Van geven is nog niemand arm geworden (2)
Over geven in het diaconaat
In het vorige artikel hebben we gezocht naar een bijbelse visie op onze mate van geven in het diaconaat.
Wanneer we deze bijbelse richtlijnen voor ons geven tot ons door laten dringen en vervolgens kijken naar de praktijk van ons handelen, zullen velen, zo niet de meesten, moeten toegeven dat theorie en praktijk ook hier ver uit elkaar liggen. Het is voor ons rijke westerlingen bijzonder moeilijk om ons bezit zo te delen met onze naasten als we hiervoor schreven. Dit kan verschillende redenen hebben.
Het kan zijn dat we nooit echt bezonnen hebben op ons geefgedrag, en in onwetendheid een gierige levensstijl ontwikkeld hebben. Een levensstijl waarin we uitsluitend kwartjes en guldens aan onze naasten gaven.
Het kan ook zijn dat we een luxe levensstijl ontwikkeld hebben, waarin geen ruimte is voor grote giften. We zeggen dan dat we niets overhouden om weg te geven, zonder kritisch te kijken naar ons uitgavenpatroon en levensstijl.
Tenslotte kan het ook zijn dat we gewoon gierig zijn. We zijn dan uitsluitend op onszelf gericht, zonder de nood van anderen echt te (willen) zien. We kunnen hiervoor dan onze argumenten hebben, maar in wezen komt het neer op egoïsme.
Vernieuwing van ons denken
Is hieraan iets te doen? Is ons geefgedrag, wanneer we moeten concluderen dat die niet naar Gods wil is, te veranderen?
Voor ik hierop antwoord geef, wil ik wijzen op de ontmoeting tussen Jezus en de rijke jongeling (Matt. 19, 16vv). Wanneer Jezus de man oproept alles aan de armen te geven, haakt hij af. Vervolgens wendt Jezus zich tot zijn discipelen en stelt tot tweemaal toe dat het voor een rijke bijzonder moeilijk is het Koninkrijk van God in te gaan. De discipelen verzuchten dan: 'Wie kan dan behouden worden?' Opmerkelijk is dan het antwoord van Jezus. Hij zucht niet mee, in de zin van: 'Inderdaad, dat vraag ik mij ook wel eens af. Nee: 'Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.'
Deze uitspraak van Jezus bevat in wezen twee antwoorden: (1) het is mogelijk en (2) het begint bij God en niet bij de mensen.
Deze antwoorden kunnen we ook toepassen op de boven gestelde vraag. Het is mogelijk onze offergezindheid te veranderen, maar het begint bij God. Zoals we eerder zagen, heeft geven in de Schrift alles te maken met ons hart. En wie kan het hart veranderen dan alleen God, door zijn Geest?
Onze geefhouding veranderen is dus in de eerste plaats onze hartsgesteldheid veranderen. We moeten hervormd worden door de vernieuwing van ons denken, opdat we zullen zien wat de wil van God is, 'het goede, welgevallige en volkomene' (Rom. 12, 2).
Belangrijk is daarom dat we ook dit aspect van ons geloofsleven in gebed bij God brengen, met de vraag of Hij ook dit deel van ons leven wil vernieuwen.
De praktijk
Hoewel we dus moeten beginnen bij God, als het gaat om de verandering van onze levenshouding, is het nooit Gods bedoeling geweest dat wij onze eigen handelen uitschakelen. De Bijbel en de historie wijzen uit dat God middellijk werk, door inschakeling van de gaven die hij de mensen geeft. Ik wil het dan ook niet bij deze oproep tot gebed laten. Er zijn tal van praktische handelingen als het gaat om het veranderen van ons geefgedrag, die wij zelf kunnen en die God wil zegenen. Hieronder wil ik enkele handreikingen geven voor het vormgeven van een 'persoonlijk diaconaal beleid'. Ik zal dat puntsgewijs doen.
1. Wanneer is sprake is van een huwelijk of een gezin, is het belangrijk ons geefgedrag binnen de relatie ter sprake te brengen. Neem de tijd om het geefgedrag samen eens te evalueren, kritisch te bezien en te bespreken hoe dat anders kan. We kunnen elkaar dan opscherpen en aanmoedigen.
Het is een bijbels gegeven dat het bijzonder moeilijk is alleen in het geloof te staan en dat God ons elkaar gegeven heeft om elkaar te helpen en te steunen. Dit geldt in de eerste plaats in het huwelijk, maar kan ook breder gezien worden in de gemeente. Het tijd nemen voor bezinning op dit punt is daarom ook belangrijk binnen de setting van de gemeente.
2. Belangrijk bij deze evaluatie op je persoonlijk geefgedrag is, dat het niet vaag blijft. Zet concreet de bedragen die gegeven zijn in een bepaalde periode, zeg een jaar, eens op de rij. Zet daarnaast wat de inkomsten zijn en wat aan andere zaken uitgegeven wordt, en spiegel dit met het bedrag dat weggegeven is aan anderen.
3. Als we vervolgens ernst willen nemen met ons geefgedrag, is het belangrijk dat we ons in het geven niet in de eerste plaats laten leiden door emoties of door de vasthoudendheid van de vrager. Laat onze giften niet alleen spontaan zijn. Zoals we onze financiële positie op de rij zetten wanneer we een huis kopen of van baan veranderen, is het goed dit ook te doen ten aanzien van ons geefgedrag. Dit kan door aan het einde van het jaar onze giftenbegroting van het volgend jaar op te stellen.
Bij het opstellen van een giftenbegroting zouden we de volgende stappen kunnen volgen (om het niet onnodig ingewikkeld te maken, neem ik het geven aan de kerk en aan diaconale doelen bij elkaar):
– bepaal het percentage van het inkomen dat we weg willen geven. Doe dit als eerste, voor we andere uitgaven begroten. Dit voorkomt dat onze giften een sluitpost worden. Bedenk daarbij dat we geven van hetgeen we ontvangen van God en dat we mogen geven uit dankbaarheid aan God. Bedenk ook dat geven best eens een offer mag kosten. Hoewel de Bijbel geen duidelijke richtlijn geeft voor een percentage, is 10 procent volgens mij een goede richtlijn. Dit kan in later stadium zonodig naar beneden of naar boven bijgesteld worden.
– Bereken vervolgens hoeveel netto-inkomsten (dus na aftrek van belasting en premies) er overblijven voor onze overige uitgaven.
– Bepaal daarna eerst wat er nodig is aan de noodzakelijke zaken: wonen (incl. energie), voedsel, kleding, school, ziektekosten, vervoer, hygiëne enz.
– Daarna kan bepaald worden wat we verwachten uit te geven aan zaken die niet echt noodzakelijk zijn maar wel nodig zijn voor de nodige ontspanning en sociale contacten in ons leven (vakantie, hobby, cadeau's, video- en audio-apparatuur enz.). Op dit punt komt de soberheid om de hoek kijken. Daarom is het goed om het percentage van ons inkomen dat hieraan besteed wordt te vergelijken met het percentage voor de giften. Ik denk dat deze elkaar niet te veel mogen ontlopen.
– Bekijk nu of het eerder vastgestelde percentage van 10 procent haalbaar is. Is dit niet het geval, dan hoeft dat niet fout te zijn. Een opgroeiend gezin heeft vaak minder ruimte om te geven dan een echtpaar zonder kinderen (thuis). Toch kan het ook geen kwaad de categorie niet-noodzakelijke uitgaven nog eens kritisch te bekijken en je daarbij af te vragen of er bezuinigingsmogelijkheden zijn. Wanneer er meer overblijft dan 10 procent kan dit percentage eventueel verhoogd worden.
– Tenslotte kan bepaald worden waarvoor het vastgestelde percentage voor giften bestemd moet worden. Hierbij is het goed de bijbelse prioriteitenstelling vast te houden: eerst God, dan de naaste, en van de naaste eerst de familie, vrienden, broeders en zusters in het geloof en daarna 'allen'. Verdeel zo de giften over kerkelijk werk en hulpverleningsinstellingen. Prioriteitsstelling wil overigens ook zeggen dat de eerste ook meer mogen krijgen. Houdt bij de verdeling ook een aanzienlijk bedrag vrij voor onverwachte nood en spontane giften. Het kan immers niet zo zijn dat we onze gevoelens uitschakelen en uitsluitend berekend geven.
– Deel tenslotte het totaal gereserveerde jaarbedrag door twaalf. Dit bedrag kan dan vervolgens iedere maand naar een aparte rekening overgeschreven worden, van waaruit de giften gegeven worden. Dit voorkomt dat het gereserveerde geld voor we er erg in hebben toch opgaat aan andere zaken.
– Het spreekt vanzelf dat de belastingteruggaaf als gevolg van de post giften op ons belastingformulier ook op deze aparte rekening terechtkomt.
– Wanneer in de loop van het jaar blijkt dat de berekening ons toch persoonlijk voor financiële problemen stelt, is het natuurlijk niet verkeerd het plan halverwege het jaar bij te stellen en het volgend jaar anders te doen. Wees hierin echter kritisch naar jezelf.
5. Bij het bepalen van de bestemmingen voor onze giften is het goed bestemmingen te kiezen waarmee wij een binding hebben of kunnen opbouwen. Geven moet niet alleen een zaak van berekening zijn, maar allereerst van het hart. Het is nu eenmaal een feit dat wij aan instellingen of mensen die ver van ons afstaan moeilijk betrokken kunnen geven. Geef de giften dan ook niet te gespreid. Beter is het aan 5 instellingen 1.000 gulden te geven dan aan 500 instellingen een tientje.
Vergroot ook de betrokkenheid bij het werk van een instelling waaraan je geld geeft. Dat kan bijvoorbeeld door je te verdiepen in het werk van de instelling, door de documenten die toegezonden worden daadwerkelijk te lezen. Betrokkenheid bij het doel waaraan het geld besteed wordt is van belang om met het hart te kunnen geven.
6. Giften mogen niet los staan van ons gebedsleven. Laat giften daarom volgen door een gebed om een zegen over de gift en over het werk van degenen die de gift ontvangen.
7. Tenslotte wil ik opmerken dat we het bij het geven van geld en goederen in ons leven niet mogen laten. Het is belangrijk ook iets van onszelf te geven: tijd, energie en liefde. Met name bij nood in de directe omgeving zijn er vaak mogelijkheden te over om ons ook met de daad in te zetten voor anderen.
Arjan van Trigt, Zoetermeer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's