De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vlaamse priester op Nederlandse kansels der Reformatie (1)

Bekijk het origineel

Vlaamse priester op Nederlandse kansels der Reformatie (1)

Een eeuw geleden stierf dichter Guido Gezelle

10 minuten leestijd

Roomse priesters op reformatorische kansels: kan dat? Ik doel niet op in het geheim tot priester gewijde predikanten en ook niet op ex-priesters die protestantse voorgangers werden, maar op een volbloed rooms-katholiek, priester en (onder)pastoor, die vanaf menige kansel der Hervorming weerklonk en nog weerklinkt. Hij 'klonk' dan ook helemaal niet als een roomse geestelijke, tenminste als je de juiste teksten van hem - gedichten en gebeden - aanhaalt. Ook als men niet bepaald een vriend van het pausdom is kan men nog met sympathie die priester citeren.

We hebben het dus over de priester-dichter Guido Gezelle, nu precies een eeuw geleden in zijn geboortestadje Brugge overleden. In menig opzicht was hij ouderwets rooms-katholiek, Maria-vereerder, anti-Nederlandse en fel anti-protestantse Vlaamse strijder voor de emancipatie van Vlaanderen, taal en cultuur.
Waarom zou je in dit weekblad aandacht geven aan zo'n verre van geloofsgenoot? Wel, dat zit zo. Zonder van heulen met de Romana te worden verdacht kon je als protestant gerust uit zijn verzen putten en ze ook in de zondagse eredienst citeren. Ik bedoel dan niet z'n 'volkse' verzen als 'Boerke Naas', maar z'n 'Kleengedichtjes', z'n aangrijpende 'Gij badt op eenen berg alleen', z'n natuurlyriek ook.
En in die gemeenten die hun zangstof halen uit het Liedboek voor de Kerken kunnen ze naar hartelust een paar gezangen van Gezelle meezingen. Gezang 468 is het ontroerende 'Heer, mijn hert (= hart) is boos en schuldig, / maar Gij zijt barmhartig, en / duizendmalen meer verduldig / als dat ik boosaardig ben (...)'. Adriaan Engels componeerde er de melodie van. En wie kent niet Gezang 469, 'Het leven is: een krijgsbanier, / door goed' en kwade dagen / gescheurd, gevlekt, ontvallen schier, / kloekmoedig voorwaarts dragen!', getoonzet door Julius Röntgen. Niets in deze twee liederen verraadt dat de dichter een goed-rooms priester was, geen slap aftreksel als Huub Oosterhuis of ook Herman Verbeek.

Droevige 'kop'

Guido Gezelle, de man die ons vanaf menig portret zo in-droevig aanstaart, was een man met véle gezichten. Zo kan het gebeuren dat in dit gedenkjaar dat in Vlaanderen groots wordt gevierd - hij overleed in het West-Vlaamse Brugge op 27 november 1899, dus nu precies een eeuw geleden - tal van boeken verschijnen met en over zijn werken. Daaronder ook 'Gezelle humorist'! Dat zou je niet zeggen als je het standbeeld van Guido in zijn geboortestad Brugge bekijkt: een ernstig Vlaams gelaat, melancholiek, ietwat somber ook. Hij was priester, leraar, journalist, taal- en volkskundige, ook schrijver van veel prozawerk.
Maar ook voor kinderen schreef en dichtte Gezelle veel. Dát werk wordt nu verzameld uitgegeven als 'Een puit (= kikker) met hete pootjes', met kinderversjes als: "Rap, uit mijnen weg en / uit mijn zunne, dat ik zie: / houdt op, en laat mij werken, / of ik strale u', zei de bie'. Kortom, ieder heeft zo zijn eigen Gezelle: de flamingrant ziet in hem de voorvechter voor een van vreemde smetten vrij Vlaanderen. De orthodoxe rooms-katholiek kan hem opeisen als iemand die de leerstellingen van het pausdom onomwonden onderschreef, al lag hij om andere redenen met zijn superieuren overhoop. Geestelijk en intellectueel was hij vaak superieur aan hen. Maar een hervormer in de richting van de Reformatie was hij zeker niet.

Vlaamse reus...

In menige uiting was hij scherp antiprotestants. Taal- en volkskundigen zien in hem een voorloper en vakgenoot, die overigens een eigenzinnige Vlaamse taal en spelling creëerde waarvan hij suggereerde dat ze de 'oertaal' was, maar die hij vooral zelf geconstrueerd had. In cultureel opzicht was Gezelle een zeer groot man. Dit jaar werd en wordt hij in Vlaanderen op alle mogelijke en soms onmogelijke wijzen herdacht, gevierd, op een voetstuk geheven waarop hij wellicht zelf niet had willen staan. Hij heet o.a. 'de grootste Vlaamse poëziereus' en die term herinnert mij aan een konijn van formaat... Hij geldt als vader van de moderne Vlaamse letteren, als geestelijke vader van de Vlaamse emancipatie via zijn invloed op jongere tijdgenoten en geestverwanten als Albrecht Rodenbach, priester Hugo Verriest, zijn neef Caesar Gezelle en zovele anderen.
Wie hem in Brugge zoekt, vindt genoeg sporen van hem terug: zijn geboortehuis aan de Rolleweg dat nu geheel opgeknapt is als zijn museum, zijn standbeeld op een sfeervol Gezelle-pleintje dichtbij het Groeninge-museum, zijn geschriften in de boekwinkel en zo nog veel meer. Bij alle gedenkmanifestaties miste ik in Brugge wel specifieke aandacht voor die kanten van zijn persoon en werk die hier aan de orde komen: de priester, de (onder)pastoor, vooral de christen-dichter. Daarom kan het, zelfs kort na Hervormingsdag, geen kwaad om aandacht te vragen voor (een paar facetten van) dit boeiende leven en werk. In dit eerste artikel iets over zijn leven; de volgende keer wat over zijn (dicht)werk.

Een dichterleven

Wie wàs Gezelle? De ex-seminarist en rooms-katholiek gebleven dichter en schrijver Michel van der Plas schreef een liefst 622 pagina's tellende 'Biografie van een priester-dichter' onder de titel 'Mijnheer Gezelle'. Dat kloeke boek kan ik hier niet kort navertellen, hooguit zeer aanbevelen. Het is chronologisch opgezet, van Guido's geboorte op zaterdag 1 mei 1830 tot zijn heengaan op 27 november 1899.
Wie dat in 1998 opnieuw verschenen boek uit heeft weet veel, té veel soms, over het leven en werk van Guido, want het boek staat ook bol van citaten van en over Gezelle. En wie daarnaast de prachtige dundruk-jubileumeditie 'Guido Gezelle. Volledig dichtwerk', verzorgd door prof. dr. Jozef Boets, aanschaft is zo ongeveer helemaal bij. Maar er verschenen ook kleine, goedkope bloemlezingen uit zijn dichtwerk, zoals 'Waar zit die heldere zanger? De mooiste gedichten van Guido Gezelle', bijeengeplukt door een van zijn geestelijke nazaten, dr. Jozef Deleu.
Wie was deze veelkleurige man die op latere portretten nogal doet denken aan een andere Vlaamse priester-dichter, de enkele jaren geleden overleden Anton van Wilderode. En aan de huidige primaat van België, kardinaal Godfried Danneels van Mechelen-Brussel.
Guido Petrus Theodorus Josephus Gezelle was zoon van een fruitkweker aan de Brugse Rolleweg en van een nogal zwaarmoedige boerendochter. Hij bezocht het klein seminarie en het groot seminarie en wilde eigenlijk missionaris in Engeland worden. Aan het klein seminarie in Roeselare kwam hij wel in contact met Engelse studenten die hij moest begeleiden. Liefhebber van Engeland is hij steeds geweest, maar na zijn studies, waaronder ook wijsbegeerte en theologie (groot seminarie in Brugge) wordt hij leraar natuurlijke historie en moderne talen in Roeselare.

Missie en Romantiek

In 1854 wordt hij priester gewijd. Een paar jaar is hij, reeds vanaf zijn jonge jeugd verzamelaar en schrijver van versjes en rijmpjes, leider van de zogeheten 'poësisklasse'. Het zijn z'n 'wonderjaren' waarin hij als pedagoog vrij modern is: opvoedkundige theorieën van de Romantiek worden gecombineerd met vriendschappelijke intimiteit, ook tussen docent en leerlingen, en met beheerste strengheid. De jonge priester sticht ook een nogal vooruitstrevende eucharistiebeweging en hij is een ijveraar voor het priesterschap en voor de missie. Bekeerlingen maken is een van zijn levenstaken en dat verklaart mede, dat hij niet bepaald een vriend van andersdenkenden, zoals de protestanten, was. Die kwam hij overigens in Brugge en Roeselare toen ook weinig tegen.
Daarvoor zou hij naar de opvallende protestantse enclave in West-Vlaanderen moeten, naar (Sint-) Maria Horebeke, waar al sinds de geuzentijd der 16e eeuw een protestants gebleven nederzetting is, ook nu nog. In Roeselare ontwikkelt zich Guido's (christelijk) dichterschap zozeer, dat hij met z'n begaafdste poëziestudenten een christelijke dichterschool wil stichten die naast de verskunst een ander doel dient: de Vlaamse herleving. Die viel min of meer samen met de katholieke herleving in de Lage Landen. Het was de eeuw van de neogotiek in de kerkbouw en van de herinstelling van de bisdommen in ons land (de bekende Aprilbeweging dateert van 1853). Zijn werkomgeving ging nog uit van oude pedagogische, verstarde ideeën.
De geestdriftige romantische dichter publiceerde in deze tijd uiteenlopende bundels als 'Boodschap van de vogels en andere opgezette dieren', maar ook 'Kerkhofblommen' en de bundel met 'Vlaemsche dichtoefeningen', Gezelles literair program. Daarin stonden bekende verzen als 'O 't ruischen van het ranke riet' en 'Het schrijverke'.

Natuur en religie

Hier vinden we een van de kenmerken van dit dichterschap: de nauwe verwevenheid van natuur en religie. Soms is natuurlyriek en godsdienstige dichtkunst zó verweven dat ze min of meer één worden. Dat betekent meteen, dat we verzen die bijbelsgodsdienstig klinken niet altijd zo vroom of christelijk hoeven te interpreteren. Dezelfde woorden hoeven niet dezelfde inhoud te hebben die wij er nu in lezen. Het romantische levensgevoel der 19e eeuw moeten we in onze uitleg verdisconteren. Dat laat onverlet, dat Guido ook heel herkenbare vrome verzen heeft nagelaten. Ondertussen krijgt Guido in Roeselare in 1859 grote problemen. Zijn meest geliefde leerling Eugène van Oye, wel meer dan een dichterlijke vriend, verlaat de opleiding. Guido wordt sterk in zijn pedagogisch functioneren beperkt en moet de poësisklas laten schieten. Vóór z'n vertrek uit Roeselare stelt hij o.a. bloemlezingen van Spaanse, Italiaanse en ook Noorse auteurs samen en hij publiceert hier 'XXXIII Kleengedichtjes' (1860). Gezelle wil graag naar Engeland, de missie in. Zijn bisschop beslist anders: hij wordt in Brugge" directeur en docent aan het daar opgerichte Engels College en aan het Seminarium Anglo-Belgicum. Al snel loopt het hier verkeerd af: ordeproblemen en leerstellige moeilijkheden doordat hij sympathiseert met een door Rome veroordeelde theoloog. 

Laat eerbetoon

In 1862 verschijnt zijn 'Gedichten, gezangen en gebeden'. Dat is 'Een schetsboek voor Vlaemsche studenten'. Guido wordt weggepromoveerd tot onderpastoor (kapelaan) in Brugge en hij gaat nu de strijdbare pro-Vlaamse journalistiek in met antiliberale artikelen en satirische bijdragen. Zijn vurige betrokkenheid leidde tot gerechtelijke vervolgingen en veroordeling, maar zijn pen legt hij niet neer. Na de nodige trammelant, ook financieel, wordt Guido nu uit Brugge naar Kortrijk gestuurd om daar weer onderpastoor te worden: een ballingschap om hem van de Brugse problemen te verlossen.
Hier wordt hij steeds meer een gezien gelegenheidsdichter en lyricus. Met Hugo Verriest geeft hij zijn tot dan verzameld werk uit, hij biedt gelegenheidsverzen in 'Liederen, eerdichten et reliqua' (waarin ook 'Boerke Naas' en 'Heete pootjes' en 'Driemaal XXXIIl Kleengedichtjes'). Literair-poëtisch leeft hij op van 1880 tot 1883, dan zwijgt de lyricus tot 1890, hoewel hij ondertussen de 'Song of Hiawatha' van Longfellow 'hertaalt' en een eigen Vlaams taalkundig tijdschrift 'Loquela' sticht. Eerherstel en echte erkenning volgt vanaf omstreeks 1885; hij is dan al 55 jaar. Hij wordt eredoctor van Leuven, lid van de Kon. Vlaamse Academie, ridder in de Leopoldsorde, lid van de pauselijke orde 'Voor de Kerk en de Paus', lid ook van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, al was hij nog altijd geen vriend van Noord-Nederland dat zijn geliefde Vlaanderen 'bezet' had gehouden. In 1889 werd hij rector van een klein klooster met enkele nonnen in Kortrijk; een betaalde erebaan die hem in staat stelde te werken als dichter en schrijver. Hij bloeide opnieuw op en 'Tijdkrans' en 'Rijmsnoer om en om het jaar' waren twee 'drieluiken' poëzie. Postuum in 1901 verschenen zijn 'Laatste verzen'.

Laatste jaren

Vanaf 1897 vloeide zijn dichterader nauwelijks meer. In 1899 werd hij, bijna 69 nu, teruggehaald naar Brugge, nu als chaplain (geestelijk directeur, aalmoezenier) van de Engelse vrouwelijke kanunniken daar. In de zomer van dat jaar reisde hij opnieuw naar zijn geliefde Engeland, maar fysiek kon hij dat niet meer aan. Hij liep ook een infectieziekte op en uiteindelijk is hij aan de gevolgen daarvan op 27 november 1899 in zijn geboortestadje overleden, nog 'bediend' door zijn oomzegger en eveneens priester-dichter Caesar Gezelle (die ook een neef van Stijn Streuvels was).
In de van heel wat foto's voorziene biografie van Michel van der Plas zien we de dode dichter opgebaard: met priesterlijke stool, met rozenkrans en crucifix. Een groot man, veel verguisd, maar voor velen het symbool van het zich ontwikkelende Vlaanderen. Dat geliefde Vlaanderland 'bezorgde hem een koninklijke begrafenis', zo lees ik elders. En nu, na honderd jaren, staat datzelfde land van Brugge en Roeselare tot Kortrijk bol van herdenkmanifestaties. Of zijn christelijk dichterschap - want dat was het toch óók - daar nu nog echt begrepen en gewaardeerd wordt is de vraag. Toch is zijn oeuvre het waard. Dat zullen we in een volgend artikel bekijken.

Apeldoorn          H. H. J. van As

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Vlaamse priester op Nederlandse kansels der Reformatie (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's