Kinderdoop – Volwassendoop
Een oude discussie (2)
In ons vorige artikel signaleerden wij dat een toenemend aantal gemeenteleden onder ons kritische vragen stelt rondom de doop van kinderen van de gemeente. Door contacten met gelovigen uit (volle) evangelie-gemeenten (en deze worden her en der gesticht, van allerlei snit) kiest men voor de volwassendoop. Ze zijn met nieuwe ogen de Bijbel gaan lezen (zeggen ze) en zo tot de ontdekking gekomen dat de onderdompeling de bijbelse doop is. Zij hebben zich opnieuw laten dopen en zijn voor dat gebeuren uitgeweken naar een evangeliegemeente. Soms gebeurde dat in stilte, maar ook heel vaak nadat familieleden en vrienden voor deze dag waren uitgenodigd. De overstap vanuit de eigen gemeente naar een evangelie-gemeente was bijna altijd het gevolg. Met de doop breekt meestal het lijntje.
Een oude traditie?
Is dit vasthouden aan de kinderdoop in de kerk een traditie waar men hardnekkig aan vasthoudt? Wordt het niet tijd dat de kerk deze traditie eens tegen het licht houdt? Tegen het licht van het Woord, wel te verstaan? De protestantse kerken zijn indertijd toch ontstaan uit protest tegen een kerkelijke praktijk waarin gegroeide tradities waren gaan heersen over het Woord van God? Ze belijden toch dat het Woord van God de hoogste norm is in leer en leven? Zij erkennen toch dat ze de correctie van de Schrift blijvend nodig hebben, om van daaruit voortdurend, telkens opnieuw, hervormd te worden?
Zo kwam ik het letterlijk tegen bij Evert W. van der Poll in zijn boekje 'Dopen en laten dopen'. Hij was enige tijd hervormd predikant in de Samen op Weg-gemeente in Lelystad, maar kwam op het punt van de doop tot andere gedachten en daardoor buiten zijn gemeente. Hij wijst op de oude uitdrukking: ecclesia reformata semper reformanda (een kerk die her-vormd is, moet telkens opnieuw hervormd worden). 'Waarom zouden we dit beginsel eindelijk niet eens toepassen op de doop? Waarom moeten die vele duizenden kerkleden, die zich op bijbelse wijze willen laten dopen, altijd maar weer uitwijken naar andere gemeenten of vrije doopdiensten?' (Dopen en laten dopen, p. 170).
De schrijver zet zijn gedachten over de doop helder uiteen. Voor hem is de waiterdoop een uiterlijk, zichtbaar teken, een opdracht om te gehoorzamen, een openbare bevestiging dat je Jezus hebt aangenomen (p. 92). Dat is duidelijk een zaak van volwassenen. Het Nieuwe Testament zegt niets over de kinderdoop. God heeft geen kleinkinderen… Hij wacht op jouw wederliefde. Dán mag ook jij worden gedoopt (p. 120).
Hij constateert dat de doop het gevoeligste punt is in de verhouding tussen de kerken van de reformatie (de protestantse kerken) en de evangelische beweging. Nog steeds gaan hier de wegen uiteen. Het is voor Van der Poll duidelijk dat deze kerken niet goed raad weten met het verlangen van steeds meer gemeenteleden om zich te laten dopen volgens de opdracht en het voorbeeld van Jezus.
Twee dingen vallen mij op bij genoemde auteur. Allereerst dat hij steeds spreekt over een bijbelse dooppraktijk. En dat is alleen de doop na belijdenis door onderdompeling. En als de Reformatie ons geleerd heeft met oude tradities te durven breken, en terug te keren naar de Bijbel, laten we dat dan toch doen op het punt van de doop. De kinderdoop, een oude traditie… Die traditie moeten we herzien. We moeten naar een bijbelse dooppraktijk: de volwassendoop. Zo maakt de vanzelfsprekendheid van de traditie plaats voor het bewust geloven. Wij komen op de golflengte van de eerste gemeente.
Het tweede dat mij opvalt is het signaleren van een aanhoudende uittocht van volwassen gedoopte gemeenteleden. De evangelische gemeenten bestaan naar zijn mening voor een groot deel uit mensen gekomen uit de gevestigde kerken.
Geen nieuw probleem
De lezer mag best weten dat bovengenoemde vragen mij sterk hebben beziggehouden. In de gemeente die ik sinds maart 1999 dien, zijn deze vragen ook sterk op mij afgekomen, meer dan ooit. Een traditie… de huidige dooppraktijk. Is dat zo? Is de Reformatie, die de kerk met al haar instellingen terugriep naar de Bijbel op dit punt dan toch nalatig geweest? Durfde men de bijbelse consequenties niet aan? Moeten we, voordat de gemeente door de uitstroom gedecimeerd is, toch de bakens niet verzetten? Zovelen die heengaan…
Nu is het goed te bedenken dat dit probleem vandaag niet voor het eerst speelt. In de begintijd van de Reformatie waren velen in ons land ook de gedachten, die we hierboven weergaven, toegedaan. Dopen na geloofsbelijdenis, na wedergeboorte. Alleen volwassenen. Ze heetten in die tijd niet evangelischen of baptisten, maar doopsgezinden, ie had ze in Zwitserland, in Duitsland en ook in ons land. Tussen 1580 en 1590 behoort zelfs een kwart (!) van de totale bevolking van ons land tot deze stroming. Ze maakten de jonge kerk (de gereformeerde kerk) felle verwijten op dit punt. En op velen hadden zij een geweldige aantrekkingskracht.
Hoe ging men daarmee om? Wilde men koste wat het kost aan een oude traditie (meegebracht uit de rooms-katholieke kerk, zoals de opponenten zeiden) vasthouden? Probeerde men de uitstroom tegen te gaan en voor beide vormen (kinderdoop/volwassendoop) ruimte te bieden?
Het bijzondere is dat men in die tijd zich tegenover de her-dopers (wederdopers) grondig op dit punt heeft bezonnen. Men is de Bijbel gaan lezen. Men liet de Schrift spreken. En dan niet enkele losse teksten, maar het geheel van de Schrift, Oude en Nieuwe Testament. Men heeft zich afgevraagd hoe de kerkvaders uit de eerste tijd hierover dachten. Men is het gesprek met de volwassendopers bepaald niet uit de weg gegaan.
Een dominee uit Zierikzee
Een van de voorgangers, die op dit punt in ons land sporen heeft getrokken, is Godfried Udemans. AI op 17- of 18-jarige leeftijd (!) was hij predikant in Haamstede. In 1604 wordt hij bevestigd in Zierikzee. Deze gemeente heeft hij gediend tot zijn dood in 1649. Udemans is één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie geweest in ons land. In één van zijn vele werken adviseert hij (jonge) predikanten de morgen op de studeerkamer door te brengen om daarna gedurende de middag in de gemeente pastoraal bezig te zijn. Gezien de brede kennis en de diepe vroomheid die zijn werken kenmerken, kunnen wij niet anders vermoeden dan dat hij ook zelf zich aan deze regel gehouden heeft. Hij werd gekozen tot de tweede voorzitter van de synode van Dordrecht (1618-1619). Hij werd 'uitgeleend' aan de gemeente van 's-Gravenhage (1617) en Utrecht (1618) om de contra-remonstranten steun te bieden. Verder was hij twee perioden in 's Hertogenbosch, om in deze stad gemeenteopbouwwerk te verrichten.
Deze Zierikzeese dominee heeft zich grondig verdiept in de gedachtewereld van degenen die in zijn omgeving de volwassendoop propageerden. In zijn stad (toen zeer volkrijk en bloeiend) heeft hij meerdere openbare gesprekken gevoerd met voorgangers van de wederdopers. Deze disputen met zijn plaatselijke collegae (in het bijzonder van andere doopsgezinde leiders) zijn genotuleerd en bewaard gebleven.
Bijzonder leerzaam is een werk dat Udemans in 1620 heeft uitgegeven. Het is geschreven naar aanleiding van een publicatie van Frans de Knuyt (zijn plaatselijke doopsgezinde collega) dat als titel had 'Een korte Bekentenisse'. Udemans heeft hierop gereageerd met zijn boek Schriftmatige Aanmerkingen. Daarin behandelt hij diverse controversen met de dopers, zoals de menswording van Christus, de kinderdoop, het genadeverbond en enkele andere zaken. Heel uitvoerig gaat de Zierikzeese pastor in op de vragen rond de doop, zoals die in zijn tijd werden gesteld. Dit werk is het oudste uit mijn bibliotheek (ik kreeg het in mijn Papendrechtse jaren van de bekende familie H. van Randwijk!).
Met meer dan gewone belangstelling heb ik het gelezen! Mij vielen op de verrassende overeenkomsten met de vragen vandaag. Soms had ik het gevoel dat Udemans niet alleen in gesprek was met Frans de Knuyt, maar ook met Evert van der Poll, of met een voorman uit een (volle) evangelie-gemeente.
Liefst twaalf argumenten noemt hij om aan te tonen dat de dooppraktijk van zijn tijd niet maar een oude traditie is. Heel weloverwogen en gefundeerd gaat Udemans hier te werk.
Gelet op de verrassende overeenkomsten is het goed naar deze stem uit het verleden te luisteren, onze tijd is a-historisch. Toch waag ik het erop, in de hoop dat de lezer niet afhaakt. Hierin worden bijbelse lijnen getrokken. Een stem uit het verleden. We willen naar deze stem luisteren, om dan te ontdekken dat hier een les ligt voor het heden.
G. van den End, Voorthuizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's