Een gladde schelm!?
Martin Bucer (1491-1551), hervormer van de kerk
Het was bepaald niet als grap bedoeld, toen Maarten Luther zijn Straatsburgse collega bovenstaand etiket opplakte. In sommige opzichten was hij het grondig met Bucer oneens. Veel te buigzaam, veel te snel bereid om compromissen te sluiten, vond hij van hem. Nu zat daar op zichzelf misschien wel een kern van waarheid in. Als het bijvoorbeeld ging om toenadering tot de reform-theologen van de Rooms-katholieke Kerk wilde Bucer ver gaan om de eenheid te herstellen. Hij was een bruggenbouwer, een verzoener in hart en nieren. Dat hij daarbij soms weleens wat te veel water in de principiële wijn wilde doen, zal ook wel waar zijn. Maar toch! Als de lijn van Bucer wat vaker gevolgd was, had de heilloze versplintering binnen het reformatorische kamp dan wellicht voorkomen worden voorkomen? Goedbeschouwd is het toch dieptreurig dat de hervormingsbeweging, waardoor het volle evangelie weer was gaan klinken en de kerk werd uitgeleid uit haar babylonische ballingschap, is uitgelopen op een veelstromenland. Lutheranen, zwinglianen en calvinisten zijn hun eigen weg gegaan. En onder de calvinisten is het aantal denominaties zo langzamerhand niet meer te tellen. Zo verdeeld en verbrokkeld is het gereformeerde protestantisme geworden dat ik weleens denk: waren er in de loop van de eeuwen maar meer Bucers geweest. Het zou er met de eenheid van de kerk vermoedelijk heel wat positiever hebben voorgestaan.
Instituut én gemeenschap
Om dat laatste was het Bucer dan ook helemaal te doen. Hij stuurde nooit aan op een vergelijk terwille van de lieve vrede, maar omdat de eenheid van Gods kerk hem lief was. Niet alleen het zoeken van de waarheid was voor hem een bijbelse opdracht, maar evenzeer het najagen van de eenheid van wat om Christus' wil bij elkaar hoorde. Al zijn gaven en krachten heeft hij ingezet om vanuit deze intentie de kerk te bouwen. Daarbij stond hem niet alleen de kerk als instituut voor ogen. Niet dat hij daar op zichzelf moeite mee had. Een kerk kan niet zonder structuur, niet zonder kerkorde en ambten. Wat heeft Bucer niet afgereisd om kerken in dit opzicht te adviseren en te helpen. Maar daarnaast legde hij grote nadruk op de kerk als gemeenschap. Uitgangspunt voor het denken over de kerk was voor hem het bekende gedeelte uit Efeze 4, waar Paulus de gemeente vergelijkt met het lichaam van Christus. De gemeenschap met Christus, het Hoofd van de gemeente, stond voor hem centraal. Deze band aan de Gekruiste en Opgestane kon en wilde hij echter niet losmaken van de gemeenschap tussen de leden van het lichaam onderling. Prachtig is zijn definitie van wat gemeente-zijn inhoudt, zoals we deze tegenkomen in zijn boekje over de ware zielzorg: 'De kerk is de verzameling en gemeenschap van hen die in Christus, onze Heere, door zijn Geest en Woord alzo uit de wereld bijeengebracht en tezamen verzameld zijn, dat zij één Lichaam vormen en leden van elkander, waarin elk zijn ambt en werk heeft tot algemene betering van het hele lichaam en van alle leden'.
Ambtsdragers én niet-ambtsdragers
Aan deze visie op de kerk waren voor Bucer nogal wat consequenties verbonden. Belangrijk is in dit verband zijn nadruk op het feit dat ieder gelovige geroepen wordt om zijn 'ambt en werk' in Christus' gemeente waar te nemen. De opbouw van de gemeente is niet alleen een zaak van de ambtsdragers, maar van ieder die door het geloof aan Christus verbonden is. Niemand wordt op non-actief gesteld en niemand mag uit zichzelf langs de kant blijven staan. De verhoogde Heere deelt gaven uit, die moeten worden ingezet tot 'algemene betering' van de gemeente. Het lid zijn van de kerk kan en mag nooit een passief gebeuren worden, waarin men alleen maar consumeert. Nee, een levende gemeente is in de ogen de van Straatsburgse reformator een gemeente in beweging. Ieder wordt ingeschakeld bij de opbouw en de uitbouw van de gemeente. Door middel van een viertal bijvoeglijke naamwoorden kunnen we verhelderen wat Bucer daarbij zoal voor ogen stond. Wat hij beoogde was een lerende gemeente, een pastorale gemeente, een diaconale gemeente, een missionaire gemeente. Bij elk van deze vier typeringen maak ik een enkele kanttekening ter verduidelijking.
Een lerende gemeente
Een van de zaken die Bucer in de kerk van zijn dagen fel hekelde, was het gebrek aan kennis. De mensen werden onder de paus van Rome onmondig gehouden. De meesten kwamen niet verder dan het uit het hoofd leren van het Onze Vader en de Twaalf Artikelen. De gewone man of vrouw bezat niet eens een bijbel. Als men al bemiddeld genoeg was om er één te kopen, waren de meesten niet in staat om de Latijnse tekst van de kerkbijbel, de Vulgata te lezen. De kerk maakte in feite uit wat je diende te geloven. Men moest het doen met een 'in-gewikkeld' geloof. Zoals een sinterklaascadeau verpakt zit in dik papier, zo was het ook met het geloof. Van grondig onderwijs aan jongeren en ouderen kwam weinig of niets terecht. Daaraan heeft Bucer, net als de andere hervormers trouwens, radicaal een einde willen maken. Niet minder dan drie catechismi verschenen van zijn hand (1534, 1537, 1543). Een permanent leerproces was naar zijn diepe overtuiging noodzakelijk met het oog op de groei van het persoonlijke geloof en niet minder vanwege de zuigkracht die er uitging van de vele (doperse) groeperingen in zijn dagen. Om te midden van alle verwarring koers te kunnen houden is het nodig in de Schriften geworteld te zijn. Het gaat erom in die worsteling met de dwaalgeesten de juiste leer vast te houden, want de ketterij kan ontzaglijk veel kwaad aanrichten. Veelzeggend is in dit verband wat Bucer schreef aan Margaretha Blaurer over de doperse beweging: 'Bid God voor ons, de sekten doen ons pijn, pijn! God heeft de Kerk echter al vaak geholpen. Hij zal ons niet in de steek laten'.
Een pastorale gemeente
Een gemeente die leeft onder de hoede en zorg van Christus, de goede herder, zal zelf ook pastoraal bewogen zijn. Daarbij hebben niet alleen de ambtsdragers een taak. Zij zijn als eersten verantwoordelijk om als onder-herders de gestalte van Christus te representeren. Maar daarnaast zijn ook alle gemeenteleden geroepen om te zien naar elkaar. Wie schaap van Christus is, wordt meteen een herder voor de broeder en zuster. Onderlinge zielzorg, daar stuurde Bucer op aan. Er is immers zoveel nood in de gemeente. Er zijn gewonde en gekwetste schapen. Gemeenteleden die innerlijk beschadigd en gewond zijn. Misschien wel doordat andere christenen hen onrecht of leed aandeden. Het kunnen ook bepaalde zonden zijn die maken dat christenen gewond door het leven gaan. Het is de taak van de leden der gemeente daar oog voor te hebben en de gekwetsten te verbinden en te verzorgen. Wanneer er sprake is van persoonlijke zonden moet men niet aarzelen om (onderlinge) tucht uit te oefenen. Door berouw en bekering is er een weg terug naar de goede herder en naar de geborgenheid van Zijn schaapskooi. Er zijn ook zieke schapen, bij wie het geestelijke leven op een laag pitje is komen te staan. Christenen die door zorgeloosheid of door een slordige levenswandel van Christus zijn weggedwaald. Hen moeten we aanspreken en terugroepen naar het levende Woord. Trouwens, ook als we geestelijk gezond zijn, kunnen we niet zonder de ander in de gemeente. We hebben elkaar nodig om verder te komen in het geloof en de gehoorzaamheid aan Christus. In een latere fase van zijn hervormingswerk in Straatsburg pleitte Bucer daarom voor het vormen van kleine groepen, Christliche Gemeinschaften, waarin plaats zou zijn voor bijbelstudie, gebed, onderlinge vertroosting en vermaning.
Een diaconale gemeente
Behalve het oog hebben voor elkaars geestelijke welzijn heeft Bucer ook altijd gewezen op de noodzaak elkaar bij te staan als er stoffelijke, materiële nood was. De tijdelijke behoeften zijn niet minder wezenlijk dan de spirituele. In het verlengde hiervan moet Bucers denken over de diaconale roeping van de gemeente gezien worden. Hij bepleit een intensieve zorg voor de armen, opdat het de gelovigen 'noch aan lichamelijke, noch aan geestelijke goederen iets ontbreke, maar zij steeds meer worden geleid en bevorderd tot volkomen zaligheid naar lichaam en ziel'. Het voorbeeld van de eerste christengemeente moet ons daarbij steeds voor ogen staan. De volgelingen van Christus leren in navolging van Hem wat dienen is, ook als het gaat om het delen van aardse goederen. Met name de erbarmelijke sociale toestanden, zoals hij die aan het einde van zijn leven in Engeland aantrof, hebben Bucer nog eens te meer bepaald bij de diaconale roeping van de gemeente. In zijn boek De Regno Christi, dat in Engeland werd geschreven, besteedt hij uitvoerige aandacht aan de maatschappelijke consequenties van het Evangelie.
Een missionaire gemeente
Meer dan een van de andere reformatoren wist Bucer zich met hart en ziel betrokken bij het werk van de zending. Velen hebben gewezen op een zekere leemte, die wat dit aangaat aanwijsbaar zou zijn in de Reformatie. Een lacune, die moeilijk te verklaren zou zijn. J. van den Berg spreekt over het 'raadsel van het missionaire vacuüm in de periode van de Reformatie'. Zonder nader op deze problematiek in te gaan, één ding staat als een paal boven water: bij Bucer is het zendingsbewustzijn wel degelijk aanwezig. Hij is wel getypeerd als één van de 'vaders van reformatorische zending' (L. J. Joosse). Daarbij moet gedacht worden zowel aan inwendige als aan uitwendige zending, om die verouderde termen toch nog maar eens te gebruiken. De gemeente van Christus dient om te zien naar de verloren en dwalende schapen om hen heen. Ook moeten er mensen worden aangesteld, die 'niets nalaten om alle mensen te verzorgen, ook joden en Turken en alle ongelovigen tot wie ze maar toegang mogen hebben, opdat deze allen die onder hen aan Christus toebehoren daadwerkelijk tot Christus gebracht worden'. Juist terwille van de verbreiding van het Evangelie, heeft Bucer slag op slag aangedrongen op eenheid onder de hervormingsgezinden. Verdeeldheid en onenigheid staan de groei van Christus' kerk immers alleen maar in de weg!
Voortgaande Reformatie
Het zal niemand ontgaan zijn dat bovengenoemde kenmerken van de gemeente ook in onze tijd sterke aandacht krijgen. In vrijwel alle boeken over gemeente-opbouw komen we ze tegen. Juist op dit gebied heeft Martin Bucer ons vandaag dan ook veel te zeggen en te leren. Het is verrassend te ontdekken dat hij in zijn situatie eigenlijk met dezelfde vragen bezig was. Hoe kan de gemeente van Christus groeien in de diepte en in de breedte? Hoe vinden we een weg om de kerk behalve instituut ook echt een gemeenschap te doen zijn? Welke middelen moeten worden aangewend om de gemeente werkelijk vitaal en aantrekkelijk te laten worden? Wij doen er goed aan deze stem uit het verleden goed tot ons door te laten dringen. We hoeven vandaag, hoeveel verschillen er ook zijn tussen de eeuw van de Reformatie en de onze, niet het wiel opnieuw uit te vinden. Wie op de schouders van de groten uit de kerkgeschiedenis gaat staan, ziet soms machtige perspectieven opengaan. Bucer kan ons bemoedigen en helpen in ons verlangen naar een voortgaande reformatie. Als geen ander was Bucer zich bij alle werk aan de kerk bewust van de afhankelijkheid van Gods Geest. In diezelfde afhankelijkheid mogen wij vandaag dankbaar gebruik maken van de inzichten die de Straatsburgse hervormer ons vanuit het levende Woord aanreikt.
M. van Campen, Waddinxveen
[Tekst afbeelding: Martin Bucer (1491-1551).]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's