De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Moderne kunst en theologie
Wat kan een theoloog met moderne kunst? In de laatst verschenen aflevering van het tijdschrift voor bijbelse theologie Interpretatie (december 1999) laat dr. Rudolf Boon (emeritus hoogleraar liturgiewetenschap aan de VU) daar enig licht over schijnen. Zijn stelling wordt verwoord in de kantlijn van het betreffende artikel: moderne kunst als 'eye-opener' confronteert de theologiebeoefening met de noodzaak van een intense bezinning op vragen en problemen die vanuit de postmoderniteit op haar afkomen.

'Een hernieuwd contact met New York als centrum van moderne kunst bracht in mij een "brain storm" teweeg over allerlei dwarsverbindingen tussen cultuur en maatschappij, kerk en theologie in een postmoderne era. Ik werd gesterkt in de overtuiging dat moderne kunst kenbron bij uitstek is van onze eigen tijd. Opnieuw werd ik gewaar hoe die tijd in allerlei vormen van moderne kunst indringend en verrassend wordt doorlicht. Nog vol van de indrukken, in musea en galeries opgedaan, dwaalden mijn gedachten af naar de theologische studenten, die straks voorgang(st)er in een kerkelijke gemeente zullen zijn. Hoe zullen zij die gemeente kunnen bijstaan op haar weg door de wereld, als zij zelf niet tijdens de opleiding enig inzicht hebben verworven in de maatschappij en de cultuur van een postmoderne wereld? Zou het geen overweging waard zijn, om tijdens die opleiding een aantal ontmoetingen te arrangeren met uitingen van moderne kunst?
Maar er is veel meer in het geding dan een bescheiden aanvulling op het studieprogramma van een theologische faculteit. Confronteert moderne kunst met haar "eye-opener"-functie de theologiebeoefening niet met de noodzaak van een intense bezinning op vragen en problemen, die uit de postmoderniteit op haar afkomen?
Kun je zeggen, dat in onze beschaving kunst functioneert als een schijnwerper, bewogen door de hand van een kunstenaar? Vanuit verschillende optieken wordt een periode in haar licht- en schaduwzijden als het ware doorgrond. Kunst vangt de geest des tijds op door deze te vertolken in een veelheid van vaak contrasterende beelden, een interpretatie in figuratie en abstractie.'

Dr. Boon noemt vervolgens een aantal voorbeelden van wat hij bedoelt. Kunst biedt een relaas van wat er gebeurt en maakt dat op haar eigen wijze zichtbaar aan hen die willen zien.

Solipsisme
'Bij een bezoek aan het Solomon Guggenheim Museum blijkt een belangrijk deel van het museum in beslag genomen door werk van Jim Dine. Afkomstig uit Ohio heeft hij zich in 1968 bij de New Yorkse avantgarde van het "Abstract Expressionisme" aangesloten. Uit de brede opzet van de overzichtstentoonstelling ("Walking Memory 1959-1969") kan worden aifgeleid dat aan zijn artistieke prestaties veel gewicht wordt gehecht.

Ik sta oog in oog met de geest van extreem individualisme. Collages, assemblages, videobeelden – volgens de toelichting "highly emotional and personal in content" – laten zien hoe de kunstenaar zich mentaal opgesloten heeft in zijn persoonlijke herinneringen, al maar op zoek naar zijn eigen identiteit. Het is een "lifelong pursuit of the themes of the self, the body, and memory through a variety of mediums – painting, mixed media assemblage and sculpture". Dine blijkt een exponent te zijn van wat in de moderne kunst kan worden gekenmerkt als solipsisme. Kunst, gereduceerd tot privé-aangelegenheid van de kunstenaar. Het artistiek solipsisme doorlicht de neiging waaraan ontelbaren in onze maatschappij zich gewonnen geven. De enkeling trekt zich terug uit het gemeenschappelijke, ' laat tradities en conventies achter zich en sluit zich op in een privé-bestaan.'

Solipsisme ofwel extreem individualisme. Ik geef toe: toegankelijk taalgebruik is het niet. Maar ook dat zal wel horen bij wat dr. Boon bedoelt: je moet tot de 'ingewijden' horen om de bedoelingen van de kunstenaar te benaderen.
Boon noemt dan nog een voorbeeld van wat hij bedoelt: kunst signaleert tendensen in de cultuur. Onze tijd is er ook een van toenemende specialisatie en daardoor verbrokkeling van het geheel.

'Kunst als specialisme; is dit niet wat een hiërarchie van deskundigen, een priesterkaste rond de cultus van de moderne kunst suggereert? Ik heb dan het circuit voor ogen van museumdirecteuren, galeriehouders, kunstredacteuren, makers van cultuurprogramma's en organisatoren van festivals. Zo wordt de wereld van de moderne kunst opnieuw een "eye-opener" van wat er in de samenleving gaande is. Onder ons heeft zich een seculier "klerikalisme" gevormd. Een hiërarchie van deskundigen bepaalt in welke richting de maatschappij zich ontwikkelen zal. Voorop gaan de topexperts uit de wereld van bank en beurs, van industrie en commercie, van wetenschap en technologie.

Vervreemding
De solipsist onder de kunstenaars heeft zich vervreemd van de buitenwereld, van kunsthistorische tradities en ambachtelijke vakbekwaamheid. Zijn kunstkritische claque heeft hem definitief vervreemd van een kunstminnend publiek, door te suggereren, dat zijn – toch al weinig toegankelijke – werk eigenlijk uitsluitend een aangelegenheid voor experts zou zijn. De artistieke manifestaties van extreem individualisme en het vertoon van kunstkritisch specialisme, staan model voor processen van vervreemding, die zich in een postmoderne wereld voordoen.

Een onstuitbare groei van specialisme(n) in de geledingen van de maatschappij leidt onherroepelijk tot allerlei vormen van vervreemding. Zo raakt het zicht op de samenhang der dingen zoek. Dit betekent onder meer dat de laatste herinnering aan een "universitas scientiarum" verdwijnt achter gigantische organisaties voor specialistisch onderzoek. Het openbare leven wordt opgedeeld in maatschappelijk gesloten circuits. De tijd van leven, niet langer in levenservaringen als een vlechtwerk samengevoegd, wordt een wirwar van gebeurtenissen zonder onderling verband en kan in zo'n verrafeling niet meer worden beleefd als toeleiding tot een eeuwige bestemming. De geschiedenis der mensen valt in losse episoden uiteen. De fixatie op de actualiteit van het heden doet de historische achtergronden en grondslagen van maatschappij en cultuur in de herinnering der mensen verbleken. De mens zelf, naar lichaam en ziel een organisch geheel, wordt in de medische molen omgevormd tot een assemblage van lichaamsdelen. De menselijke persoonlijkheid wordt in het maatschappelijk bestel gereduceerd tot onderdeel van een mechanisch complex.'

Dr. Boon vertelt ook van zijn bezoek aan een dienst in de Fifth Avenue Presbyterian Church, tot de nok gevuld door een maatschappelijk gemengd publiek. Hij constateert in verband met het voorgaande dat moderne kunst zich zelden of nooit richt op het kerkelijk bedrijf. 'Zijn jodendom en christendom een randverschijnsel in een postmoderne wereld? (…) Hier blijkt de moderne kunst in haar "eye-opener"-functie feitelijk te falen. (…) Het negeren van deze presentie (nl. van de georganiseerde godsdienst in de samenleving, J.M.) riekt haar vooringenomenheid.' Het zijn juist altijd de historische protestantse denominaties geweest, aldus dr. Boon, die de idealen van een democratische gezindheid hebben hooggehouden.

Een taalplaag
Daarover schrijft René Appel in Vrij Nederland van 4 december 1999. Hij bedoelt ermee Het zeg maar-virus.

'Er waart een besmettelijke plaag door de Nederlandse taal, het zeg maar-virus. Duizenden, misschien wel miljoenen mensen zijn ermee besmet. Vrijwel elke zin die ze uiten, bevat minimaal één keer "zeg maar", meestal zo uitgesproken dat het één woord lijkt: "zegmaar" of zelfs "zemmaar".
"Zeg maar" is een handige uitdrukking, multifunctioneel dus, want het kan verschillende betekenissen hebben. Soms staat het voor "min of meer" of "ongeveer": "De bloeiperiode was zeg maar van 1920 tot 1950". Een andere keer is "zeg maar" een aanwijzing dat er een metafoor volgt, zoals in: "Het hele financiële spel zeg maar werd uitgevoerd door de heer Baarspul".
Taal is een wonderlijk verschijnsel. Mensen hebben tienduizenden woorden in hun mentale woordenboek, en die moeten ze tot aanvaardbare zinnen aaneenrijgen. Soms gaat dat niet helemaal goed en dan kan "zeg maar" ook tijdelijk soelaas bieden: "Ik zal twee… ja… zeg maar richtingen aan de orde stellen". Sprekers zoeken soms ook naar alternatieve formuleringen of ze zijn onzeker over hun woordkeuze.
Ik heb drie beschermde renners, zeg maar vrijeroljongens.
Dit is het begin van de actie zeg maar schoon schip.
De enige bedreiging die ik zie, is de intermarriage zeg maar.
In deze voorbeelden heeft "zeg maar" tenminste nog een functie, maar vaak lijkt het volstrekt overbodig, en het wordt her en der door de zinnen gestrooid, zoals in de volgende voorbeelden. Het is een selectie van zeg maar de beste dansstukken van het afgelopen jaar.
En toen kwam zeg maar Baggio erin.
Ik ben een beetje kapot en ik heb zeg maar last van mijn achillespees.
Alle zinnetjes hierboven komen uit alledaagse gesprekken, sommige van de televisie of de radio. Laat "zeg maar" weg en er staat precies hetzelfde.'

De tekenaar Peter van Straaten biedt bij het verhaal van Appel een komisch zicht op een soort majesteit die haar troonrede voorleest en begint met: Leden der zeg maar Staten Generaal.

'Het overbodige invoegen van "zeg maar" gaat soms zo ver dat mensen daarnaast nog een uitdrukking gebruiken die ongeveer hetzelfde betekent, zoals in de volgende zinnen.
Dat alles vormt zeg maar min of meer de basis.
Omdat het zeg maar een ander soort onderzoek is, denk ik.
Er is sprake van zeg maar een aantal wat je bruggenhoofden zou kunnen noemen.
Ze hebben de jeugd ernaartoe gestuurd om zeg maar een soort reddingsactie uit te voeren.
Een nog ernstiger geval van de zeg maar-ziekte is natuurlijk twee keer die uitdrukking in één zin: "Dat is zeg maar het idee dat ik zeg maar precies in mijn hoofd had". Eén ding heeft die spreker in ieder geval in zijn hoofd: "zeg maar".'

Appel wijst ook op allerlei alternatieven die in spreek- en schrijftaal gehanteerd worden. Aanhalingstekens bijvoorbeeld worden soms als alternatief gebruikt. Citaat als voorbeeld: 'Dit zijn nog losse tussen aanhalingstekens gedachten, waarbij de spreker ten overvloede met twee keer twee vingers aanhalingstekens in de lucht schrijft'. Ook in schrijftaal, aldus Appel, duiken synoniemen op voor 'zeg maar'. Citaat: 'Steeds vader trekt de overheid zich terug uit wat ik nu maar even de markt van het algemeen belang noem'.

'Wat verklaart nu de ogenschijnlijk niet te stuiten opmars van "zeg maar" in het Nederlands? Zoals bij elke taalverandering is het niet helemaal duidelijk waarom grote delen van de taalgemeenschap geïnfecteerd raken door een nieuwe vorm. Wie is ermee begonnen – ooit moet er één de eerste zijn geweest – en waarom nemen anderen het over? Waarom hoor je steeds meer "dag-dag" of nog erger "doei-doei"? Invloed van het Engelse "bye-bye"? Maar dat kennen we al decennia, terwijl "dag-dag" iets van de laatste jaren is.
Bij "zeg maar" en zijn varianten ligt de oorsprong misschien in een steeds grotere onzekerheid: ik zeg dit nu zo, maar klopt het eigenlijk wel, is dit het juiste woord, klinkt het niet te hard, te cru? Vooral in de jaren zeventig kwam diezelfde onzekerheid tot uitdrukking in "best wel" of "best wel een beetje": "Ik vindt het best wel een beetje moeilijk om een stukje onvermogen toe te geven". Vervolgens nam "of zo" de rol van onzekerheidsformule over. Taalgebruikers proberen zich met dat soort uitdrukkingen misschien ook op de vlakte te houden of zich in te dekken tegen kritiek. Ze zeggen iets, maar relativeren het meteen door middel van "zeg maar".
Als het gaat om taalverandering zijn Nederlanders gek op een norm: zo hoort het en niet anders. Wie "hun hebben" zegt, is linguïstisch gebrandmerkt. "Mijn broer doet het beter als hem"… schandalig, ze moesten het verbieden, taalbarbarij! En dat wordt wel beweerd in zinnen waarin "zeg maar" voortdurend opduikt: "Dat is zeg maar toch geen correct Nederlands". Het lijkt erop dat taalverandering van onderen, dus vanuit de lagere sociale klasse, de mensen die "plat praten", snel wordt veroordeeld. De regen van "zeg maar" die ondertussen het Nederlands teistert blijft onopgemerkt. Die regen komt immers – zoals elke regen – van boven: de uitdrukking valt vooral te horen in het taalgebruik van de hogere sociale klasse.
Het vreemde is dat mensen soms klagen over de ontoereikendheid van de taal. Die zou niet geschikt zijn om de werkelijkheid duidelijk te omschrijven of om wezenlijke communicatie tot stand te brengen. De taal schiet tekort! Tegelijkertijd maken diezelfde mensen hun taalgebruik steeds vager door het invoeren van uitdrukkingen als "zeg maar". Dat lijkt me op zijn minst wat tegenstrijdig. Zeg maar.'

De komende dagen worden we in allerlei samenkomsten geroepen het Evangelie van de vleeswording van het Woord door te geven. Soms zoek je naar woorden om het mysterie te vertolken. Taal is ontoereikend, naar het lijkt, om het wonder recht onder woorden te brengen. Maar laten we het vooral niet onnodig vager maken dan het is. Niet voor niets heeft God het Woord vlees laten worden.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1999

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1999

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's