Pascal, een christen-denker
3. Tijd
Men maakt in de wijsbegeerte vaak onderscheid tussen mode-filosofen en grote filosofen. De eerstgenoemden zijn de schrijvers, die de tendensen van hun tijd onder woorden brengen. Ze geven met andere woorden trefzeker de tijdgeest aan. In allerlei stukken van hun hand weten ze het levensgevoel van hun dagen feilloos onder woorden te brengen. Hun boeken worden grif verkocht. Het gaat hun niet slecht. Daartegenover staan de anderen: de grote filosofen. Hun werken zijn niet onbekend. Maar zij hebben weinig aanhang. Hun ideeën vinden maar traag ingang. En toch zit in hun geschriften een zekere hardnekkigheid. Ze vinden om zo te zeggen pas op de lange duur gehoor. Er gaan vele tijden voorbij en dan gaan hun gedachten weer leven.
Vanwaar komt toch dat verschil in waardering? Wel, de wijsgeren van de dag werken aan de oppervlakte. Ze registreren de stroom van de rivier aan de bovenkant. Ze geven het modedenken weer. Maar als u hun producten leest, na een aantal jaren, dan komt u dat alles hopeloos ouderwets voor. Ze hebben niet anders gedaan dan golfjes weergegeven. De grote filosofen daarentegen duiken in de diepte. Ze geven duurzame zaken weer. Blijvende bewegingen. Fundamentele zaken van een volk of van een geschiedenis.
Het denken van de grote wijsgeren vormt geen afspiegeling van hun tijd, maar gaat er juist tegenin, omdat zij alle betrekkelijkheden ondermijnen door ze te toetsen aan een absolute maatstaf. Dat geldt heel in het bijzonder voor Pascal. Hij meet de tijd aan de hand van Gods Woord. En voorzover hij dan wellicht niet altijd teksten uit de Bijbel aanhaalt, hij brengt wel vele gedachten uit het Woord naar voren. Op deze manier wordt hij geen voortbrengsel van zijn tijd, maar juist een criticus. Op deze wijze zien wij bij Pascal de confrontatie van het voorbijgaande en tijdelijke met de Eeuwigheid, die er de grenzen van trekt en er haar oordeel over velt. Auteurs als Augustinus blijven daardoor klassiek, voorbeeldig voor alle tijden. En romanschrijvers als bijvoorbeeld Herman de Man worden in datzelfde spoor na vele jaren weer opnieuw gelezen. Wij ontdekken dan wel in formeel opzicht zaken, die bij hun levenstijd behoren, maar materieel gezien boeien hun werken ons tot heden toe.
Pascal, in een zeer bewogen tijdperk geboren, heeft ook steeds door de volle ontwikkeling van de natuurwetenschappen beleefd. De mens werd door de Renaissance hoe langer hoe meer in het centrum geplaatst. Was hij voorheen maar een wazige stip in het heelal, onder het verre oog van God, nu kwam hij op de voorgrond. De uitvinding van de sterrenkijker door Galilei maakte het mogelijk de waarneming van het oneindig grote te verbeteren, terwijl de recente uitvinding van de microscoop door Van Leeuwenhoek de middelen verschafte het oneindig kleine te onderzoeken. De mens kon dus menen dat hij op het punt stond om de natuur te dwingen al haar geheimen bloot te geven en dat het ogenblik nabij was waarop de kennis van de natuurwetten hem in staat zou stellen om het heelal te doorgronden. Deze beide uitvindingen brachten een merkwaardige verschuiving teweeg in het zelfbewustzijn van de mens. Hij ging menen, dat hij op het punt stond om de natuur te dwingen al haar geheimen bloot te geven. Ja, dat het ogenblik nabij was waarop de kennis van de natuurwetten hem in staat zou stellen om het heelal te doorgronden. Zoiets gebeurt telkens weer. Wanneer een mens aan eenvoudige omstandigheden gewend, in de wijde wereld komt, verliest hij menigmaal het oog voor maat en evenwicht. Hij ziet met minachting neer op zijn geboortedorp. Voor de volksmond krijgen wij dan het spreekwoord: Als niet komt tot iet, dan kent iet zichzelf niet.
Welnu, iets dergelijks gebeurde in Pascals dagen met de Europese mensheid. Het geestelijk denkpatroon en levensgevoel begon te veranderen. Het scepticisme verdween. Het zegevierend rationalisme kwam op. Men kan het ook anders zegen: de Middeleeuwse mens met zijn aan Schrift en kerk gebonden normen verliet dit waardeoordeel. Het zelfbewustzijn van de geëmancipeerde mens kwam op. Men ging de algemeenheid van de heersende moraal in twijfel trekken. En vooral – de door het christendom geïnspireerde zedenleer werd ouderwets geacht. Dan komt van het een het ander. Wij kunnen niet op alle factoren ingaan. Maar wij wijzen nog wel op twee punten. Vooreerst: door de ontdekking van de boekdrukkunst was het mogelijk om werken uit de oudheid te verspreiden. Deze werken ademden een geest van de klassieke oudheid. De mens is daarin autonoom en onafhankelijk. Daardoor weekte men ook los van de christelijke levenssfeer.
En dan: de Hervorming, in wezen door Luther teweeggebracht, maar ook door Zwingli en Calvijn gedragen, had niet alleen de eenheid en het gezag van de Rooms-Katholieke Kerk aangetast, maar ook geleid tot godsdienstoorlogen. De eenheid van het Europese continent brak in stukken. Daarmee verloor ook het christendom zijn aanspraak op de Europese mensheid. Alles geraakte in onzekerheid en beweging. Alles werd los, onvast en vluchtig. En nu is het de verdienste van Descartes geweest dat hij temidden van een algehele onzekerheid in het Europese geestesleven streefde naar een vast beginsel van leven en denken. Hij erkende maar één gezaghebbende werkelijkheid: het zelfbewustzijn. Op dit zelfbewustzijn bouwde hij het bewijs van het bestaan Gods en geheel zijn wereldbeschouwing op. Zo maakte hij op wijsgerig terrein ernst met het oeroude heidense beginsel dat zich sinds de renaissance weer begon te roeren: dat de mens de maat van alle denken is.
Alleen – dit standpunt van Descartes bracht onbedoeld een enorme aardverschuiving teweeg. Men wilde nu de inhoud der Openbaring zoveel mogelijk uit het redelijke denken afleiden of het tenminste daarmee in verband brengen. Het verstand van de mens wordt het één en het al. Het ging om de vraag of de kerk zich alleen zou gronden op het gezag van Gods geopenbaard geheimenis, dat de wijzen en verstandigen verborgen blijft, of ook op het gezag der menselijke wijsheid, die dwaasheid is bij God. Descartes beweert dat men het raadsel van deze wereld moet verklaren vanuit de rede. Hij vraagt niet naar Gods Woord, maar naar het verstand. Kennis en handelen kunnen het menselijk geluk verzekeren. Descartes bracht de kwade erfenis van de zondeval niet in rekening, hij vond bij alle mensen de ongeschonden rede. Hij behoorde niet tot de armen van geest. De zondeval ligt niet in de onwil, maar in de onwetendheid. De zondaar is geen schuldenaar meer, maar een onwetende.
Op dit punt zet de kritiek van Pascal in op Descartes. Descartes is een rationalist, die probeert zonder vrees of beven door het leven te gaan. Hij heeft niet gezien hoeveel tragiek er schuilt in het menselijk ongeluk. Hij heeft niet begrepen, dat de rede, hoe groot haar aanspraken ook zijn, ons nooit zal kunnen verlossen van de valse voorstellingen die ons beheersen, noch van de hartstochten, die ons tot slaaf maken en zeker niet van de verblinding van de verzoekingen. Descartes vergoddelijkt het verstand. Descartes geeft blijk van een rationele verblinding die bewijst hoe weinig besef hij heeft van de gebrokenheid van het menselijk bestaan. Hij denkt almaar door aan vraagstukken, die opgelost moeten worden. Maar hij negeert het mysterie van het kwaad, van de zondeval, van de genade en de liefde Gods.
Ja, zegt Pascal ergens: het liefst zou Descartes het in zijn gehele wijsbegeerte zonder God willen stellen. Maar hij kan toch niet anders dan God een klein zetje te laten geven, dat de wereld op gang bracht. Daarna heeft hij God niet meer nodig. Descartes weet niet, dat de mens in wezen een verdrietig schepsel is, dat er behoefte aan heeft om bemind en getroost te worden door iets anders dan door de liefde die zijn medeschepselen hem kunnen bewijzen, die immers even ongelukkig zijn. Het heil mag niet verwacht worden van inzicht of handelen of toegenegenheid. Heil is alleen te verwachten van de goddelijke liefde en de genade. In deze zin blijft de boodschap van het christendom onvervangbaar.
Pascal is daarmee de grote tegenhanger geworden van Descartes. Hij heeft gezien dat ook onze rede door de zonde aan de dwaling onderhevig is. Ons verstand moet door genade gereinigd worden. Het verstand dwaalt zonder het goddelijk Woord. Wij hebben dit gezien in de laatste decennia. Een intelligent volk als het Duitse liep in blinde waan achter de rattenvanger Hitler aan.Zijn valse wereldbeschouwing liep uit op een weedom van bloed en vuur en tranen. Toch hebben maar betrekkelijk weinigen het vergift gezien in het nationaal-socialisme. Trouwens, waakzaamheid is telkens weer nodig om aan de klauw het roofdier zelf te onderkennen. Doorgaans is dit de gave van maar enkelen. Een massa-hysterie van ongekende omvang is aan de ondergang van het nationaal-socialisme voorafgegaan. Maar als wij nu voorzichtig peilen wat toch de oorzaak is dat zovelen een waanidee aanbidden, dan komt ons wel het Woord uit de Spreuken in herinnering. Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot, maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart. Als er geen openbaring van God is, dan heeft het volk geen leiding, want het leven moet rusten in het Woord van God. Daarom moet men acht geven op het getuigenis des Heeren. Daarin is het geluk van de leiding Gods.
Pascal beschouwde de Openbaring als de basis voor de belangrijkste inzichten. Aan de hand van de Openbaring belichtte hij het denken en het doen van zijn dagen. Overgezet voor onze tijd zijn zijn woorden als bliksemschichten, die het ganse zwerk verlichtten en ons, gedurende enkele ogenblikken, de levensraadsels in al hun diepte geven te aanschouwen. De mens is niet te verstaan uit zichzelf, noch uit zijn sociale omgeving, maar alleen van het Woord uit.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's