Brug tussen Woord en gemeente
Taak van ambtsdrager is vooral overdracht van en waken over de leer
Opzicht over de gemeente. Naarstig toezien of ieder zich behoorlijk gedraagt in belijdenis en levenswandel. Toezicht op leer en leven van de dienaar van het Woord. Een luisterend oor en een uitgestoken hand voor degenen die geen helper hebben. Dat vraagt verankering van het ambt in de gemeente van Christus, omdat de ambtsdragers Hem vertegenwoordigen. Vorige week benadrukten ds. C. den Boer, emerituspredikant uit Barneveld, en ds. J. A. W. Verhoeven uit Noorden zowel de representatie van Christus door de ambtsdragers als de mondigheid van de gemeenteleden. Vandaag deel twee.
Ds. C. den Boer: 'Onze tijd is veeleisender dan vroeger voor de dominee en de ouderling. Daarom moet het verwachtingspatroon dat gemeente en kerkenraad van een ambtsdrager hebben duidelijk zijn.' Ds. J. A. W. Verhoeven: 'De kerntaak is niet anders, de leefwereld van de gemeente wel.'
Ds. Verhoeven noemt als specifieke taak van de ambtsdragers in onze tijd het slaan van een brug tussen het Woord en de gemeente, vooral voor de ouderling. 'Dat geldt speciaal voor de ouderling. De diaken doet dat meer metterdaad. Het lijkt een algemeen aanvaarde stelling, maar toch is het belangrijk dit vast te houden.'
Ds. Den Boer: 'Als je gelooft dat de Bijbel duidelijke uitspraken doet over de leiding van de gemeente, krijg je een beeld van kerntaken dat er niet om liegt. Je moet van hoge huize komen om iets weg te poetsen uit het formulier van het bevestigen van ambtsdragers. De grote lijn is duidelijk – ik vind dat machtig verwoord – de overdracht van de apostolische leer, het waken over de leer, samen met de gemeente. Ook het hoeden van de gemeente, het weiden van de kudde. Ik vind dat dit voor de geroepen ambtsdragers duidelijk moet zijn. Ze moeten weten waaraan zij moeten voldoen. Als mensen niet weten wat van hen verwacht wordt, ontstaan er frustraties.
Wie er tegen opziet en schroom kent, moet geholpen, toegerust en gevormd worden. En daarbij, niet ieder mens, al is hij nog zo bekwaam, heeft alle gaven. De een gaat met lood in de schoenen naar de kerkenraadsvergadering, de ander slaapt slecht als hij het consistoriegebed moet doen en vindt het juist heerlijk om pastoraal ment mensen te spreken.'
Ds. Verhoeven: 'De kerntaak is niet anders, maar de leefwereld van de gemeente wel. Dat verandert aan de opdracht niets.'
Ds. Den Boer: 'Het verwachtingspatroon moet duidelijk zijn. Zeg: "We verwachten van jou niet meer dan dat je twee avonden per week beschikbaar bent voor dit werk." Want escaleren doet het zo gemakkelijk.'
Luisteren
Is luisteren zeker zo belangrijk als Gods Woord doorgeven?
Ds. Verhoeven: 'Mijn ervaring is in dit opzicht dat het meestal goed gaat, dat de ouderlingen als vanzelf een pastorale antenne ontwikkelen. De meesten hebben het vermogen in te schatten wat er in een huiskamer gaande is. Luisteren leer je in de praktijk.'
Ds. Den Boer: 'Een terreinverkenning is nodig. Wie alleen luisterde, denkt op weg naar huis wellicht: Waar heb ik misschien de boot gemist?'
Ds. Verhoeven: 'Ik heb de omgekeerde ervaring ook wel gehad: "Had ik toen maar even mijn mond gehouden". In gesprekken gaat veel mis, maar wanneer er een basis van vertrouwen is, mag dat ook een keer. Je kunt een bezoek toch ook herhalen.'
Oudere predikanten spreken nog wel eens over wijze broeders, de Brakel en Calvijn echt kénden. Verleden tijd?
Ds. Den Boer: 'Ik zou niet willen zeggen dat die weg zijn. Kijk ik naar het geestelijke gehalte van onze gemeenten, dan is dat niet altijd om over naar huis te schrijven, voor zover ik dat beoordelen kan. Ik ben bang dat er een soort geestelijke dommel over ons gekomen is, die niet gering is, wat zich in de kerkenraden laat weerspiegelen. Maar dat is ook weer niet het totaalbeeld. Als gastpredikant kom ik wekelijks in gemeenten, maak ik het gesprek na de dienst in de consistorie mee. Dan kom ik ook dingen tegen die me herinneren aan de tijden vanouds. Misschien zegt men het soms anders. Pas deed een man van zeventig jaar het consistoriegebed, hij was pas twee jaar ouderling: heel eenvoudig, heel liefelijk, heel hartelijk. Toen we de kerk ingingen, zei hij tegen me: "U hebt maar een mooi werk om Zijn naam te mogen aanprijzen. Zit er maar niet over in!" Daar word je toch klein van! Dat was een gewone man, die zo echt met de Heere sprak over de dienst. Dat vind ik mooi, maar die geestelijke dommel zie ik ook. Het gesprek na afloop van een dienst valt me eerlijk gezegd niet altijd mee. De dominee hoeft geen schouderklopjes te verwachten, maar als je anderhalf uur met de gemeente bezig bent geweest, mag er toch wel iets gezegd worden. Of niet? Zeg wat er gebeurd is in die dienst.'
Karakteristiek
Ds. Verhoeven: 'In de vijftien jaar dat ik mag preken, zie ik geen ontwikkeling. Dat is nog maar kort. Ik sta er nog middenin; ik kijk nog niet zo terug als ds. Den Boer dat kan. Je mist wel wat de karakteristieke ouderlingen die in hun eigen taaleigen de dingen zeggen. Maar ik wil er niet oordelend over spreken, het is meer een zorg. De ouderlingen komen voort uit de gemeenten én uit de prediking. Als na de dienst de collectezak direct omgekiept wordt, denk ik: "Zou het aan mijn preek gelegen hebben?" Wij als predikanten zijn misschien ook minder karakteristiek dan de generatie van veertig jaar geleden. Ik maak het ook wel mee dat er een gesprek komt dat ik als een soort verplichting ervaar, waarbij er wat algemene waarheden klinken. Dat is geen resonans van de preek.'
Ds. Den Boer: 'Er komt echter ook wat voor terug. Soms maak je een jonge man mee die uit de volheid van zijn gemoed daar in die consistoriekamer even staat te spreken. Wat hij zegt, dat mag er wezen. De Heere gaat door met Zijn werk in het midden van de gemeente. Ik heb hoop voor de jongeren.
Maar wij moeten waken tegen verstarring en gewenning in het geestelijk leven. Van McCheyne weet ik dat als hij gepreekt had, er rijen mensen stonden te wachten om met hem na te praten. Nu was dat een opwekkingstijd, maar ik zou dat best eens willen. Als ik soms hoor wat mensen op een kerkplein verhandelen met elkaar, houd ik mijn hart vast.
Het is mijn zorg of ik de gemeente, de jongeren in deze postmoderne tijd, bereik, zodat ze er wat aan hebben in hun leven van elke dag. Als je dat geprobeerd hebt, dan mag je wel eens verwachten dat er beroering komt in de gelederen, om het zo te zeggen. Er zijn inderdaad lichtgevender perioden in de kerkgeschiedenis. Denk ook aan de enorme geest van materialisme die ons heeft bevangen.'
Ds. Verhoeven: 'Ik denk bij dat dommelige ook aan het praterige, in tegenstelling tot de stilte, het meditatieve, de aandacht. Het geestelijk leven van de ambtsdragers lijdt schade door de snelheid van leven. Denk aan het bevestigingsformulier dat spreekt over de overlegging van de verborgenheden van Gods Koninkrijk. Zit daar geen mankement? Als dat gaat haperen, raakt de godsvrucht, de vreze des Heeren weg. Dan is de geestelijke leiding zoek. Dat heeft niets te maken met academische opleiding, het gaat om de eenvoudige omgang met God. Mijn ouderlingen en ik stimuleren elkaar hierin wederzijds. Het is een invalshoek van de boze om hier iets af te breken. de teerheid van de omgang met God weg te nemen.'
Bedreiging
Wat ziet u als dé bedreiging van het ambt nu?
'Ik denk dat het niet goed is als het ambt niet bedreigd wordt. Je staat in de wereld, in de linie met een opdracht. Dat geldt voor elke tijd. Nu speelt vooral de mondigheid, de nadruk op het functionele, die geen goed doet aan de ambtsgedachte. In veel gemeenten speelt ook wel de invloed van de evangelische beweging.'
Ds. Den Boer: 'Nou en of! En daar zou ik nadrukkelijk de vinger bij willen leggen. De gedachte dat vanuit het ambt leiding aan de gemeente wordt gegeven, is in evangelische kring wat buiten het vizier. Dé concrete bedreiging van het ambt vind ik de individualisering. Dat houdt in: als er drie individuele christenen zijn, is er een gemeente, waarin men elkaar leiding geeft. Dat is geen bijbels denken. Het gevolg is de ene scheuring na de andere. We moeten trouw op de post blijven. Ik hoorde er deze week een voorbeeld van uit Groot-Ammers. Daar zat een mevrouw veertig jaar onder een vrijzinnige prediking te bidden of de Heere het wilde veranderen. En toen kwam ds. Bouthoorn!'
Dat was in de tijd vóór de perforatieregeling?
'Ja, precies. Er was ook geen kerktoerisme. Deze gedachte is nu helemaal weg, ook in onze gezindte. Het is een dodelijk gevaar dat men zich voegt bij de gemeente waar het gezellig, gevoelig, warm enzovoorts is. Zijn we daarmee niet bezig het lichaam van Christus te verscheuren?'
Kan het zijn dat het ambt te dicht bij de gemeente komt? Dat de ambtsdragers 'Gerrit en Kees' zijn?
Ds. Verhoeven: 'Wij doen dat in Noorden niet. De kerkenraadsleden spreken mij niet aan bij de voornaam, maar elkaar doen ze dat wel. In een dorp zegt men geen meneer.'
Ds. Den Boer: 'En dat hoeft toch niet? Maar je wint er ook niks mee. Denk niet dat je daarmee de brug over komt. En doe verder heel gewoon. Is een ouderling hier bekend als Jan Timmermans, dan hoef je op huisbezoek niet meneer Timmermans te gaan zeggen. Als maar duidelijk is dat hij ook namens Christus komt.'
De tweejaarlijkse ambtsdragersverkiezing is aanstaande. Is het een slecht teken dat velen er zo tegenop zien?
Ds. Verhoeven: 'Dat kun je jammer noemen, een teken van geestelijk verval. Je kunt ook zeggen dat er blijkbaar wel wat gevraagd wordt. Het is een zorg de vacatures vervuld te krijgen. Veel gemeenten hebben er echt moeite mee. Het is geen teken van fris geestelijk leven als je voortdurend hoort dat mensen moeite hebben met hardop voorgaan, al oordeel ik niet over de harten. Toch: het komt altijd weer goed.'
Bemoediging
Ds. Den Boer: 'Zomaar iemand tot ouderling aanwijzen, dat is het niet. Er staat ook zoiets in de Bijbel dat ze beproefd, geoefend en getoetst moeten zijn. Ik denk dat de gemeente eerst moet kijken naar degenen die reeds meewerken in de gemeente, als bezoekbroeder of in het evangelisatiewerk. Al vanaf de catechisatie moet je hiermee bezig zijn. Eén keer vroeg me een belijdeniscatechisant na zijn bevestiging tot lidmaat: "Heeft u nu ook iets voor mij te doen?" Mooi!
Ik ken gemeenten van 4000 zielen, waarbij de kerkenraad bestaat uit acht personen. Dat vind ik heel slecht, dan houd ik mijn hart vast. Maar vergroting van de kerkenraad heeft soms als achtergrondgedachte dat alle werk door de kerkenraad gedaan moet worden. Nee, het gaat om het samenspel met de gemeente. Het werk mag gespreid worden. De regering zal niet bij weinigen liggen, staat in een formulierenboek.'
Ds. Verhoeven: 'Het hangt samen met de grootte van de gemeente. En er is intensiever pastoraat nodig in veel situaties.'
Ds. Den Boer: 'Och, dat al het volk profeten waren.'
Van dit artikel mag een bemoediging uitgaan. Hier zaten twee mensen die grote waardering hebben voor wat er door ambtsdragers in onze tijd wordt gedaan, niet alleen omdat ze het moeten combineren met gezin en werk, maar ook omdat God zorgt voor de bereidheid hun vaak spaarzame tijd te besteden voor dit werk. Dat is toch heerlijk?
Ds. Verhoeven: 'De kerk is van de Heere. Dan mogen we er een gebedszaak van maken, van harte en intensief, om ambtsdragers te vinden, gelovend dat zo de kerk gebouwd wordt.'
P. J. Vergunst, Apeldoorn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's