De schepping in de prediking (3)
Geen natuurgod
De Bijbel laat ons er rdet in het onzekere over Wie alle dingen leidt en bestuurt. Hij Die de geschiedenis van Israël en van de volkeren leidt, is ook Degene Die de natuur in Zijn hand heeft en houdt.
Omdat God zo vaak in de natuur Zich laat zien en in het bijzonder in natuurverschijnselen, is Hij wel eens als een natuurgod gezien, zoals het heidendom er zovele heeft: en god van de regen, een god van de wind, een god van de donder, een zonnegod enz. De God van Israël zou oorspronkelijk een god van wind, storm en onweer zijn, waarvoor men zich beroept op Exodus 19 en Ps. 18 : 29. Maar omdat Hij boven de schepping staat, laat Hij in die verschijnselen en krachten Zijn macht zien. Verschijnselen in de natuur kunnen Hem omringen als tekenen van Zijn almacht en goedheid die met ontzag en dankbaarheid moeten vervullen. Wat mensen soms 'scheppende natuurkracht' noemen, is voor Israël God. Zeggen wij zelfs 'de natuur gaat toch zijn gang', wij hebben te belijden dat de Schepper Zich niet onbetuigd laat!
Ik las ergens de mooie volzin 'de natuur is zo openbaring van Zijn wezens volheid'. Het haalt Hem naar beneden wanneer Hij slechts een natuurgod zou zijn.
God is niet gelijk de natuur
We kennen in onze tijd veel milieubewegingen. Partijen als 'groen-links' of 'de groenen' weten we te plaatsen. En dat er opgekomen wordt tegen de grenzeloze exploitatie van en de vervuiling in de natuur of de schepping is terecht. Wat hebben kerken en gemeenteleden het er soms bij laten zitten. Jammer dat niet-christenen hier het voortouw namen, zij het op speciale wijze, al komt daarin verandering. Ook christen-politici zijn op dit terrein actief. Jammer ook dat de beweging rond het 'conciliair proces' zo eenzijdig en vaak niet gereformeerd sprak en handelde!
Maar men komt vrij gemakkelijk tot de omslag om alles op de kaart van de natuur te zetten. Dat leidt soms tot een soort 'natuurvergoding'. Sommigen van christelijke afkomst die zich sterk voor de natuur maken en inzetten beweren 'wie de natuur beschermt is een gelovige'. Maar zo ligt het niet.
Men kan op grond van de Schrift en ook niet van het Oude Testament de leuze aanhangen 'Deus sive Natura' d.i. 'God ofwel de Natuur'. Hoezeer ook steeds in bijzondere natuurkrachten tekenen van Zijn machtig handelen zijn te zien, is er geen gelijkstelling tussen beide en evenmin verwantschap. Alles is en komt wel uit en door Hem tot stand in de schepping, maar daarom is de natuur zelf nog niet goddelijk, evenmin de mens. Heel de natuur staat in afwachting van wat God doet en de mens mag biddend Zijn zorg en werken en leidingen verwachten.
Wanneer de schepping in de prediking de haar toekomende plaats krijgt, wordt ook van deze dingen gesproken.
God gaat niet in de natuur op
Nimmer kan de Heere God opgesloten worden in een schepsel of in een natuurkracht. Hebben de volkeren een pantheon, een veelgodendom-leer, Hij is Heere over alles. Over de zee is Hij de baas, de chaos-wateren voordat de wereld tot aanzijn werd geroepen, dan wel die van de Rode Zee waardoor Israël veilig doortrok. De Psalmen 93, 95, 107 en 114 bezingen als om strijd Zijn macht over de wateren. Maar niet minder heeft Hij het voor het zeggen op en over het droge. Denk maar eens aan Zijn wonderen in Egypte, waarin Zijn macht ook over de dieren bleek. De psalmen betuigen dat en hoe God aan alle schepselen geeft wat zij nodig hebben (Ps. 36 : 7, 147 : 9). Israël zou geleid worden naar een land dat 'de regen zou indrinken van de hemel', zie Deuteron. 11 : 11vv en niet zou zijn als Egypte waar kunstmatige bevloeiingen van de Nijl plaatsvinden. Mogen de heidense volken in Kanaän veel titels en ornamenten voor verschillende goden hebben en gebruiken, God heeft deze alle. Waar ook ter wereld Hij is en regeert en zorgt overal. Laat de prediking van deze heerlijke God spreken en dan niet alleen maar op biddag en op dankdag. En laten we aardse zegeningen die zo duidelijk spreken van Zijn scheppend en onderhoudend handelen niet maar beschouwen als slechts een aardse verpakking van het ware, geestelijke heil.
Geen natuurdienst!
Het volk Israël zou komen in het land dat God voor Zijn volk had uitgekozen. Daarin woonden toen andere volken. Toen Abram al eeuwen tevoren voor het eerst in het beloofde land kwam, waren daar de Kanaänieten, toen hij een altaar bouwde voor de HEERE en offerde. Gen. 12 : 7.
Deze heidenen zagen rechtstreeks het goddelijk leven in het koren. Hun religie was een vruchtbaarheidsgodsdienst. Stervende en weer levend wordende en opstaande goden herleefden in de gehele levenskracht van de natuur. De Baäls werden vereerd die grote aantrekkingskracht uitoefenden op het volk van God, hoezeer ook van de ware en levende God en Zijn dienst onderscheiden.
De natuurdienst vroeg alleen maar op tijd de offers te brengen en de goden tot vriend te houden. De natuurdienst verschafte zichtbare goden(beelden) met wie men in contact kon komen. De natuurdienst stelde geen zedelijke eis, men mocht zelf leven hoe men wilde als de goden maar hun portie kregen. De natuurdienst leverde vruchtbaarheid op in het gezin, kinderzegen, in de veestapel, veel jonge dieren en op het land, rijke oogsten, en dat was dan alles.
Maar God leert in Zijn Woord dat de vegetatie, de groei van planten en gewassen en groenten wel een geschenk van Hem is, maar niet een openbaring van het goddelijk leven zelf dat vereerd moet worden. Niet dan door een Godsdaad wordt de aarde met de gewassen, worden de dieren en de mensen voortgebracht. En God geeft de laatste schepselen nog een heel bijzondere zegen mee waardoor zij zich kunnen en mogen voortplanten.
Heel teer gaat de Schrift om met het seksuele leven, terwijl in Kanaän men zich in zijn natuurdriften kon uitleven, inclusief alle vormen van ontucht.
Komt de schepping in de prediking, dan ligt ook hier een ruim veld voor uitleg en toepassing. Maar de prediker spele geen zedenmeestertje en men hoede zich voor moralisme.
Wereldwijd denken!
Vooral in 'de leer over de schepping', in geheel het Oude Testament te vinden, heeft Israël de gave en de roeping gekregen om Gods heerlijkheid voor de volkeren te prediken. De gelovigen moeten 'wereldwijd' leren denken en de kosmos niet verwaarlozen. God regeert niet alleen maar de volkeren en de mensen, maar Hij schiep het ganse heelal en bestuurt dat wijs en goed. Dat 'kosmisch denken' geeft aan het geloof in God een machtige steun en grote kracht. Zo bijzonder schoon wordt vanaf Jesaja 40 de scheppingsgeschiedenis met die van het heil verbonden. Heel de wereld is door Hem en van Hem afhankelijk.
Ik moet u zeggen dat voor mij als ik het zo mag zeggen 'de kosmische Christus', die Paulus zo treffend in de Kolossenzenbrief laat zien, nieuwe heerlijkheid en kracht heeft gekregen. Ik heb daar destijds niet genoeg aandacht voor gehad. En juist het bijbels scheppingsgeloof en de bijbelse scheppingsprediking plaatst God niet buiten de wereld, maar verkondigt Hem ook in Zijn verbondenheid daarmee. Dat God alles en ons schiep, geeft Hem ook recht op ons leven en op onze dienst en loyaliteit. En zo laten Genesis 1 en 2 reeds zien dat alles theocratisch gezien moet worden. Van God uit worden de wereld en de mensen gezien als relatief zelfstandig maar geheel afhankelijk van Hem.
En deze God stuwt heel de wereld naar Zijn toekomst, dat machtige perspectief van 'nieuwe hemelen en een nieuwe aarde', Jes. 65 en 2 Petr. 3.
Wat een vergezichten opent 'de schepping in de prediking'!
W. Chr. Hovius, Apeldoorn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's