Uit de pers
Schuldbesef verdwenen
Onlangs was prof. dr. K. Runia 50 jaar predikant. Vele jaren gebruikte hij zijn talent onder andere om ingewikkelde theologische vragen van vroeger en vandaag voor een breed lezerspubliek te verduidelijken, vooral in de lange jaren dat hij betrokken was bij het Centraal Weekblad in zijn eigen Gereformeerde Kerken. Ik las vandaag dat er aan het eind van deze maand een bundeling van artikelen zal verschijnen, bijeengebracht uit genoemd weekblad. Een voorbeeld van zo'n bijdrage las ik in Soteria, kwartaalblad voor evangelische theologische bezinning, 16e jaargang 1999 nr. 3. Hij schrijft een bijdrage onder de titel De moderne mens en het evangelie van de verzoening. Wie ingevoerd is in het thema leest ook weer niet zoveel nieuws. Toch weet prof. Runia de kern van de zaak nog weer eens uit de doeken te doen. Hij stelt de vraag aan de orde hoe het komt dat de boodschap van de verzoening de meeste mensen in West-Europa niet meer aanspreekt. Hij merkt op dat dat niet voor het eerst is in de geschiedenis. In de 16e eeuw wees Faustus Socinus de gedachte al af dat Jezus' dood aan het kruis een noodzakelijke schakel zou zijn in het heilshandelen van God. Sinds de Verlichting in de 18e eeuw is de traditionele leer van de verzoening meer en meer in de verdrukking geraakt. In de recente tijd is in Runia's eigen kerken de klassieke belijdenis van de verzoening door voldoening onder hevig kritisch vuur komen te liggen: H. Wiersinga en C. J. den Heyer.
Hoe is dat toch gekomen, aldus vraagt prof. Runia. Hij noemt dan de doorbraak van de secularisatie sinds de zestiger jaren van deze eeuw. De West-Europese cultuur was vanaf de Middeleeuwen een duidelijke schuldcultuur. Vandaag is die cultuur sterk op weg een schaamte-cultuur te worden. Moderne mensen kennen hooguit nog een collectief schuldgevoel, maar geen persoonlijk schuldbesef meer. Waarom is dat verdwenen? Runia noemt enkele oorzaken:
'(a) Voor veel mensen is God een grote X, een grote Onbekende, geworden. Dat wil niet zeggen dat ze allemaal bewuste atheïsten geworden zijn. Ze zijn waarschijnlijkt meer agnosten dan atheïsten. Ze zeggen niet dat God niet bestaat, maar ze weten gewoon niet wat ze zich bij Hem moeten voorstellen. Een typisch voorbeeld van deze houding vinden we in een uitspraak van de Engelse filosoof Alasdair Macintyre: "The creed of the English is that there is no God and that it is wise to pray to Him from time to time" (The Honest to God debate, ed. by David L. Edwards, 1963, 215-228). Zo'n gebed nu en dan is verstandig, want ten slotte kun je nooit weten of Hij misschien toch wel bestaat. Bovendien zien we dat mensen, als ze in diepe nood zijn, bijna onwillekeurig houvast zoeken en dan komt bij velen het woord "God" bijna vanzelfsprekend weer naar boven. Maar is het dan wel meer dan een leeg woord?
In veel opzichten is de schrijver Nicolaas Matsier typerend voor de moderne mens. Hij heeft net als Jan Wolkers en Maarten 't Hart een gereformeerde achtergrond. Alledrie hebben ze het geloof van hun ouders losgelaten. Maar er is wel een typerend verschil. Wolkers en 't Hart vechten in al hun boeken tegen het oude geloof en maken er vaak een karikatuur van. Matsier is heel koel en zakelijk. In zijn boek "Gesloten huis" (1994) zegt de hoofdpersoon, die het ouderlijk huis afsluit na de dood van zijn moeder: "God verwierp ik tijdens een pauze, in de derde klas van het 's-Gravenhaagsch Christelijk Lyceum, in het gezelschap van Gerard". Een recensent schreeft later: "Waarschijnlijk is dit de kortste breuk met het gereformeerde geloof in de Nederlandse cultuurgeschiedenis". Maar als God wordt afgeschaft als een oude stoel, waar je niets meer mee kunt en die je dus maar bij het grof vuil zet, dan is het geen wonder dat er ook geen religieus schuldbesef meer is.
(b) Dit betekent tegelijk ook dat de moderne mens autonoom is geworden, dat hij er dus ook een autonome moraal op nahoudt: ik zal zelf wel uitmaken wat ik zal doen of laten. Hetzelfde geldt ten aanzien van het geloof: ik zal zelf wel uitmaken wat ik al of niet zal geloven. Deze mens kan zich ook niets voorstellen bij de oude gedachte dat een mens misschien verloren zal gaan. Veel mensen geloven vandaag dat het met de dood uit is. Mocht dat niet zo zijn, mocht er toch nog iets op volgen, mocht er toch nog een of ander Opperwezen zijn, "och, dan zal Hij mij ook wel aanvaarden". Staat er niet ergens in de bijbel: "God is liefde?" Dit universalistische denken is tegenwoordig wijd en zijd verspreid. Ook in de kerken, vrees ik. Daarom slaat MacIntyre met zijn uitspraak dat de Engelsen geloven dat er geen God is, maar dat het toch wel verstandig is om zo nu en dan tot Hem te bidden, ook op ons als Nederlanders.'
Tot goed verstaan, de vertaling van het Engelse citaat van MacIntyre luidt: De geloofsbelijdenis van de Engelsen is dat er geen God is maar dat het toch verstandig is af en toe tot Hem te bidden.
Prof. Runia stelt dan de vraag aan de orde hoe het toch komt dat prof. Den Heyer het Nieuwe Testament zo heel anders leest dan de kerk der eeuwen altijd heeft gedaan? Omdat hij een heel andere bril draagt, is het antwoord. Hij draagt de bril van het historisch-kritisch bijbelonderzoek. En de tweede bril is die van Den Heyers eigen levensgevoel dat hij deelt met veel mensen in deze tijd. Wij mensen zijn zélf verantwoordelijk voor onze daden. We hebben het niet nodig dat iemand anders de schuld daarvoor op zich neemt.
Prediking van de verzoening
Welnu, als de dingen zo liggen in onze moderne cultuur (en dat gevoelen gaat ook onze eigen hervormd gereformeerde gemeenten echt niet voorbij!), hoe stel je dan toch de verzoening aan de orde in de prediking?
'Het is de vraag: Hoe kunnen we het evangelie van de verzoening doorgeven aan de geseculariseerde mens van vandaag? Dat dat moeilijk is ligt voor de hand. We leven in feite in een post-christelijke cultuur (al zijn er nog steeds schaduwen van het evangelie aanwezig). Voor de mensen die in deze cultuur leven schijnt de christelijke boodschap niets meer te bieden. Hoewel ze vaak nauwelijks meer iets van die boodschap weten, hebben ze toch het gevoel dat die boodschap oud en afgezaagd en passé is. Ze is iets uit de oude doos van opa en oma!
Toch hebben we de opdracht om ook aan deze moderne mens het evangelie te verkondigen. Het zendingsbevel dat we aan het einde van alle vier evangeliën en aan het begin van het boek Handelingen tegenkomen, geldt ook voor ons: "Ga heen en maak alle volken tot mijn discipelen". Ook het Nederlandse volk aan het einde van deze 20e eeuw valt hier onder.
Ik realiseer me dat het niet eenvoudig is om deze vraag te beantwoorden, maar wil toch een poging wagen en er enkele opmerkingen over maken. De eerste opmerking is dat we moeten beginnen waar de mensen zich bevinden. Als kerkmensen zijn we zo vaak geneigd om het evangelie te brengen op de manier waarop wij het vroeger zelf gehoord hebben. We beginnen dan met een poging de mensen te overtuigen van hun zondigheid en schuld tegenover God, om daarna te spreken over het kruis van Jezus als middel ter verzoening van onze zonden. Maar is dat wel de juiste manier? Misschien is het nog wel de goede manier binnen de kerk, omdat kerkmensen de gedachte dat we allemaal zondaren voor Gods aangezicht zijn vaak nog wel (enigszins) verstaan. Maar buiten de kerk werkt het meestal helemaal niet.
Dat die benadering niet werkt is ook niet van vandaag of gister.
Ook vroeger werkte het meestal zo niet. Als student speelde ik vaak tennis met een buitenkerkelijk echtpaar. Al tennissende werden we vrienden. Ik wilde graag het geloof aan hen doorgeven en begon op een avond, na het tenissen, met een poging om hen van hun zondigheid te overtuigen. Ik zal die weg wel gekozen hebben, omdat ik zelf uit de bekende Heidelberger Catechismus geleerd had dat het antwoord op de vraag: "Waaruit kent gij uw ellende?" het korte maar krachtige "uit de wet Gods was". Ik haalde dus de Tien Geboden aan om via die weg hun hun "ellende" duidelijk te maken, maar het hielp van geen kant. Ze voelden zich helemaal niet zondig. Natuurlijk, ze maakten wel eens fouten, maar ze probeerden toch altijd om andere mensen te helpen? Waarom zouden ze zich dan "zondig" moeten voelen? U begrijpt het al: ik bereikte helemaal niets met mijn goedbedoelde poging.'
Runia wijst erop dat ook de apostelen zich hebben ingespannen om hun hoorders daar op te zoeken waar ze zich met hun denken en gevoelen bevonden. Petrus op de pinksterdag doet het weer heel anders dan Paulus op de Areopagus. Petrus heeft het joodse volk voor zich en Paulus een volstrekt heidens gehoor.
'We moeten beginnen waar de mensen zich bevinden. Dat wil in ons geval zeggen: in de geseculariseerde Nederlandse cultuur. Dat is ongetwijfeld bijzonder moeilijk. Geseculariseerde mannen en vrouwen schijnen totaal irreligieus te zijn. Ze hebben wel veel altaren, maar geen enkel altaar dat gewijd is aan een onbekende God. Er schijnt geen enkel aanknopingspunt te zijn tussen de moderne en geseculariseerde mens en de christelijke boodschap van een God die zichzelf in Jezus Christus geopenbaard heeft. Zitten we dan niet in een hopeloze situatie? Waar moeten we dan beginnen?
Ik herhaal nog eens: we moeten beginnen waar ze zich bevinden. Dat wil zeggen in deze geseculariseerde cultuur. Het mag uiterlijk gezien een wereld zijn waarin religie helemaal op de achtergrond geraakt is – hoewel??? het New Age-denken verslaat z'n duizenden! –, maar dat verandert niets aan het feit dat ze allemaal mensen zijn en dat ze als mensen niet kunnen ontkomen aan de diepste levensvragen, die hun eigen bestaan tot op de bodem raken. Vragen als: waar kom ik vandaan? waarheen ben ik op weg? wat is de zin van mijn leven? hoe kom ik klaar met mijn ziekte, met het overlijden van mijn levenspartner of van mijn kind? hoe kom ik klaar met mijn eenzaamheid en mijn eigen dood, die onuitwijkbaar dichterbij komt?
Het zou me niet verbazen dat, als Paulus vandaag bij ons was en hij een gehoor in ons land zou moeten toespreken, hij zou beginnen met dit soort vragen en problemen. De moderne mens van vandaag mag ongodsdienstig zijn, maar ook hij kan het niet laten om deze vragen te stellen, vragen die – misschien wel op een negatieve manier – in de richting van God wijzen. Laten we ons niet al te druk maken over de vraag of er wel een aanknopingspunt is tussen het evangelie en de moderne geseculariseerde mens. Die vraag kunnen we wel aan het evangelie overlaten. Hel evangelie schept zijn eigen "landingsplaats", want het evangelie is een instrument in de hand van de Heilige Geest. Misschien moeten we aan onze vrienden en onze collega's maar vertellen hoe we zelf een antwoord op die zonet genoemde diepste levensvragen gevonden hebben. Dan geven we het licht van het evangelie door in de vorm van een persoonlijke "echo" of "weerkaatsing". Of zo'n poging slaagt en we bij de ander iets oproepen, ligt niet in onze macht.
Van Ruler heeft het t.a.v. de preek in de kerk eens zo gezegd: een predikant kan niet meer doen dan het evangelie vóór de deur van het hart van zijn hoorders neerleggen. Of die deur ook opengaat, ligt niet in zijn macht.'
Ik denk dat prof. Runia het geheel bij het rechte eind heeft. Een boodschap brengen heeft ook te maken met het zoeken naar aansluiting bij hen aan wie je de boodschap zo graag kwijt wilt. Je kunt vandaag niet zomaar meer plompverloren de klassieke teksten en formuleringen van de belijdenis van de kerk der eeuwen loslaten op de gemeente. Wie het wel doet, moet niet denken dat de gemeente hem dan volgen kan. Het moge dan allemaal vertrouwd klinken en het imago van de prediker mag onbeschadigd blijven bij een klein deel van hen die de termen nog kennen. Maar verder gebeurt er weinig omdat er niet wordt verstaan. We zullen moeten blijven vertalen in de taal en de denkpatronen waarin mensen vandaag denken en leven. Daar zitten de nodige risico's aan omdat we bij vertalen inhoud kunnen verliezen. Toch onderstrepen we de stelling die prof. Runia ons hier aanreikt: onze mensen zoeken daar waar ze zich bevinden.
J. Maasland
Info: Soteria: Merweboek uitg., Postbus 217, 3360 AE Sliedrecht, tel. 0184-410224.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's