De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vaders en de broers van Putten (8, slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vaders en de broers van Putten (8, slot)

11 minuten leestijd

Vleselijk
Naast het onderlinge meeleven van de weggevoerden, de ontroerende geloofsgetuigenissen van de achtergeblevenen, het bewonderenswaardige optreden van de voorgangers, zijn er ook schrijnende voorbeelden van zelfzucht en eigenbelang. Putten heeft de razzia en de rouw niet van meet af en niet alleen geestelijk ondergaan en verwerkt, maar net zo goed vleselijk. Ook dat komt in De Keizers boek tot uiting.
We lezen van een vrouw, die opgesloten had gezeten in de kerk, 'die kerk der verschrikking'. Zij vertelde over sommige 'Putter meiden, die begonnen te flirten met de moffen. Ze zaten te stoeien en te gekken met die lui, verschrikkelijk gewoonweg.'
Een vrouw uit Scheveningen, die als evacuee al een paar jaar in het dorp was, verbaasde zich erover dat de mensen, toen ze hun huizen moesten verlaten, zo druk in de weer waren met hun bezittingen: 'Ik was daar komen logeren met alleen mijn lijfgoed en was al zo losgeraakt van alle rommel van zilver, meubels enz., en mijn man had ik al zo lang niet gezien, dat de rest me niet veel meer kon schelen. Maar de anderen liepen maar te sjouwen met erfenissen, kussenslopen en zilver: het was allemaal al zo oud en het moest dus mee!'
Eén van Puttens wijkverpleegsters was woedend over al dat gesjouw, want omdat veel mensen hun spullen meenamen, waren er geen karretjes beschikbaar om de zieken te vervoeren. De meesten dachten slechts aan zichzelf, merkte zij. – Dat was ook het geval, toen de vrouwen op de maandagmorgen na de razzia terugkeerden naar de Oude Kerk met het eten, dat ze thuis klaargemaakt hadden. Velen konden het niet kwijt aan hun eigen man of zoon, omdat anderen het hun uit handen gristen.
Van de achtergeblevenen vond lang niet iedereen de weg naar God. Er waren er, die zich scherp afzetten tegen het geloof. 'Want als er een God bestond, waarom liet Hij dit toe?' Ook toen leefde deze vraag. Geen wonder dat de Putter predikanten sterke geloofsafval vreesden. Want ze zagen hoe meer dan één het geloof vaarwel zei, zeker tijdelijk. Ds. Kievit bekende later in een interview dat hij het er ook moeilijk mee had gehad. En in een herdenkingstoespraak – nog weer later – gaf hij het gevoelen van die tijd weer, waarbij men zich angstig afvroeg 'hoe het mogelijk was op zo'n grote schaal te moorden en dat op de meest afschuwelijke wijze. We waren erdoor verbijsterd. We dachten: dat bestaat toch niet, dat gebeurt toch niet? Maar het bestond wél en het gebeurde óók! … Maar begrijpen, begrijpen deed geen mens het.'

Vragen
Bezig-zijn met een boek als van Madelon de Keizer is een existentieel gebeuren. Steeds minder ben ik het gaan lezen vanuit historische belangstelling, als meeslepende kroniek van de woonplaats van mijn jeugd of als onderwerp voor een artikel.
Je persoonlijke geloofsbeleving, je eigen theologiseren, je gereformeerde overtuiging: dat alles wordt aan de hand van dit boek genadeloos en daarom genadig tegen het licht gehouden. Je wordt een ogenblik naast Job neergezet, en naast 'de vrouw van Putten'. Al besef je terdege: onttakeld en ontredderd zoals zij zijn geweest, ben je niet.
Niettemin komen er enkele ingrijpende vragen op ons af, vragen niet zozeer aan het boek als wel aan onszelf, vragen die m.i. niet minder actueel zijn dan bijvoorbeeld die over 'de boodschap en de kloof'. Voor mijzelf formuleer ik de volgende vier, samenhangende vragen.

Soevereiniteit
1. Welke plaats neemt in onze theologie en geloofsbeleving de soevereiniteit Gods in? Met kracht hebben voorgangers als ds. Holland en ds. Kievit dit kernmoment uit de gereformeerde theologie gepredikt. We denken aan een passage uit de rouwdienst een jaar na dato: 'God is niet na te rekenen, laat staan te verbeteren. Hij verschaft ons ook geen inlichtingen omtrent deze grote dingen. Hij legt er aan ons geen rekenschap van af. Daar is Hij God voor. Die de steilte bewoont, en die dingen worden daardoor gekenmerkt, dat ze iets uitstralen van die steilte. Wie die beklimt, wie Hem daar aanrandt, stort in de diepte. Hij bewoont een ontoegankelijk licht, de hoogspanning van Zijn heiligheid is levensgevaarlijk. Vandaar, dat Hij er niemand toelaat, opdat wij niet verblind en verkoold worden tegelijkertijd.'

Kastijding
2. Maakt een tijd als de onze het niet uitermate moeilijk – om wat voor reden ook – de waarom-vragen (onder andere) te belichten vanuit het aspect van kastijding? Terwijl het een wezenlijk element is in het getuigenis van de Schrift.
We geven opnieuw een citaat uit één van de herdenkingspreken van ds. Kievit: 'De Heere doet smart aan. Hij doorwondt. Ja, dat wordt niet verdoezeld, het is smartelijk. … Hij hanteert het mes meesterlijk, zonder aarzeling. Een ruw handwerk, dat opereren! Ach nee, iedere hardvochtigheid is Hem vreemd. De Almachtige is Israëls heelmeester. Het móét. Zijn hand beeft niet, maar Zijn hart trilt van ontferming. Hij, Hij doet smart aan en doorwondt. Hij de heelmeester. Dat maakt het dragelijk, dat geeft kracht, dat geeft verwachting. Zijn kastijding is nooit ten dode, maar ten leven. Zij is nooit onverdiend of overbodig, zij is nooit zonder einde en zonder doel.'

Voorzienigheid
3. Moeten we niet zeggen: hoe benarder een tijd, hoe volmondiger met Zondag 10 de voorzienigheid Gods beleden wordt, namelijk dat 'alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen'? En omgekeerd: hoe welvarender een periode, hoe moeizamer het ons valt 'alle dingen' terug te voeren tot Gods hand; waarbij 'alle dingen' vooral de dingen zijn, die ons (aardse) geluk verstoren.

Kruistheologie
4. Laat een gebeuren als in Putten zich niet het meest heilzaam en vertroostend doorlichten vanuit de theologie van het kruis? Daaronder verstaan we dat God in alle wederwaardigheden van het leven aan de mens werkt. Vaak staan die wederwaardigheden in het teken van afbraak en worden ze negatief ervaren. Een dergelijke theologie is geen theorie, maar is tot in de diepste plooien van het leven ingetekend; want we worden aan Christus en aan Zijn kruis gelijkvormig gemaakt. Opdat wij delen in Zijn heerlijkheid en in Zijn opstanding! We herkennen daar iets van in de toespraak van Pastor Meyer tot de Puttenaren, toen zij voor het eerst de graven in Ladelund kwamen bezoeken.
Ook in de tweede herdenkingspreek van ds. Kievit komen passages voor, die door-ademd zijn van deze theologie van het kruis: 'Niets is sterkender, dan de gemeenschap met de Middelaar in de gelijkmaking van Zijn dood! Het kruis achter Hem aandragen, vrolijk zelfs, omdat Hij er toe verwaardigt. Ja, wat een machtige troost: 'Indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig worden, zo zijt ge dan bastaarden, en geen zonen!' Hij is de Zoon, smartelijk werd Hij gekastijd! Zij worden kinderen Gods genaamd – ziet hoe grote liefde hun de Vader gegeven heeft; een liefde die zich in de kastijding laat gelden! … De littekens worden eretekens, en de oudgediende toont ze trots, ook al bezwijkt zijn vlees en zijn hart. … Houd Christus in gedachtenis. Die gekruisigd, doorwond werd, opdat zij zouden worden verbonden. De gelijkmaking van Zijn dood wordt gevolgd door de gelijkmaking van Zijn wederopstanding.'

Het monument
We eindigen waar we begonnen: aan de rand van het dorp, waar zich het monument van 'het vrouwtje van Putten' bevindt. Zij staat naar het oosten gewend. Dat is niet toevallig, want terwijl haar ogen vol verdriet over de zeshonderd symbolische graven staren, is haar figuur, haar wezen op de Oude Kerk gericht. De beeldhouwer, Mari Andriessen, wilde daarmee de band met het geloof aangeven. Dat had immers velen erdoorheen gedragen?!
Aanvankelijk was het Andriessens gedachte zijn ontwerp een kerkboek in de linkerhand te geven, om daarmee het Godsvertrouwen van de bevolking tot uitdrukking te brengen. Het plaatselijk comité, dat opgericht was om het monument te realiseren, voelde daar echter niet voor. In plaats daarvan stelde men een zakdoek voor. Maar dat wilde Andriessen weer niet. Toen kwam men met een compromis: in de rechterhand een zakdoek, in de linker- het kerkboek. Uiteindelijk bleef het bij de zakdoek. Maar de blikrichting van het standbeeld van de weduwvrouw is de kerk. Wellicht is deze symboliek nog dieper; in ieder geval: subtieler.
In Putten zelf spreekt men bewust niet over 'het vrouwtje van Putten', om associaties met de sagefiguur uit Stavoren te vermijden. Evenmin zegt men 'de weduwe van Putten'; want hoewel de weduwe in de Bijbel het toonbeeld is zowel van de verdrukte als van Gods ontferming, – er was in Putten sprake van meer: van wezen zonder vader, van verloofdes zonder vriend, van moeders zonder zonen. Hen allen wil 'de vrouw van Putten' symboliseren.
Op 2 oktober 1949 werd het beeld onthuld. Eerst was er een herdenkingsdienst in de Oude Kerk, waarin ds. Kievit en zijn gereformeerde collega voorgingen en die werd bijgewoond door koningin Juliana. Na afloop van de dienst onthulde zij het monument.
Het is neergezet op de plek, waar in de bewuste oktoberdagen van 1944 enkele huizen platgebrand zijn. Wie voor het monument gaat staan en rondkijkt, ziet aan zijn linkerhand enkele tientallen meters verderop de zogenaamde 'gedachtenisruimte', die in 1992 is neergezet dankzij de inspanningen van de plaatselijke Stichting Oktober 44. Het gebouwtje bevat een expositieruimte en een stiltecentrum, waar op de muur alle namen van de omgekomen Puttenaren staan vermeld.
Wie zijn blik op het beeld zelf laat rusten, ziet dat de kracht van dit beeldhouwwerk zijn soberheid is. Het straalt eenvoud en rust, aanvaarding en leed uit. Wie, die er ooit bij heeft gestaan, heeft deze indrukken niet in meerdere of mindere mate ondergaan? Vooral dat laatste, het leed, grijpt je aan. Maar dan ontwaar je de prachtige en vertroostende tekst uit Openbaring 21, die op de voet van het beeld staat: 'En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen.'

Belofte
Deze belofte is het, die twee generaties Puttenaren met zich hebben meegedragen en die al die jaren krachtig in de prediking heeft doorgeklonken, niet het minst in die van ds. L. Kievit. Met hoeveel nadruk wist hij telkens het 'God zal' van deze en andere beloften te onderstrepen, zó dat velen ze in het geloof beaamden. Toen hij in oktober 1964 voor de tweede keer afscheid nam van Putten, gebeurde dat – veelzeggend – met 2 Corinthe 1 : 20: 'Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons.'
Die belofte is het, waardoor een zoon van een in Neuengamme omgekomen Puttenaar kon zeggen: 'Haat, afgunst en verachting zijn de doodsvijanden van de kostelijke genade. God heeft mij geholpen mijn haatgevoelens te overwinnen. Dat geeft een gevoel van bevrijding en van vrijheid. Gods Woord maakt sterk en geeft moed.'
Die belofte is het, waardoor menigeen heeft kunnen aanvaarden dat in de razzia God Zelf Putten heeft bezocht. Opmerkelijk is dat deze 'verklaring' meer troost geboden heeft dan die, waarin het element van kastijding naar de achtergrond werd geschoven of waarbij het gebeuren werd toegeschreven aan de duivel. Want welke tranen kan God beter afwissen dan die Hij Zelf heeft veroorzaakt?! Meer dan één Putter broeder en zuster heeft zich vastgeklemd aan de voor hart en verstand onbegrijpelijke woorden van Amos (3 : 6): 'Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?' Het is juist deze wetenschap, die voor hen 'een ondraagbare ernst' is, maar 'tevens een onzegbare troost' (ds. Kievit).
Die belofte is het ook, die brengt tot het belijden dat de HEERE 'doorwondt én … Zijn handen helen!' (Job 5 : 18; tekst op 2 oktober 1945 n.m.) Inderdaad, belijden, geen beweren. Immers, bij een bewering houden we God slechts vast, indien wij Hem begrijpen. Maar wie begrijpt God, wanneer Hij Zijn ongekende gang gaat, vol donkere majesteit? Dreigt niet het gevaar dat degene, die Hem slechts of die Hem eerst wil begrijpen. Hem te langen leste loslaat? Maar bij een belijdenis vertrouwen we, dwars tegen alles in: de Almachtige houdt ons vast, ook wanneer wij Hem loslaten.

Tenslotte
Nog één keer is het woord aan ds. Kievit (herdenkingtoespraak 1984): 'Het kruis is een toevlucht. Hoevelen hebben in die donkere omstandigheden die toevlucht gevonden, zijn er naar toe gevlucht! Dat mag je gerust zeggen. Het is een schuilplaats en daarom gaat het niet om het begrijpen van de dingen. We konden het ook niet omvatten op deze schaal, maar het gaat erom dat wij bij het kruis van de Heere Jezus Christus terechtkomen en dan ontdekken dat dáár antwoorden gereed liggen voor de meest brandende vragen. Van dat kruis uit lopen lijnen naar de opstanding!'

H.J. Lam, N. a/d IJ.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1999

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De vaders en de broers van Putten (8, slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1999

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's