De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kinderdoop – Volwassendoop

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kinderdoop – Volwassendoop

Een oude discussie (5)

10 minuten leestijd

Wij hebben tot nu toe een achttal argumenten genoemd die Udemans aanvoert in zijn verdediging van het goed recht van de doop van de kinderen van de gelovigen. We hebben opzettelijk deze theoloog uit de begintijd van de Nadere Reformatie zelf aan het woord gelaten. Als geen ander heeft hij de gedachtewereld van de tegenstanders van de kinderdoop gepeild. Diverse malen heeft hij in Zierikzee en elders met hen in het openbaar gedisputeerd. Udemans was geen theoloog die schreef vanuit een ivoren toren zonder de ander werkelijk te kennen. Hij was een man die volop in de praktijk van het kerkelijk leven verkeerde en die ook, nog heel dichtbij de Reformatie stond. Wij willen nu nog naar zijn vier laatste argumenten luisteren.

In de Bijbel worden hele gezinnen gedoopt
De doop is in het Nieuwe Testament een zaak van het gezin. Zonder twijfel zijn daar ook kinderen bij betrokken geweest. De ervaring leert, zegt Udemans, dat er weinig gezinnen zijn zonder kinderen. Ga dat maar eens na in steden en dorpen die u bekend zijn, en u zult merken dat de kinderloze gezinnen hooguit een vijfde of zesde deel uitmaken van het totaal. En dan wordt het door Gods wijze voorzienigheid nog zo bestuurd, dat zij die zelf geen kinderen hebben, met de kinderen van hun familieleden of vrienden worden belast.
Wij kunnen bewijzen van verschillende gezinnen dat ze in hun geheel gedoopt zijn: het gezin van Cornelius (Hand. 10), Lydia en de gevangenbewaarder (Hand. 16), Crispus (Hand. 18) en Stefanus (1 Cor. 1 : 16). Daar moeten enige kinderen onder geweest zijn, die mede-gedoopt zijn.
In een apart aanhangsel gaat Udemans uitvoerig bovengenoemde teksten na, waarbij hij zeer nauwkeurig de bezwaren van zijn tegenstanders op dit punt noemt. Bijvoorbeeld n.a.v. Hand. 10 het godzalig zijn van Cornelius is niet iets wat voor de kinderen geldt; kinderen konden het woord van Petrus niet begrijpen; de gave van de Heilige Geest is niet voor de kinderen. En n.a.v. Hand. 16 : 14, 15: Lydia had geen man en ook geen kinderen, in ieder geval geen jonge kinderen…
De gereformeerde predikant van Zierikzee blijkt de kinderen er helemaal bij te rekenen. Hij laat door verschillende voorbeelden (Timotheüs) zien hoe ze van kindsaf het Woord mogen leren en gaan verstaan. Het verwijt van de wederdopers dat de kinderen met het onderwijs nog niets kunnen beginnen, ontlokt hem de opmerking dat Frans (zijn doopsgezinde collega) mogelijk spreekt vanuit de ervaring met de Mennistenkinderen, die in de regel niet veel beter dan de heidense kinderen zijn onderwezen, en alleen van hun ouders hebben gehoord dat de kinderdoop niet deugt…

De oudheid van deze instelling
Al in de tijd van de apostelen en direct daarna was het al praktijk dat kleine kinderen, die nog niet tot hun verstand gekomen waren, werden gedoopt. Dit wordt ook door Menno Simons, in zijn verklaring van de doop, erkend. Maar hij voegt eraan toe dat dit niet gebeurde krachtens Gods bevel en ook niet krachtens de leer en de instelling van de apostelen. Op andere plaatsen zegt Menno dat de kinderdoop door de antichrist (de paus) is ingesteld. Heel fijntjes merkt Udemans op, dat de paus in de tijd van de apostelen nog niet was geboren. Hij vraagt zich ook af hoe Menno zijn opmerking dat deze instelling niet van de apostelen is gekomen, kan bewijzen.
Hij haalt in dit kader enkele zinnen uit Rhenanus aan (een humanist en later volgeling van Luther uit Schlettstadt): 'Wat de doop van de jonge kinderen betreft, laat het ons genoeg zijn, dat de martelaar Cyprianus, Hiëronimus, Augustinus, Chrysostomus, Dionisius, Grecus en meerderen daarvan geschreven hebben. Laat het gezag van de kerk ons genoeg zijn en laat ons noch in deze noch in andere zaken nieuwigheid zoeken, die gewoonlijk de moeder van de twist is'. Udemans wil graag historisch denken. De oude wortels van deze instelling zijn voor hem een historisch feit! Hij merkt op dat als deze instelling niet gekomen was van Christus of van zijn apostelen, dat ze in dat geval ons ervoor gewaarschuwd hadden, zoals zij ons voor zoveel andere dwalingen en misbruiken, die in hun tijd begonnen binnen te dringen, hebben gewaarschuwd (invoeren van de besnijdenis, misbruiken rond het avondmaal). Laten de Mennisten dan niet meer zeggen dat het een pauselijke, antichristelijke instelling is dat wij kinderen dopen, omdat deze wijze van doen in de kerk werd gepraktiseerd, eer de paus was geboren, in de tijd van de apostelen, die de instelling van Christus beter verstonden dan alle Mennisten dit doen. Udemans besluit deze terugblik in de historie met de woorden van Johannes: Gijlieden dan, wat gij in den beginne gehoord hebt, dat blijve in u… (1 Joh. 2 : 24).

De kinderdoop strekt tot de eer van God, de stichting van de gemeente en de vertroosting van gelovige ouders
Al wat wij doen moet tot eer van God zijn en de opbouw van de gemeente bevorderen. Udemans wijst in dit verband op Rom. 14 : 19; 1 Cor. 10 : 31; Phil. 4 : 8). De doop van onze kinderen strekt tot eer van God. Zo wordt immers de naam van God over ieder kind dat in het verbond geboren wordt, door de volle gemeente aangeroepen, geloofd en geprezen (wat bij de Mennisten niet gebeurt!). Verder wordt de gemeente hierdoor zeer gesticht, als zij dagelijks wordt opgewekt om aan het verbond van God en aan haar doop te denken; wanneer ook de ouders worden vermaand hun kinderen voor de Heer op te voeden, ja de hele gemeente wordt vermaand (met name de getuigen die erbij staan) om toe te zien op dit kind, ieder naar de gaven die hij van God ontvangen heeft.
De gelovige ouders worden ook bijzonder getroost, als zij de heilige doop met behoorlijke aandacht en eerbied aan hun kinderen laten bedienen, omdat zij door dat goddelijke waarteken verzekerd worden dat ze met heel hun gezin in het verbond en in Gods gemeente opgenomen en verzegeld zijn. ook de kinderen worden bij het opgroeien daardoor ook zeer bernoedigd als ze merken dat ze door God in Zijn verbond zijn opgenomen, voordat zij daar weet van hadden. Udemans brengt dan op een bijzonder pastorale wijze onder woorden wat de doop voor de kinderen zelf als ze opgroeien mag betekenen. 'Wanneer zij dan maar een vonkje geloof en godzaligheid hebben, zo dient de doop die zij ontvangen hebben, tot een zegel van de rechtvaardigheid des geloofs en tot een sterke aansporing tot dankbaarheid, zoals de besnijdenis daartoe gediend heeft voor de godzalige Izaäk en andere mannen in het Oude Testament'. De woorden van Psalm 22 : 11 en Psalm 71 : 6 gaan voor ze leven, ook dat woord van Psalm 100: 'Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide' (vs. 3).
Als zijn tegenstanders zeggen dat de kinderdoop bij alle ouders en hun kinderen zulke vruchten niet voortbrengt, erkent hij dat, waarbij hij opmerkt dat alle mogelijke middelen mogen worden gebruikt om dat te verbeteren. Tegelijk merkt hij op dat vanwege het misbruik van sommige ongelovigen de rechte gelovigen en hun kinderen van hun troost en hun privileges niet mogen worden beroofd, zoals in het Oude Testament het teken van de besnijdenis niet moest worden nagelaten, omdat het door veel joden niet recht werd gebruikt (Jer. 9 : 25). Ook al wordt het avondmaal door velen misbruikt, daarom moet deze instelling voor God niet worden versmaad.
Udemans is ervan overtuigd dat ouders die roekeloos met de doop omspringen Gods straf niet zullen ontgaan. Tegelijk zullen Menno Simons en zijn volgelingen het voor God en Zijn gemeente nooit kunnen verantwoorden dat zij voortdurend in hun geschriften godslasterlijke opmerkingen maken over de doop, ook als er een recht gebruik van wordt gemaakt.
De aantijgingen die de wederdopers in hun geschriften maakten op dit punt, waren ook niet mis. In dit gedeelte noemt Udemans er nog enkele. De kinderdoop zou zijn leen verscheuring en verwoesting van Gods ordinantie, een schadelijk bijgeloof die de doop des Heeren geheel tot schande maakt, die niet uit God en uit Gods Woord, maar uit de antichrist en uit.de put van de afgrond is voortgekomen'.
Deze lasteringen zijn voor Udemans stenen in de lucht geworpen, die neerkomen op het hoofd van de lasteraar. Hoe kan de kinderdoop de rechte doop verwoesten als het rechte gebruik zulke vruchten oplevert? En hoe kan de kinderdoop een instelling van de antichrist zijn (zoals Menno zegt), waar hij hiervoor erkend heeft dat de kinderdoop al praktijk is van de apostolische tijd af, terwijl de antichrist pas geboren is in het jaar 607 in de persoon van Bonifatius de Derde?!

Het doopbevel van Mattheüs 28 : 19
Voor Udemans betekenen deze woorden van Christus: allen die horen onder zijn discipelen, dat is onder de christenen, mogen gedoopt worden. Voor hem horen de kinderen ook onder de discipelen van Christus.
Hij weet dat Menno dit niet met hem eens is. Deze zegt dat als de gedoopte kinderen de Heilige Geest hebben (zonder welke zij geen discipelen van Christus kunnen zijn!) dan moet het wel een dode en onvruchtbare geest zijn, die geen geloof, geen liefde of vreze Gods, geen gehoorzaamheid of enige evangehsche goddelijke gerechtigheid in de kinderen kan dragen of baren.
Het doet Udemans bijzonder veel pijn dat Menno het aandurft de kinderen van de gelovigen met apen te vergelijken. Deze zegt namelijk dat als men de kleine onmondige kinderen en hun doop met veel geschriften en hoge deugden wil versieren, dit hetzelfde is alsof men een aap met stukken zijde en purper wil versieren; het spreekwoord zegt immers: een aap blijft een aap, al was hij met purper bekleed. Menno zegt dat de kinderdoop dezelfde betekenis heeft als de doop van de klokken bij de rooms-katholieken… Udemans vraagt zich af hoe het mogelijk is dat de Mennisten de jonge schapen en lammeren van Christus hiervoor uitmaken, waar de Zoon van God toch Zijn bloed voor hen heeft gestort, evenzeer als voor de volwassenen. God weet uit de mond van de sprakelozen Zijn lof te bereiden (Ps. 8: Matth. 21) en de Heere zegt: 'Zo gij u niet bekeert en wordt als de kinderen… 1 (Matth. 18 : 3). Eenvoud, ootmoed en oprechtheid zijn deugden, die de Heilige Geest in de kinderen geplant heeft en die de volwassenen van hen moeten leren.
De belangrijkste vraag in het kader van Mattheüs 28 : 19 is voor de gereformeerde predikant van Zierikzee of de kinderen van christgelovigen behoren onder de christenen of niet. Wanneer de Mennisten deze vraag positief beantwoorden, moeten de kinderen gedoopt worden. Wanneer zij deze vraag ontkennend beantwoorden, tonen zij dat ze onbeschaamd verachters zijn van het verbond van God, omdat het naar hun zeggen dan hetzelfde is of iemand uit een jood, een Turk, een heiden of van een christen geboren is. Ten slotte haalt Udemans enkele zinnen aan uit twee werken van Menno Simons. Daaruit zou blijken dat deze met twee monden spreekt. Van de kinderen die hij eerst met zotte apen en klokken heeft vergeleken, zegt hij hier dat zij in het verbond en in het huis en in de gemeente van God zijn, niet door enig teken, maar door de genadige belofte van God.
Udemans sluit dit twaalfde bewijs af met de volgende conclusie: allen die tot het verbond en tot Gods gemeente en onder de christenen behoren, moeten door de doop van alle sekten worden afgezonderd; daaronder vallen ook de kinderen. Zij moeten door de doop van de kinderen van de niet-christenen worden onderscheiden. Laten de Mennisten dan niet maar zeggen dat er geen bevel is om de kinderen van christenen te dopen! Zij zijn onder de christenen te rekenen, net als jonge kinderen die als burgers van hun vaderstad worden geboren (Ef. 2 : 19; Rom. 11 : 16).
In een volgend artikel willen wij nog ingaan op de overdoop. Daarna willen we in een afsluitend artikel een samenvatting geven en enkele lijnen trekken naar onze tijd.

G. van den End, Voorthuizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Kinderdoop – Volwassendoop

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's