Ik zal
'En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.'Ezechiël 36 : 26
Hoe kwam dat papiertje in dat boek terecht? Dat papiertje: een halve bladzij uit een schrift misschien, in een boek dat ik ter hand genomen had. Wat stond er op? Bovenstaande tekst en ook nog het volgende vers. Is het u wel eens overkomen, dat je opeens een bijbelwoord vóór je ziet, waaraan je helemaal niet gedacht had: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u…?
Het ligt nu vanmorgen naast mij, dat briefje met die tekst. De schrijver (schrijfster?), volwassene of kind, heeft getracht, de woorden in mooie letters op papier te zetten. En Ik zal…
Maar: is het dit niet, waar het om gaat? Wat de Heere in Zijn Woord ons wil zeggen?
Of laten wij eerst zien, wat wel de achtergrond van bovenstaande woorden is. Over het volk is een grote donkerheid gevallen.
Vreemde legers uit het oosten zijn gekomen en hebben eerst het broedervolk Israël gedeporteerd en daarna zijn de mensen van Juda weggevoerd. En dat niet zonder diepere oorzaak. Want waren het niet de zonden van het volk, was het niet de afgodendienst en het tergen en smaden van de levende God die dit oordeel over land en volk hadden gebracht? En nu de mensen in het verre Babel zijn terechtgekomen zitten ze verslagen neer. De tempel weg, de heilige stad weg, de Heere weg… Alles weg; alles kwijt; alles verloren… 'Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zo vergete mijn rechterhand zichzelf…'
Maar dan toch wel vooral dat éne: de Heere weg! Wij zijn Zijn volk niet meer en Hij is onze God niet meer. Heeft Hij ons niet verstoten? En daar hebt u dan het moment, waarop de tekst inzet. Waarop de Heere, bij monde van Zijn profeet Ezechiël, opnieuw tot het volk gaat spreken. En daar horen we een oude en toch weer altijd nieuwe melodie: 'Ik zal!' 'En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven.'
Dus voor dit volk, hoe afkerig het ook mag zijn, is nog een toekomst.
En waarop moeten wij nu het eerst letten?
Op de gave van een nieuw hart misschien, en op het geschenk van een nieuwe geest? Niemand zal ontkennen dat hier wezenlijke dingen worden genoemd. Voor ons kerkelijke leven, maar niet minder voor ons persoonlijke leven. Lijkt het soms niet, alsof de dingen tot stilstand zijn gekomen? Alsof er geen voortgang, geen beweging meer in is te vinden? En laten wij dan maar blijven bij het persoonlijke leven. Misschien was er een tijd waarin wij mochten weten: vrede door het bloed des kruises. Misschien was er een tijd, waarin wij mochten zeggen: Ik zal niet vrezen, want Gij zijt met mij. En toen kwamen weer de zorgen en de vragen van elke dag, of deze wereld schoof zich, met haar begeerlijkheid, zoals de apostel zegt, tussen God en onze ziel. En de dingen werden dof, zonder glans. We konden spreken over de hoge God en over Zijn genade in de Heere Jezus Christus, maar ons spreken was in feite een bespreken, en het waarachtige leven tintelde er niet in. Ligt het misschien zo bij u?
En dan die tekst. Die ons spreekt van vernieuwing, van een totale vernieuwing. Want een nieuw hart en een nieuwe geest, en dan ook nog het wegnemen van het stenen hart en het geven van een vlesen hart, dus een hart dat gevoelig is: dit alles betekent toch niet meer dan een totale vernieuwing van heel ons leven en denken en doen? Maar daar zijn wij om verlegen. Of u niet? U kunt niet mee uitroepen met de profeet: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt…? U stemt niet in met de psalmwoorden: Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest…? Of zegt u: zou dat ooit nog kunnen, dat ik mij zal verheugen in de naam van de Heere, in Zijn dienst, in Zijn grootheid en ontferming, in Zijn Christus, die de schande heeft veracht en Zich heeft laten uitwerpen en wegwerpen, opdat er leven zou zijn, opdat het waarachtige leven er zou zijn voor allen, die om Hem verlegen zijn en die zich niet tot Hem kunnen opwerken…?
Een nieuw hart; een nieuwe geest. Het stenen hart weg. Het harde hart, dat ongevoelig is en het niet bemerkt, dat de Heere spreekt. Een vlesen hart. Waarin het Woord van God indrukken nalaat. Waarin de Naam van Christus kan worden ingegrift en ingeschreven. En is dat niet nodig? Hebben wij van nature niet allen een stenen hart? Al mag er dan soms wat ontroering zijn, wat bewogenheid of een even getroffen zijn: de Heere Christus vindt er geen plaats in. Kreeg u wel eens last van dat stenen hart? Maar hoe kunnen wij het vernieuwen? O, dat kunnen wij niet en dat hoeven wij ook niet. Want de Heere zegt 'Ik zal'. En dat zegt Hij niet alleen in de woorden, die als de tekst boven deze overdenking staan: u hoort dat 'Ik zal' door heel de Bijbel heen. En begint u dan maar bij het begin. Als Gods goede scheppingswerk is aangetast door de ongehoorzaamheid van Adam. Neen, van u en van mij. Als alles is weggezonken in de nacht en in de dood. Dan hoort u al een goede boodschap; dan zegt de Heere al: 'Ik: zal'. Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw…
En niet alleen in bovenstaande tekst zegt Hij het; Hij zegt het nog steeds, wanneer Zijn Woord opengaat, thuis of in de kerk. 'Ik zal.' Hoe kan ik vrede vinden voor mijn hart? Ik kan het niet, maar Hij kan het. En Hij wil het. En Hij doet het. Hij, Die ook Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem heeft overgegeven tot in de bittere en smadelijke dood aan het kruis. En dan mogen wij het elkaar toeroepen: verontrusten, zoekenden, verslagenen: Laat Hem het werk doen! Maar is onze afkerigheid niet te groot? Hebben wij Zijn Geest niet al te lang smaadheid aangedaan, tegengestaan en misschien wel bedroefd? En toch: Hij wil het Leven doen opbloeien uit de dood en ons een mond geven om Zijn lof te vertellen. Kun je er niet naar uitzien? Er om roepen? En wat zegt Hij dan? 'Ik zal.' Ik zal het doen. Op uw noodgeschrei deed Ik (en doe Ik) grote wonderen!
Maar dan óók: als het stenen hart nooit werd weggenomen, en wij nooit vernieuwd werden door Gods Heilige Geest, hoe zouden wij dan eens Hem kunnen ontmoeten, die wij eens zullen ontmoeten? Zult u niet vergeten dat de tijd, die ons nog gelaten is, tijd van genade is, en dat aan die tijd een einde komt?
'Ik zal', zegt de Heere.
Nog steeds ligt dat briefje naast mij. Dat briefje met die woorden uit Ezechiëls boek. Ik ga naast u staan en samen vragen wij.
En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer',
Mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren.
Ware wijsheid? Ja, Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.
J. Wieman, Zwijndrecht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's