In memoriam Anthonius van Brummelen
'Neemt Gij hun adem weg, zij sterven…'
Zo heeft de Heere het met hem gedaan op de eerste december 1999.
Een diepe schok en een groot gemis in huwelijk, gezin, familie, kerk, gemeenten en vriendenkring.
Maar het is goed… want hij is wel ontslapen, maar mag eeuwig leven, omdat de Heere leeft!
Op de 20e mei 1928 zag hij het levenslicht in Barneveld en groeide daar ook op.
Na de middelbare school bezocht hij de rijksuniversiteit in Utrecht.
Zijn aanvankelijke keuze voor notarieel recht werd van Hogerhand omgebogen naar de theologie. Hij trok in de studie op met plaatsgenoten, o.a. de latere ds. C. van Schoonhoven en ds. J. den Hoed. Mannen als ds. J. Poot en prof. dr. A. H. Edelkoort hebben hem diep geraakt.
Op 15 september 1957 werd hij voor het eerst in het ambt bevestigd in Schoonrewoerd. Kort tevoren was hij in het huwelijk getreden met mevr. N. E. van den Brink. Naar de mens gesproken had hij zijn dienst zonder haar niet kunnen vervullen. Hoezeer ook op de achtergrond, was zij niettemin steeds een stuwende kracht in al zijn ambtswerk.
In 1962 ging de reis naar Giessendam-Neder Hardinxveld, in 1966 de verhuizing naar Hierden en in 1974 werd het Huizen. Daar ging hij in 1993 met emeritaat.
In al die pastorieën bleef hij studeren. Dat liep uit op zijn promotie bij prof. dr. H. Jonker in 1980 op het katheder-werk van J. J. van Oosterzee.
De wezenlijke drijfveer tot het ontstaan van die studie was een enkele zin uit een boek: 'Van Oosterzee leidde voortreffelijke zielzorgers en predikers op'.
Hij heeft gewerkt zolang het dag was, in prediking, pastoraat en in geschrift.
Veel kerkenraden, predikanten en studenten vonden in hem een scherpzinnig raadsman. En tussendoor vond hij tijd om te lezen, veel te lezen. In de breedte en in de diepte. Hij had daarbij een voorliefde voor biografisch materiaal, en dan graag van heel verschillende persoonlijkheden. Want 'ijzer scherpt men met ijzer, alzo scherpt een man het aangezicht van zijn naaste'. Hij was door de Heere begiftigd met veel mensenkennis en spande zich in om uit te vinden wat mensen beweegt. Soms had zijn visie iets van vlijmscherpe onthulling. Hij zocht altijd naar het geestelijk beginsel, waaruit plannen, ideeën en inzichten opkwamen.
Kandidaten en predikanten in preekverlegenheid zochten bij hem steun en leiding. Graag had hij de praktisch theologische vakken en met name de homiletiek een centraler plaats gegund aan de universiteiten.
Jarenlang vormden we samen, wat hij noemde een preekclub. Op gezette tijden ontmoetten we elkaar en spraken over een tekstgedeelte om materiaal te verzamelen voor de preekvoorbereiding.
Daarbij bleek telkens zijn grote liefde voor de Heidelbergse Catechismus. Er zijn, denk ik, niet veel preken door hem gehouden, zonder een lijn naar dit troostboek van de kerk.
Hij zocht impulsen tot nadenken en nadere uitwerking bij door de Heere gezegende predikers uit de geschiedenis van de kerk.
Dat kon de Hollandse W. à Brakel zijn, denk daarbij aan 'zijn', Brakelkring: een kleine twintig jaar met collega's periodiek lezen in de Redelijke Godsdienst onder zijn leiding. Dat kon ook de Duitse K. Gerok zijn, de Engelse ketellapper J. Bunyan, de gereformeerde H. Hoekstra en J. van Andel, de hervormde, J. J. Knap Czn., J. H. L. Roozemeijer of J. J. van Oosterzee.
Bij de preekvoorbereiding beleefden we onvergetelijke uren…
Soms leunde hij bij de gedachtewisseling ineens wat opzij, de hand aan zijn hoofd: de Godsgedachten uit de te behandelen tekst of pericoop, in hun directe toepassing op de gemeente en het eigen hart konden hem overweldigen.
Humor was hem eigen, maar soms was er ook een vochtig oog van ontroering over het werk van Gods Geest in de harten van eenvoudige gemeenteleden. Zoals J. F. Richter verwoordde:
'O, 'Jezus, o schat die in 't hart is geborgen,
O heimelijk sieraad dat glanst in de ziel.'
Als we elkaar daarvan vertelden, glansde zijn gezicht.
Het ging dan over mensen in wier leven het Woord beproefd was gebleken, geoefend in de dingen Gods. Had hij een antenne om juist deze mensen op het spoor te komen? Ik ben geneigd om te denken dat het een verhoring was op zijn gebeden. Het leven van het gebed was hem een tere en aangelegen zaak. De tekst op zijn rouwbrief wijst dat ook aan:
'Heer, ai maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend…'
Ds. Van Brummelen had iets uitnodigends voor mensen in zorg. Soms scherp terechtwijzend, maar toch nooit zonder tere ontferming en meedogen voor hen, die de diepe verdorvenheden van hun bestaan aan hem opbiechtten. Dat kon lijden omdat hun geheimen bij hem veilig waren; dat kon ook lijden omdat hij wist van de afgronden en dwaasheden van zijn eigen hart én omdat hij wist van Gods barmhartigheid in Christus Jezus.
Van zijn catechisanten heeft hij destijds veel gehouden, dat merkte je aan alles. Er zijn oud-catechisanten, die een gesprek met hem hun leven lang niet meer vergeten.
In hen zag hij de toekomst van de kerk: de zonen, die naar psalm 144 als planten zijn, die groot worden in hun jeugd en de dochters als hoekstenen naaf de gelijkenis van een paleis. Dochters als hoekstenen…, in samenleving en kerk: in de gezinnen, dáár moet het gebeuren. De vaders? Ja zekef, maar vergeet de moeders niet, onderschat hun positie en invloed niet! Want niet de vergaderzaal, maar 'de binnenkamer' geeft de doorslag in wereld, gemeente, gezin en eigen leven.
Daarom gaf hij onze vrouwen jarenlang aanwijzingen, opwekking en troost in zijn vaste rubriek van de 'Hervormde Vrouw'. Daarom scherpte hij hen in, dat het er niet om gaat dat onze kinderen 'succes' hebben in kerk en wereld, maar dat het gaat om zegen, om de eer van God en hun zaligheid!
Over zijn plaats in de Kerk, in het bijzonder in de gereformeerde beweging daarin, leest u elders in dit nummer.
Wat hier als herinnering is neergeschreven, is geen hulde aan dit 'mensenkind'. Het is wel uiting van diepe verbondenheid aan hem die van ons werd weggenomen. Onbegrijpelijk wonder wat de Heere door Christus maakt van een mensenkind, die niet anders weet dan eigen armlastigheid en boosheid uit te dragen naar een ontfermende Heiland en zich tot het laatst aangewezen ziet op 'genade alleen'. Een mens tot Zijn dienst bereid.
Zo zijn deze regels allermeest uiting van dank aan de Heere voor wat Hij ons in deze dienaar van het Goddelijk Woord schonk. Soli Deo gloria!
De God aller genade ontferme zich over mevrouw Van Brummelen, Janneke en Louis, Nadiene en Cornelie en verdere familie in deze troostvolle wetenschap:
'Zijn blijdschap zal nu onbepaald
door het licht dat van Zijn aanzicht straalt
ten hoogste toppunt stijgen.'
Want: 'Zijn dienstknechten zullen Hem dienen, en zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn'.
J. Veldhuijzen, Putten op de Veluwe
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's