Boekbespreking
Postille, 51 jaargang 1999-2000, uitg. Boekencentrum, 278 pag., ƒ 49,50.
De werkgroep Kerk en Prediking levert de 51e aflevering van de jaarlijks verschijnende postille: handreiking voor de voorbereiding van de zondagse erediensten. Traditie is geworden een inleidend artikel dat op een of andere manier te maken heeft met de verkondiging van de bijbelse boodschap. Dit keer verzorgen de Leidse hoogleraren M. den Dulk en G. G. de Kruijf deze bijdrage onder het opschrift Leren preken met Augustinus. Den Dulk geeft een samenvattende parafrase van Augustinus' De doctrina Christiana IV, De Kruijf schrijft er een heldere inleiding bij en beiden geven ze na plaatsing van Augustinus' mening over de homiletiek een aantal fundamentele opmerkingen. Het interessante daarbij is dat ze ook Miskottes gedachten over dit onderwerp verwerken in aansluiting bij die van Augustinus en daarvoor uiteraard Miskottes bundel Om het levende Woord gebruiken. Wat de auteurs onder andere zien in de pogingen van Augustinus en Miskotte is, dat ze oriëntatie hebben willen geven in tijden van grote culturele omwentelingen. Was bij Miskotte de prediker, hoe dienstbaar overigens ook, toch nog dominant aanwezig in zijn profetisch tegenover de gemeente, na Miskotte is de aandacht 180 graden omgekeerd geraakt: van de prediker naar de hoorder, van de prediker naar de communicatie, van de boodschap naar het leerproces. Zo is de persoon van de prediker op een heel andere plaats komen staan.
Augustinus en Miskotte spreken ook in deze totaal veranderde homiletische situatie hun woordje nog mee op het punt van de zelfkennis van de prediker en dienst communicatieve vaardigheid. Er zijn predikers die wegkruipen achter hun ambt of boodschap én er zijn er die zelf veel te veel op de voorgrond staan, ja zelfs op de plaats van God gaan staan. Augustinus leert ons tussen deze twee polen in te gaan staan. Den Dulk en De Kruijf sluiten af met vijf aanmoedigingen:
1. Preken is praten: direct aanspreken.
2. Preken is iets zeggen over God vanuit de omgang met God:
3. Preken is iets meedelen van jezelf: het vergt durf én subtiliteit.
4. Preken veronderstelt een verborgen extase.
5. Preken is geen vrijblijvende arbeid.
De vaste Evangeliekeus voor de eerste maanden van het kalenderjaar is uit Marcus. Br zijn schetsen voor oud en nieuw, zending, trouwdienst, ziekenhuisdienst, bid- en dankdag, doop, belijdenis, avondmaal en ambtsdragers. Dr. R. Bos geeft een uitvoerige weergave van verschenen literatuur bij de preekvoorbereiding, vooral geschriften uit de Verenigde Staten. Er is de laatste jaren een opmerkelijke omslag van Duitse homiletische literatuur naar Amerikaanse, aldus dr. Bos. De medewerkers zijn weer gekozen uit de breedte van de kerken: ds. M. de Boer, dr. G. W. Marchal, ds. P. L. R. van der Spoel, ds. J. van Walsum, ds. G. H. Fredrikze, ds. W. J. Dekker, dr. A. Noordegraaf, dr. P. Oskam en vele anderen. Mijn eerste indruk bij het kennisnemen van de bijdragen is dat collega's gezorgd hebben voor verantwoord en bruikbaar materiaal bij de voorbereiding van de wekelijkse verkondiging.
Een prachtige nieuwe omslag siert deze uitgave. Niet meer de rode band, maar een waarop het paasevangelie uit Markus 16 : 3, 4 te lezen staat. Een compliment aan de ontwerp(st)er en aan de uitgever.
J. Maasland
Patrick Chatelion Counet (red.), De nieuwe priesters. Religiositeit op onverwachte plaatsen en momenten. Uitg. Meinema, 158 blz.
Ook in de rooms-katholieke kerk is grote teruggang in het kerkelijk (mee)leven. Nog maar 21% van de bevolking in ons land noemt zich anno 1996 rooms-katholiek (1966: 35%) terwijl de helft van deze 21% 'er weinig of niets meer aan doet'. Het aantal priesterroepingen liep met grote aantallen terug: van 14.000 (1965) tot 1500 (1999), van wie de meesten 50 jaar of ouder zijn. Ook de kloosters lopen leeg.
Dit boek staat lang niet in alle opzichten negatief tegenover deze ontwikkelingen, maar ziet vele nieuwe mogelijkheden. Vandaar de titel. Nieuwe priesters zijn zij die zich op andere wijze dan in het priesterambt inzetten voor de samenleving. Negen auteurs geven daarop hun visie. Prof. Edward Schillebeeckx (Katholieke Universiteit Nijmegen) nodigt de kerken uit de hand in eigen boezem te steken en af te zien van het onderscheid tussen dienaren, priesters en anderen. De theoloog Karl Derksen, lid van de dominicaanse gemeenschap in het Giordano Bruno Huis in Utrecht, pleit voor nieuwe vormen van samenleving, zoals de communebeweging, de oecumenische herbergen en de Kairos Europa-huizen, die open staan voor iedereen, ongeacht zijn of haar religieuze overtuiging. Ger Vertogen, hoogleraar theoretische natuurkunde te Nijmegen, schrijft een hoofdstuk over de verhouding natuurwetenschap en religie. Jan Eijkman (hoofdstuk 'Het evangelie ligt op straat') schrijft vanuit zijn ervaring als pastor van dak- en thuislozen in Nijmegen. De klinische psycholoog Hans Knibbe schrijft over de door hem ontwikkelde 'Zijnsgeoriënteerde therapie' en beantwoordt de vraag of psychologen, psychiaters en therapeuten de nieuwe pastors van deze tijd zijn met een voorzichtig 'ja', afhankelijk van de vraag of ze al of niet gefundeerd zijn in de dimensie van het absolute Zijn. Patrick Chatelion Counet, exegeet Nieuwe Testament (Nijmegen.), schrijft, naast het inleidende hoofdstuk, over verschillende stromingen die men zou kunnen rekenen tot de New Age Beweging en zegt o.a. zeer teleurgesteld te zijn over James Redfields boek 'De Gelestijnse Belofte': New Age is een hoop los zand dat nog altijd op zoek is naar een referentiekader, hoewel hij er ook bij zegt dat we de New Age Beweging niet moeten onderschatten. De godsdienstsocioloog Joep de Hart, die medewerker was aan het onderzoek 'God in Nederland, 1966-1996' schrijft een zeer informatief hoofdstuk over 'gabbers, rappers en headbangers', waarin we geïnformeerd worden over de gabbercultuur (house), de rap en hip-hop en heavy metal, welke uitingen van jeugdcultuur hij als een indicatie voor religieus zoekgedrag ziet. Terwijl de laatste twee hoofdstukken geschreven zijn door vrouwelijke theologen. Dr. Angela Berlis, universitair medewerkster aan het, oud-katholieke seminarie in Bonn, en prof. Catharina Halkes, em. hoogleraar Feminisme en Christendom te Nijmegen, die beiden pleiten voor wijding van vrouwen voor het priesterambt), wat naar hun menig een geestelijke verdieping en pneumatologische verrijking betekent.
Het boek biedt dus veel. Ik las het ook met veel belangstelling, wat niet wegneemt dat ik heel wat bezwaren heb. De hoofdlijn van het boek is: hoe zet je je, ten dienste van anderen, in voor vrede, vrijheid en gerechtigheid, die 'de mensen en heel de schepping tot zuster en broeder van elkaar maken' (blz. 45). Dat zijn zaken die zeker met het evangelie te maken hebben, maar dan ligt het er wel aan wat onder het evangelie verstaan wordt. Zo gaat het me te ver als gezegd wordt dat godsdiensten veeleer religieuze ervaringstradities zijn (Schillebeeckx, blz. 19) en de grote wereldgodsdiensten echte volle neven en nichten van elkaar zijn.
H. Veldhuizen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's