klas, en wel acht à tien man op één schoolbankje. Tot negen uur 's avonds stonden ze daar. Toen hadden de vrouwen en kinderen de kerk verlaten. Vervolgens werd een groot deel van de mannen uit de school er naar toegebracht. De hele nacht bevonden ze zich daar, met zo'n vierhonderd man, in het donker en in de kou. Militairen liepen in en uit, waardoor het steeds tochtte. Er was geen ruimte om te zitten of te liggen. Iedereen had vreselijke dorst. Meer dan één had vanaf zondagmorgen vroeg niets te eten of te drinken gehad.
De volgende morgen tegen half acht moesten de mannen van zeventien tot vijftig jaar in het middenpad gaan staan; daarna werden ze naar buiten geleid. De rest werd, na de controle van hun persoonsbewijs, weer in de school vastgezet. Maar even later moesten ze er weer uit en opnieuw de kerk in. Daar arriveerden eindelijk de vrouwen met eten.
De mannen in de bewuste leeftijdscategorie had men inmiddels in een U-vorm op het marktplein opgesteld, met z'n vijven naast elkaar. Ook hun persoonsbewijs werd gecontroleerd. Zij kregen echter geen eten. Op een gegeven ogenblik werd het bevel gegeven dat iedereen moest aantreden. Naast elk gelid kwam een Duitse soldaat in volle uitrusting te staan. Na anderhalf uur zette de lange stoet van 660 man zich in beweging, op weg naar het station.
Daar waren de Duitsers al bezig de trein te rangeren. Enige tijd later werden de mannen de wagons – nauwkeuriger: de veewagens – ingedreven. Op dat moment kwamen ook de vrouwen eraan; met eten en kleren waren ze hun echtgenoten en zonen achterna gegaan. Maar veel tijd om afscheid te nemen was er niet. Want de trein zette zich in beweging. Op weg naar Amersfoort. En verder.
Das Urteil über die Gemeinde Putten
Terwijl de mannen werden afgevoerd naar het station, stond overste Fullriede op één van de galerijen in de kerk, waar hij de achtergeblevenen het vonnis voorlas: In naam van de bevelhebber der Wehrmacht in Nederland wordt het volgende oordeel over de gemeente Putten uitgesproken: 1. het dorp wordt platgebrand; 2. de mannelijke inwoners der gemeente worden naar Amersfoort 'abtransportiert'; 3. Putten moet binnen twee uur volledig ontruimd zijn.'
Meteen werd de evacuatie van het dorp in gang gezet. Om half zes, toen het wat begon te schemeren, ging het eerste Puttense huis in vlammen op. Ruim honderd woningen en gebouwen in de dorpskern werden in de as gelegd. Aan de huizen van NSB-ers en deutschfreundliche personen waren witte lakens gehangen: die moesten van de brandstichting gevrijwaard blijven, evenals de huizen van zieken en ouderen.
Deze en gene probeerden de kolonel nog wel tot andere gedachten te brengen. Men wilde hem wel een lijst met vijftien bouwvallige woningen geven, die in brand gestoken mochten worden. Dan zou hij tegenover zijn superieuren gedekt zijn en hoefde Putten niet totaal verwoest te worden.
De smeekbeden waren echter tevergeefs. De soldaten hadden groot plezier in hun opdracht. Als dollemannen gingen ze tekeer. Daar kwam bij dat ze zichzelf rijkelijk volgegoten hadden. In het huis van de weggevoerde gemeentesecretaris zagen ze een orgel staan. Daarop speelden zij, voordat de woning in vlammen opging, 'Stille nacht, heilige nacht'. Plunderingen bleven ook niet achterwege.
Door heel het dorp heen schreeuwde het vee onverdraaglijk. Geen wonder, waar de vlammen naderden en de koeien sinds zondag niet meer gemolken waren. Daar kwam nog bij dat aan het eind van de avond Engelse vliegers overvlogen en de spoorlijn bestookten. Misschien waren ze aangetrokken door de branden of door de reeds over Putten verspreide radioberichten. Hierdoor vielen er ook gewonden. Er sloeg ergens zelfs een bom in.
De volgende morgen vroeg – dinsdag – mochten de mensen weer terug naar hun dorp en naar hun huizen. Een verschrikkelijke intocht was het. Putten rookte nog.
De daarop volgende dag, woensdag 4 oktober, werd vanuit Harderwijk de officier begraven, die bij de aanslag gewond was geraakt. Hij was aan zijn verwondingen bezweken. Met veel militair vertoon en eerbetoon werd hij ter aarde besteld.
Vernietiging door arbeid
Maandagavond 2 oktober arriveerden de Puttenaren in kamp Amersfoort. Al werden ze grof ontvangen en bejegend, de eerste week zagen de mannen hun toestand niet al te somber in. Er was voldoende te eten, er werden Rode-Kruispakketten bezorgd, er werd onderling tabak verhandeld. Enkelingen kwamen door bemiddeling nog vrij. Er werd ook meer dan één smeekschrift gestuurd, door vooraanstaande Puttenaren, door de vrouwen van het dorp, aan iedereen die naar hun inzicht voor de deportatie verantwoordelijk was.
Maar de week daarop, woensdag 11 oktober, werden de mannen, samen met achthonderd anderen, op transport gesteld. Naar Neuengamme in Duitsland, twintig kilometer ten zuidoosten van Hamburg. Daar – zo luidde een schrijven van de Sicherheitspolizei – moesten zij zes maanden worden vastgehouden. Zaterdagnacht kwamen zij daar aan. Sommigen waren nog uit de trein gesprongen en konden zo ontsnappen. Maar op een gegeven moment werd ook dat onmogelijk gemaakt.
Een uiterst wreed kamp. Eindeloze appèls, slecht voedsel, beestachtige bewakers, onmenselijke arbeid. Begin november werd een deel van de gevangenen naar een nieuw kamp gestuurd, naar Ladelund, niet ver van de Deense grens. Onder hen waren veel Puttenaren. Het droeve relaas van een concentratiekamp is al dikwijls beschreven, we doen het hier niet. We melden alleen de aan duidelijkheid niets te raden overlatende doelstelling van kampen als Neuengamme en Ladelund: 'Vernichtung durch Arbeit,' vernietiging door arbeid.
Het is de Duitsers wat de weggevoerde Puttenaren betreft voor negentig procent gelukt: slechts 49 keerden in 1945 behouden in Nederland terug, na een barre tocht langs allerlei concentratiekampen. Vijf van hen stierven na thuiskomst alsnog aan de gevolgen van de doorstane ellende.
Het kon niet anders dan dat er in sommige straten huis aan huis doden vielen te betreuren. Tal van mannen en vrouwen droegen de – toen nog in gebruik zijnde – rouwkledij van hun klederdracht. Want had men geen eigen vader, broer of zoon verloren, dan waren er wel andere verwanten, om wie men rouwde. Ook elders in Nederland bracht dit grote verlies in een betrekkelijk kleine gemeenschap een geweldige schok teweeg. Al snel rees de vraag: hoe is het mogelijk dat zovelen uit één dorp te gronde zijn gegaan? Het werd een telkens terugkerende vraag.
H. J. Lam, N. a/d IJ.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 19 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 19 Pagina's