Rampnacht-Kerstnacht
Als ’t monument dat later zou verrijzen,
Wanneer het water weer gedaald zou zijn,
Zat ze almaar ‘Here, zegen deze spijze’
Op ’t dak te bidden, willoos, zonder pijn.
Want haar gevoel was in de zee gegleden,
Toen zij verkleumd haar kindje vallen liet,
De Geest sprak onuitsprekelijke gebeden
Op de golflengte van het rampgebied.
De winter had haar stijfgevouwen handen
Aaneengebeeldhouwd volgens Gods patroon.
Zij staarde over ’t water naar de stranden,
Waar ’t lijkje aan zou spoelen van haar zoon.
Toen God de reddingsboot langszij liet varen,
Liet zij zich vallen in Zijn open hand.
Zij kon alleen nog spreken met gebaren,
En wees wanhopig naar de overkant.
Daar zongen ze nog psalmen en gezangen,
Maar de sergeant schudde beslist van nee
Al liepen ook de tranen langs zijn wangen,
De boot was vol en niemand kon meer mee.
Toen greep de kleine vrouw in natte kleren
Hem vast en wéés en kon maar één kort woord
Uitstoten: kindje! kindje!, – zeven keren –,
Maar voor dit kind was er geen plaats aan boord.
Dit woord, waarin het leed al lag van later,
Vloog als een zeemeeuw door de duisternis.
De droefheid van die roep over het water
Is zo oneindig als het water is.
En God, die kleine kinderen liet verstijven
En liet verhongren, als de moeder bad,
Hij kon niet langer in de hemel blijven,
Hij werd een kind, dat kou en honger had.
Okke Jager
Uit: 'Worden als een Kind', Kok, Kampen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's