De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

’Voetius’ vandaag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

’Voetius’ vandaag

5 minuten leestijd

De (hervormd) gereformeerde studentenvereniging Voetius viert deze week haar honderdjarig bestaan. Dat is een welgemeende felicitatie waard. Het kostelijke gedenkboek dat bij gelegenheid van dit jubileum verschijnt illustreert overvloedig hoezeer deze gelukwens op zijn plaats is. Vanuit enige persoonlijke ervaring wil ik de waardevolle functie van 'ons' dispuut in een summiere beschouwing onderstrepen.
Een gevleugeld woord in Utrecht is dat je kennis opdoet aan de faculteit, maar theoloog wordt op het dispuut. Hoe globaal en generaliserend die uitspraak ook is, ze bevat niettemin veel waars. In het regelmatige overleg met dispuutgenoten wordt de fragmentarisch vergaarde kennis samengebracht en vervolgens ingekaderd in het grote geheel van de gereformeerde theologie. De ontmoeting met medestudenten die gezamenlijk voor dezelfde uitdaging staan om in rapport met het reformatorische erfgoed eigentijdse theologie te beoefenen, vormt bij uitstek de gelegenheid om de academische theologie te toetsen op haar relevantie en vruchtbaar te maken voor de praktijk van vandaag. Om dit proces van verwerking, evaluatie en actualisering te kanaliseren, kent het dispuut verschillende vormen.
Maar voordat ik dit veelvoud aan vormen toelicht, wil ik eerst op een enkelvoud wijzen, waardoor alle activiteiten worden gedragen. Ik bedoel de amicitia, zoals dat in studententaal wordt genoemd. Het betekent: vriendschap. Het verenigingsleven bindt samen tot een hechte kameraadschap. Niet zelden is het de plek waar vriendschappen en vriendenkringen ontstaan voor het leven. Deze amicitia schept het klimaat om elkaar kritisch en opbouwend te begeleiden, niet alleen inzake de leer maar ook met het oog op het leven. Dat betekent dat de amici (vrienden) elkaar opscherpen in de standpuntbepaling die een gereformeerd theoloog is geboden, maar eveneens dat ze elkaar opbeuren om de aanvechting die de theologische doordenking en het persoonlijke geloofsleven belaagt, te doorstaan. Juist in deze postmoderne tijd van individualisering en fragmentarisering zijn theologiestudenten meer dan ooit gebaat bij een vriendschapsbeoefening die gemeenschap sticht. Het is deze broederschap die door vele Voetianen als een kostbare zegen van God wordt ervaren.
De manier waarop lan dit onderlinge verkeer gestalte wordt gegeven, is divers. Afgezien van de niet te onderschatten persoonlijke ontmoetingen, zijn er de gezamenlijke preekoefeningen die geregeld worden gehouden. Wat een werk daarvoor wordt verzet! De student-predicator levert van te voren bij alle sectiegenoten een compleet werkstuk in. Daarin is niet alleen zijn preek integraal opgenomen, maar legt hij ook een uitvoerige verantwoording af van de exegetische, hermeneutische, homiletische en dogmatische beslissingen die eraan ten grondslag liggen. Alle aanwezigen krijgen na de preekvoordracht gelegenheid om zowel hun instemming als hun vragen kenbaar te maken, waarbij zich dan enkelen in het bijzonder (schriftelijk) hebben voorbereid om de preek op verschillende aspecten te beoordelen. De taak van de eindcriticus (meetal een van Voetius' 'mentoren') is het om een samenvattende evaluatie te bieden.
Wat mij op die boeiende – maar best spannende en vermoeiende – avonden telkens weer opvalt, is de enorme zorgvuldigheid waarmee zowel de predicator als de critici zich op het gebeuren prepareren. De zorgvuldigheid van de critici heeft duidelijk twee kanten. Enerzijds bespaart men de preek zonodig zijn scherpe kritiek niet, anderzijds spaart men de persoon van de predicator met een zekere mildheid. Wat dit betreft signaleer ik een gunstige verschuiving ten opzichte van de jaren zestig, toen ik zelf Voetiaan was. Hoewel ik er rekening mee houd dat mijn 'bril' toentertijd wat gekleurd was, heb ik toch de stellige indruk dat de Voetiuanen vandaag elkaar doorgaans inschikkelijker behandelen dan destijds. En dat vind ik winst. Want de mildheid die ik signaleer en bepleit moet niet worden verward met vage vrijblijvendheid. Wat ik daarmee bedoel is dat kritiek onder geestverwanten nooit ten koste mag gaan van respect voor de persoonlijke intentie en integriteit van de ander Het is in deze ruimte van openheid en beslistheid dat de Voetianen elkaar opscherpen.
Nu is de preekoefening wel een belangrijke communicatievorm op Voetius, maar niet de enige. Rond een ieder jaar weer met zorg gekozen jaarthema wordt een aantal vergaderingen belegd waarvoor men gastsprekers uitnodigt om de thematiek vanuit diverse gezichtshoeken te verhelderen. Daarnaast floreert ook het kringwerk, waarin de studenten zich in kleinere groepen bezinnen op specifieke onderdelen van theologie en spiritualiteit. En laat ik de jaarlijkse Diësviering in de maand september niet vergeten, die dit jaar zo'n uitzonderlijk karakter draagt. Het zijn vieringen gekenmerkt door meditatie, informatie, installatie (van de aspirantleden) en recreatie (in de vorm van een feestelijke maaltijd).
Uit deze korte impressie blijkt hopelijk voldoende dat het honderdjarige Voetiusgezelschap vandaag nog tintelt van leven. God geve dat dit dispuut ook 'morgen' dienstbaar zal zijn aan wat 'stamvader' Voetius beoogde met zijn inaugurele rede (1634): dat vroomheid en wetenschap verbonden zullen zijn. In welke geest deze combinatie verloopt, leert ons Voetius' rede zelf. Het is de geest van ootmoed en afhankelijkheid. Hoezeer Voetius zich dit bewust was, blijkt uit het gebed dat hij aan het begin van zijn geleerde oratie uitsprak:
'Tot U dan wend ik mij, almachtige allergenadigste God, Vader van onze Heere Jezus Christus, bron van alle wijsheid en kennis. U smeek ik ootmoedig ons aller verstand door de genade van Uw Geest te verlichten, de harten te heiligen, de lippen en oren te openen, opdat woorden van waarheid en vrede tot Uw eer en tot heil van velen door mij bekwamelijk gesproken, door allen recht gevat en vaardig in daden omgezet kunnen worden. Verhoor ons door de Zoon Uwer liefde, onze enige Zaligmaker, Wien met de Vader en de Heilige Geest zij lof, eer en heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.'
Voetius sloot zijn rede af door opnieuw een gebed uit te spreken. Maar voordat hij hiertoe overging, maakte hij nadrukkelijk zijn motief kenbaar waaróm hij daar behoefte aan had. Dat deed hij door te herinneren aan het veelbetekenende woord van de door hem bewonderde Augustinus: 'De katheder is wel op aarde, maar het onderwijzen in de hemel!' Wanneer het dispuut dat naar Voetius' naam is genoemd, ditzelfde besef deelt, zal het een vruchtbare broedplaats van theologie en godsvrucht zijn.

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1999

De Waarheidsvriend | 19 Pagina's

’Voetius’ vandaag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1999

De Waarheidsvriend | 19 Pagina's