De vaders en de broers van Putten (4)
Ds. Holland (1)
Niet voor niets waren vele Puttenaren zo verontwaardigd over de visie – zeg maar gerust: de aantijgingen – van de kant van de dokter, de dominee en de filmer. Want voor hen stond, te midden van allerlei aanvechting, dit ene vast: aan de hand van het geloof zijn we van kracht tot kracht steeds voortgegaan. Hun voorganger (in de dubbele betekenis van het woord) daarbij was ds. C. B. Holland (1878-1948). Sinds 1931 diende hij de Hervormde Gemeente van Putten. In mei van het jaar van de razzia was hij met emeritaat gegaan, daartoe gedwongen door nieuwe bepalingen van de synode en zeer tegen zijn zin. 'Een profeet kun je niet aan de kant zetten,' zei hij. De kerkenraad van Putten vond er echter wat op: ds. Holland werd tot hulpprediker benoemd. Op deze manier werd de kerkelijke weg bewandeld, waardoor ds. Holland gewoon met zijn ambtswerk kon doorgaan en de gemeente haar geliefde predikant behield. Nog geen half jaar later bleek dat ook dit niet 'bij geval' was gebeurd.
Op de bewuste zondagmorgen 1 oktober ging ds. Holland voor in de Oude Kerk. Hij was gewaarschuwd dat er een razzia leek aan te komen. Zelf liep hij vanwege zijn gevorderde leeftijd geen gevaar. De mannen in de kerk, die wel gevaar liepen, werden door Schuitemaker, een vooraanstaand ouderling in de Putter gemeente, gewaarschuwd en zij verlieten het bedehuis.
De dienst kon vervolgens ongestoord worden voortgezet. Ds. Holland voelde niet direct de behoefte om een bijzondere leerrede te houden, maar preekte over de tekst, die hij al gekozen had: Hosea 6 : 1. Daar staat: 'Komt en laat ons wederkeren tot de HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.' Wie zal op dat moment hebben vermoed hoezeer dit Schriftwoord op de naderende situatie sloeg?
Na afloop van de dienst vertelde men ds. Holland in de consistoriekamer dat er buiten geschoten werd. Hij ging naar huis, gebruikte het middageten (volgens het boek met zijn vrouw; dat zal een vergissing van de schrijfster zijn, daar mevr. Holland al in 1936 overleden was; aan het eind van het boek memoreert de auteur dat ook zelf). Tijdens de maaltijd kreeg hij te horen dat de mensen hun huis niet uit mochten. Omdat zij aan de achterkant van het huis zaten – het was een mooie zondag –, merkten ze niet wat er buiten aan de hand was. Na de maaltijd ging hij rusten. Na verloop van tijd werd hij echter geroepen, en 'toen vertelden ze mij dat er veel mensen naar de kerk gingen. Verschillende soldaten gingen de huizen in en namen mensen mee, of zeiden dat de mensen zelf naar de kerk moesten komen.' Ds. Holland ging zelf toen ook naar de kerk, maar werd op het moment dat hij langs de school liep, tegengehouden en de school ingestuurd.
Daar knoopte hij een gesprek aan met een Duitse soldaat en vroeg hem, waar dat allemaal voor was. De militair antwoordde hem: 'Dat gedoogt de Wehrmacht niet dat een Duitse officier wordt doodgeschoten.' Ook sprak hij met de mensen, die bij hem stonden. 'Toen ik al die dingen hoorde, zag ik de zaak zwart in.' Eigenlijk lag het van meet af voor hem vast dat dit niét goed zou aflopen.
Is hier ook de dominee?
's Avonds werd ds. Holland met zo'n vierhonderd man van de school naar de kerk getransporteerd. Hij had een stoel uit de consistorie gehaald en die in het doophek bij de preekstoel gezet. Daarop probeerde hij wat te slapen, met zijn toga om zich heen geslagen tegen de kou. Tweemaal vroeg hij een soldaat hem gezien zijn leeftijd vrij te laten. Die deed ook wel moeite voor hem, maar tevergeefs. Alleen Fullriede kon daarover beslissen, maar die was naar Utrecht vertrokken.
Tegen een uur of drie kwam er een drietal Duitsers in de kerk, die vroegen: 'Is hier ook de dominee?' Ze werden naar het doophek verwezen, waar ze een ogenblik zachtjes met hem praatten. Hij moest, wanneer het licht zou worden, namens hen meedelen dat de mannen tussen de zeventien en de vijftig jaar zich 's morgens om zeven uur bij een bepaalde deur moesten opstellen. Toen vertrokken de Duitsers weer, waarna meteen sommigen op hem afkwamen en hem vroegen wat de soldaten gezegd hadden. Hij vertelde het hun open en eerlijk, want hij dacht: 'Laat ik het nu maar zeggen, dan weten ze het tenminste.'
Op dat moment viel er van de jongens, jonger dan zeventien, een druk af. Dat uitte zich in gefluit en gegooi met kussens. Ds. Holland waarschuwde hen, één keer: ze mochten wel wat meer ernst tonen; het was nu geen tijd voor uitgelatenheid, maar eerder voor inkeer en berouw. Het werd even stil, na verloop van tijd begon het echter weer. 'Wij hebben het toen zo maar gelaten.'
Van kracht tot kracht
Toen het licht was geworden, ging ds. Holland achter het voorlezersbankje staan. Het was ongeveer half zeven. Hij wilde de mannen, voor ze het kerkgebouw gingen verlaten, nog toespreken. Als vanzelf werd het stil in de kerk. Niemand schuifelde meer. De petten en hoeden gingen af. De oude voorganger nam het woord. Intussen kwamen verschillende leden van de Wehrmacht binnen. Ze bleven achter in de kerk staan, toen ze merkten dat ds. Holland aan het woord was, en lieten hem uitspreken. 'Ik had van te voren niet gevraagd of ik mocht spreken, ik heb dit echter als mijn roeping beschouwd.'
De toespraak duurde zo'n vijftien à twintig minuten. Hij had het over de ontzettende zondag, die Putten doormaakte zonder er iets mee van doen te hebben. Hij wees op de ernstige situatie, waarin ze verkeerden. Maar vooral wees hij iedereen – hervormd, gereformeerd, rooms, onkerkelijk – op Gods nabijheid, en op de hoge hand des Heeren, Wiens wegen ondoorgrondelijk zijn, maar Die ook in dit benauwde uur tot een hulp zou zijn, en Die een sterkte en een toevlucht was voor allen, die bang waren. Welhaast profetisch eindigde hij met de woorden dat nu velen zouden worden weggevoerd en dat waarschijnlijk niet velen zouden terugkeren.
Daarna ging ds. Holland voor in gebed en droeg allen op in de genade en goedertierenheid van God. Tenslotte liet hij enkele verzen zingen. Hij keek eerst even de kant van de Wehrmacht op. Vond die dat goed? Maar er werd toestemmend geknikt. Even later klonk het, eerst weifelend, maar al direct krachtiger:
'Welzalig hij, die al zijn kracht
en hulp alleen van U verwacht.'
Het greep velen hevig aan, vooral toen gezongen werd:
'Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;
elk hunner zal, in 't zalig oord
van Sion, haast voor God verschijnen.'
Nog altijd wordt op de eerste zondag van oktober in Putten Psalm 84 vers 3 en 4 gezongen.
Nadat het zingen verklonken was, was het enige ogenblikken stil. Daarna kwamen de militairen naar voren en bevalen op luide toon de mannen tussen de zeventien en de vijftig zich op te stellen en de kerk te verlaten. De deuren gingen open. Daar gingen ze, het marktplein op.
Ds. Holland bleef achter in de kerk, waar intussen de vrouwen gekomen waren met hun etenswaren. Tot driemaal toe maanden de Duitsers iedereen die er zat mee te delen wat men wist over de aanslag. Anders zou het slecht met Putten aflopen. Ds. Holland vertaalde het steeds. Toen hij zich realiseerde dat de represaillemaatregelen niet alleen de weerbare mannen troffen, maar dat heel Putten gevaar liep, wekte hij de aanwezigen zeer indringend op om bij hun geweten te rade te gaan en zich af te vragen wat hun te doen stond, nu er zulke zware bedreigingen werden geuit tegen het hele dorp. Niemand echter meldde zich.
Het doopboek
Toen mochten de mannen van boven de vijftig en de vrouwen eindelijk de kerk verlaten. Ook ds. Holland spoedde zich naar huis. Hij maakte zich zorgen om het doopboek en andere waardevolle documenten, die hij in huis had. Waar moest hij ermee naartoe? Want dat alles mocht niet verbranden. Hij wilde de spullen bij een kerkvoogd in de kluis bergen, maar die was ook opgepakt en had de sleutels bij zich. 'Uiteindelijk hebben wij ze tussen twee zinken teilen geborgen in de tuin.' Vervolgens ging hij naar de politie om te vragen of ze de kerk en de pastorie wilden sparen. Maar zijn smeekbede haalde niets uit.
Zo was hij druk in de weer tot een uur of vier; toen werden er papieren afgegeven, die men op de deur moest plakken: daarop stond dat de desbetreffende woning niet in brand gestoken mochten worden. Wie namelijk iemand van de motorpolitie in huis had, kreeg zo'n papier. Ook bij ds. Holland verbleef een motoragent. Desondanks moest hij van de Duitsers het huis verlaten. Snel vertrok hij op zijn fiets. De koffers, die hij had klaargezet, vergat hij inderhaast. En zijn vrijstelling had hij nog op zak. Een ander ging die toen voor hem op de deur plakken. Het was niet voor niets: de pastorie bleef gespaard. En de kerk.
H. J. Lam, N. a/d IJ.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's