De kerk verscheurd - de samenleving onsamenhangend
De kerk in de samenleving
Op dinsdag 24 december jl. werd in Nijkerk weer de jaarlijkse ontmoetingsdag gehouden van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond met studenten in de theologie. 's Morgens refereerde dr. W. Verboom over het thema 'De Christologie', 's middags waren er twee korte referaten, van ds. G. D. Kamphuis over 'Het ambt' en van ondergetekende over 'Kerk en samenleving'. In alle drie de referaten werd het thema behandeld vanuit het gereformeerd belijden en gehouden tegen het licht van de ontwikkelingen vandaag. Bijgaand staat de lezing van ondergetekende afgedrukt. v. d. G.
Inleiding
Als we vandaag spreken over de verhouding van kerk en samenleving, kan ik in kort tijdsbestek niet meer dan enkele grove houtskoollijnen trekken. Het ontbreken van nuanceringen is daarbij hier en daar onvermijdelijk. Is die verhouding tussen kerk en samenleving er eigenlijk nog wel? En over welke kerk spreken we dan, gezien de grote verdeeldheid en gescheurdheid. En welke samenleving bedoelen we, is die nog wel te definiëren? Ik probeer van beide enkele typeringen te geven.
Samenleving
Is onze samenleving nog echt een samenleving? De tijd van vroeger, die van het gezelschappelijke, het coöperatieve en gemeenschappelijke leven, is voorbij. Nog niet zo heel lang geleden werd in de dorpen het straatbeeld nog bepaald door mensen, die koutend op hun bankje voor het huis ook het praatje aangingen met anderen uit de buurt. Vandaag weet men vaak niet meer wie enkele huizen verder woont. En liep men vroeger in bepaalde wijken of buurten van de grote steden nog te hoop voor een gemeenschappelijk sociaal doel of vanwege een sociale misstand, vandaag zoekt men dat gemeenschappelijke tevergeefs. Mensen duiken, zodra ze thuis komen van hun werk, met een venstertje in een hoekje. Wel heeft ieder zo zijn of haar eigen ideeën over de samenleving vandaag, maar dan individueel. Het leven is gefragmentariseerd en zelfs geïndividualiseerd.
Er is in onze samenleving geen echte cohesie, geen onderliggende, samenhangende visie meer. Het historisch besef is zo goed als weg. Onze gemeenschappelijke geschiedenis is daarom niet meer een bindend ferment. De samenleving is zelfs multicultureel geworden. Dat versterkt nog de teloorgang van (een beroep op) het historisch besef.
***
De samenleving is vooral ook ont-kerstend, geseculariseerd, onttrokken aan kerk en God. Dat betekent, dat waarden en normen, die enkele eeuwen lang breed maatschappelijk vanuit het Evangelie werden gedragen, ook niet meer een samenbindende functie hebben. Ongeveer dertig jaar geleden zei de liberaal mr. P. J. Oud, burgemeester van Rotterdam, dat op de tweede tafel van de Tien Geboden de hele politiek te baseren viel. Zelfs dat besef is weg.
Bovendien hebben alle emancipatiebewegingen zo ongeveer het hunne bereikt, zodat er ook weinig meer overblijft om voor te vechten. Wat resteert is de verlustiging in de vette koe van een ongekende welvaart, die tevens de magere koe van de geestelijke volksgezondheid is, gevoed door een economie-van-het-nooit-genoeg.
***
De teloorgang van de samenhang in de samenleving manifesteert zich uiteraard in de politiek. Recent heeft drs. J. Pronk, minister van milieu en nog één van de (christen-)socialisten van het zuiverste water, daarom betoogd, dat er geen poltieke partijen meer zijn, afgezien van enkele kleine: de kleine christelijke partijen en de Socialistische Partij. De grote partijen worden - zei hij - nog door een 500-tal bobo's bepaald maar er lopen geen leden meer voor warm. Alle partijen zijn het verzadigingspunt van hun idealen gepasseerd. De PvdA is losgeslagen van haar socialistische ankers, de VVD van haar liberale ankers en het CDA van zijn evangelische ankers. Ziel-loosheid is het gemeenschappelijke kenmerk. De politieke polarisatie is weg. Men kan met elkaar stuivertje wisselen als het om met-elkaar-regeren gaat. En paars is de mengkleur. Coalitie zonder cohesie. Alleen de kleine christelijke partijen zijn nog partijen. Hier moeten we echter over klein in meervoud spreken. Iedere partij voor zich is het product van kerkelijke gescheurdheid. Kortom, een samenleving zonder nationale samenhang.
Functieverlies van de kerk
Over de verdeeldheid en verscheurdheid van de kerk valt niet veel origineels meer te zeggen. Ook hier zet de fragmentatie, gegeven de individualisering van de samenleving, door. Het onderzoek 'Vindplaatsen van geloof en levensbeschouwing' dat recent in opdracht van de SoW-kerken door de godsdienstsocioloog Gert de Jong is verricht, bracht aan het licht, dat 'gelovige mensen' vandaag zelf wel bepalen 'wat en hoe ze geloven' en dat kerkmensen 'niet meer zijn in te delen'. Dat houdt in, dat de kerk als landelijk instituut meer en meer haar functie verliest en dat, waar de kerk nog wel 'vindplaats van geloof' is, dit het geval is in de plaatselijke gemeente. In zo'n tijd kerken verenigen is niet gemeenschapsbevorderend. Het mag dan ook schokkend heten, dat uit een gelijktijdig gepubliceerd NIPO-onderzoek bleek, dat de leden van de SoW-kerken zelf nauwelijks weten wat Samen op Weg inhoudt: slechts 17 procent van alle hervormden wist met welke andere kerken de eigen kerk samenging. Van de Nederlanders hebben slecht drie op de tien weet van het SoW-proces, vijf procent weet om welke kerken het gaat.
***
De conclusie uit de onderzoeken is, dat de kerk 'een eiland' in de samenleving is geworden. Kerk en samenleving zijn gescheiden grootheden. We schrikken niet meer van de cijfers. Maar we staan toch nog weer met de ogen te knipperen als we lezen, dat bijvoorbeeld in Amsterdam het aantal hervormden van 100.000 nog niet zo lang geleden, terug is gelopen tot 25.000 nu.
Dit alles betekent intussen tevens, dat in ons land de kerk als niet méér dan een maatschappelijk verschijnsel wordt beschouwd, vergelijkbaar met andere maatschappelijke verenigingen of instituten. Er is dan ook in ons land al geen vermoeden meer van het feit, dat ooit ons Gemenebest is ontstaan in de worsteling om de kerk en dat kerk en staat een twee-eenheid vormden, een ellips met kerk en staat als brandpunten, waaromheen zich het gehele geordende leven voltrok (A. A. van Ruler).
***
Het functieverlies van de kerk in de samenleving lijkt compleet. Ik zeg 'lijkt', want nochtans klinkt uit de samenleving van tijd tot tijd het geluid, dat de kerk de aansluiting bij de samenleving heeft gemist. Is er dan aan die aansluiting toch latente behoefte?
Grote woorden
We hebben op het functieverlies van de kerk iets bedacht. 'De tijd van de grote woorden is voorbij', heet het nu. Het is maar de vraag of dat mag worden gezegd. De tijd van bepaalde grote kerkelijke idealen is voorbij, dat wel. Eén van de drie aspecten van het hervormde apostolaat, zoals dat in artikel VIII van de kerkorde is verwoord, is dat de kerk zich 'in verwachting van het Koninkrijk Gods, in de arbeid der kerstening tot overheid en volk (wendt), om het leven naar Gods beloften en geboden in te richten'. Een hoog ideaal. Echter niet dat ideáál was te hoog maar de vormgeving was te hoog en de verwachting te triomfantelijk. Doordat bovendien het apostolaat niet door het belijden was gestempeld maar integendeel juist het belijden zou dienen te bepalen (apostolaat vóór belijden) is het schip van het apostolaat uiteindelijk vastgelopen.
De theologie achter het apostolaat werd meer en meer binnenwereldlijk en binnentijdelijk. Het liep hier en daar zelfs uit op verzwagering met ideologieën. Wijlen ds. L. Kievit zei, bij de behandeling van de hervormde kerkorde van 1951, dat beslissend bij het apostolaat is of men de kerk slechts ziet als 'instrument van het handelen Gods in deze wereld' of als 'woonstede Gods door de Heilige Geest' (Ef. 2 : 22). Doordat alles in het apostolaat werd gezet op de kaart van het 'beweeglijke' ontstond het beeld van een karavaan op doortocht ('kerk onderweg'), die de hele wereld wel achter zich zou krijgen maar zo uiteindelijk in de modder van de wereld bleef steken. De berg van de 'herkerstening', zei prof. dr. H. Berkhof, baarde uiteindelijk de muis van 'een bijdrage' aan de samenleving.
In de zeventiger jaren, de tijd van de revolutietheologie, waartegen in de kerk krachtdadig werd geprotesteerd in een Open Brief (1968) en een Getuigenis (1971), kondigde zich uiteindelijk het faillissement aan van het apostolaat, zoals zich dat institutioneel in de Hervormde Kerk had ontwikkeld.
***
De tijd van de grote woorden, zoals ze in 1951 werden gesproken, is inderdaad voorbij. De kerk komt nu nauwelijks nog aan spreken toe. Een boodschap met betrekking tot normen en waarden in onze samenleving, die enkele jaren geleden door het hervormd moderamen aan het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond werd toegezegd, is tot heden uitgebleven en zal, naar het zich laat aanzien, ook uitblijven, vanwege fundamentele verschillen van inzichten in de SoW-kerken, al was het alleen maar tussen hervormd en gereformeerd. En als de kerk er nog wèl toe komt om publiekelijk een woord te spreken, is het de vraag of het Hoge Woord er inderdaad uitkomt. Toen enkele maanden geleden grote onrust in de samenleving ontstond vanwege wetsvoorstellen van de regering inzake abortus, euthansasie en homohuwelijk, bleek het niet mogelijk te zijn, dat het triomoderamen aansloot bìj of zelf kwam tót een oproep voor het houden van een bidstond vanwege de nood van de tijd., Dagblad Trouw herinnerde er fijntjes aan, dat in de eigen boodschap van de kerken in deze - met op zich overigens enkele te waarderen richtlijnen - slechts één keer de Naam van God werd genoemd. De impasse, die is ontstaan in het apostolaat, houdt van de weeromstuit in, dat de kerk er nu maar helemaal het zwijgen toe is gaan doen.
Het Hoge Woord
We mogen echter met het badwater van ontspoord apostolaat niet het kind van het apostolaat zelf wegwerpen. In de naoorlogse jaren ontwikkelde zich ook een aan de Schrift ontleende visie op het Koninkrijk Gods, die de achtergrond vormde van het apostolaat. Bij dr. K. H. Miskotte liep deze visie uit op de Doorbraakgedachte - met daarin het Gebot der Stunde - , bij prof. dr. A. A. van Ruler was deze visie in lijn met de theocratische gedachte. De lijn van Miskotte won. De lijn van Van Ruler zouden we echter ook vandaag willen doortrekken: God regeert in Christus deze wereld. Theocratie, toegespitst in de christocratie.
De Schrift is vol van 'het Koninkrijk Gods', de gereformeerde belijdenis minder. Vandaar dat prof. dr. J. Severijn, in die jaren voorzitter van de Gereformeerde Bond, van oordeel was dat, als de gereformeerde belijdenis om actuele uitbreiding vroeg, dit op het punt van het Koninkrijk Gods zou kunnen zijn. Christus Zelf spreekt over de noodzakelijke prediking van het Evangelie van het Koninkrijk (Lukas 8 : 1; zie ook Hand. 8 : 12). 'Christus de zin der geschiedenis', luidt de titel van een boek van prof. dr. H. Berkhof. Het kruis, waaraan Christus het handschrift dat tegen ons was uitwiste en waarop hij de machten in het openbaar ten toon stelde, heeft niet in de hemel gestaan, maar stond in het centrum van de wereld, Jeruzalem. Christus is niet alleen het Hoofd van Zijn gemeente, Koning der Kerk, maar ook Heere van de wereld, Kurios. En daarom is het Evangelie niet alleen binnenkerkelijk gericht. En het Koninkrijk valt niet samen met de kerk.
Soms wordt tegengeworpen, dat Christus Zelf heeft gezegd, dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is. Dat heeft Hij inderdaad gezegd. Zijn koninkrijk is niet naar de schema's van de wereld. Maar het is niet buitenwereldlijk. Jezus zegt ook van Zijn discipelen, dat ze niet van deze wereld zijn (Joh. 15 : 19). Nochtans leefden ze in de wereld en werden ze met volmacht door Christus Zelf de wereld ingezonden, allereerst naar de steden, de brandhaarden van de wereld en de cultuur.
***
Het Christusgetuigenis in de samenleving is niet afhankelijk van meerderheid of minderheid. Het is de erfenis van de verzuiling geweest, dat deze gedachte soms is gaan postvatten. De apostelen trokken als eenlingen de voor-christelijke wereld in, zonder christelijke organisaties in de rug. Paulus stond alleen op de Areopagus. Het was dr. Ph. J. Hoedemaker, die het uitgangspunt van Abraham Kuyper, in een te bereiken meerderheid van christenen in de samenleving, radicaal heeft afgewezen. Het ging - zei hij - niet om de meerderheid van kiezers maar om de autoriteit van het Woord. Naarmate christenen meer in een minderheidspositie geraken, wordt de noodzaak van het profetisch getuigenis van de kerk naar volk en overheid toe te pregnanter. Dan is haar roeping in het licht van de theocratie nog zwaarwegender. Theocratie niet bedoeld als een politiek systeem maar als een geloofsbelijdenis. Mij dunkt, dat we in deze tijd, waarin we nog wel flauwe beseffen aangaande 'een God' leven in de samenleving aantreffen, het getuigenis aangaande Christus te krachtiger zullen moeten laten horen. Tegelijkertijd heeft de kerk dat te doen in het kleed van de ootmoed, beseffend hoe de grondnoties van het Evangelie uit het volksleven zijn verdwenen. Maar het getuigenis aangaande Christus is onopgeefbaar. De God, die we belijden, is de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. De heerschappij over deze wereld heeft de Vader in Zijn handen gelegd. Pas aan het eind der tijden zal Christus het Koninkrijk in de handen van de Vader teruggeven. Theocratie is Christocratie, Het gaat in het getuigenis van de kerk om Zijn gerechtigheid (Christus heet Zon der gerechtigheid) en om Zijn barmhartigheid (Hij is Barmhartige Hogepriester).
In de laatst op gang gekomen grootschalige actie naar volk en overheid toe van onderscheiden kerken, gemeenten en instanties met betrekking tot de voorstellen van de paarse regering, was het christocratische element naar mijn waarneming te weinig, zelfs spaarzaam aanwezig. We spreken niet over God maar over God-in-Christus.
Roeping
Ik zal de korte tijd, die mij nu ter beschikking staat, niet verder gebruiken voor theoretische of analytische beschouwingen in deze. Ik wil ter afsluiting nog slechts enkele opmerkingen maken over de roeping binnen de plaatselijke gemeente ten aanzien van de samenleving. Ik trek daarvoor een viertal lijnen.
1. De profetische roeping moet niet alleen worden beklemtoond naar de kerk toe maar ook naar de gemeente toe. Waar het Woord is, is de kerk. Dat geldt allereerst de plaatselijke gemeente. Wordt vanuit de gemeente nog gezocht of voldóénde gezocht naar plekken of momenten in de samenleving, waar Wet en Evangelie moeten worden geactualiseerd? Misschien moeten kerkenraden vandaag daarom meer in praktijk brengen wat prof. Van Ruler deed in zijn eerste gemeente Kubaard. Van tijd tot tijd bezocht hij de vergaderingen van de gemeenteraad. Hij bad elke zondag voor de gemeenteraad en wilde ook zien wat men ervan terecht bracht.
2. De prediking mag niet verworden tot politieke prediking. Prof. dr. N. T. Bakker, die zelf mede stuwing heeft gegeven aan de binnenwereldlijke theologie in de zeventiger jaren - een theologie, die zelfs marxistisch van aard was - zei bij zijn afscheid als hoogleraar in Amsterdam, dat hij in die jaren, met andere voortrekkers, het persoonlijke element had verwaarloosd. 'Het menselijke tekort werd niet aux seriex genomen, en de roep om bevrijding ging vaak ten koste van zicht op de Bevrijder zelf. Wat vooral verwaarloosd werd, was de persoonlijke aandacht voor de medemens, het pastoraat.' En, zei hij, de komst van het Rijk Gods op aarde heeft ook een persoonlijke dimensie, 'noem het bekering'. Dat is, zou ik willen zeggen, de reden dat, toen er in de samenleving weer allerwegen aandacht kwam voor het individu en daarbij voor de ervaring, de (apostolaats)theologie met lege handen stond en staat.
Maar we mogen niet naar het andere uiterste de klepel laten doorslaan. Prediking dient persoonlijk gericht te zijn. Maar het gaat in de Schrift ook om meer: om Gods heerschappij en daarin om het welzijn van de volkeren en de steden. De psalmen en de profeten zijn daar ook vol van. Daarom gaat het in de prediking ook om hen, die niet in de kerk zitten, om de Civitas Dei, om de stad rondom het kerkplein, om de wereld, waarin de kerk haar getuigenis laat horen. Van een concretisering van de boodschap, in het getuigenis van de overwinning van Christus op de machten, zal de gemeente ophoren. Ze zal er ook door worden bemoedigd. Het persoonlijke element wordt dan meegenomen in het getuigenis aangaande de heerlijkheid van Christus en Zijn uiteindelijke triomf. Prediking kan ook te verengd individualistisch worden. Prediking zal ook woord voor de tijd zijn.
3. Ik noemde de individualisering van de samenleving. Gegeven die individualisering is er in de samenleving dan ook sprake van hoogst individuele nood. In een interview met Hervormd Nederland zei Neêrlands meest profane volksprediker, Yoep van 't Hek, dat hij in zijn shows vaak over de dood spreekt. Want de dood is 'de enige absolute menselijke waarheid.' Mensen doen vlak voor hun dood nog een beroep op hem om troost te vinden, terwijl, zegt hij, 'ik dan ook niets te zeggen heb'. Als mensen als hij dan niets te zeggen hebben, heeft de gemeente van Christus toch een woord-op-z'n-tijd?! Waarom komt de kerk er dan niet meer binnen?
***
Er is altijd al gesproken over latente verlangens naar geestelijke geborgenheid in de samenleving. Soms wordt gesproken van latent geloof. Dat zeg ik, dat zeggen we zo niet mee. Niet alle religiositeit is geloof. Maar het verlangen naar geborgenheid, naar vulling van geestelijke leegte, mag voor de kerk, liever mag voor de gemeente een roep zijn: kom over en help ons. Als nu vandaag de kerk in ons land of de kerkelijke gemeente in een stad of dorp aangeduid wordt als eiland, dan zal ze toch tevens bruggehoofd moeten zijn om de geestelijk vervreemde mens te bereiken; een bruggehoofd naar de eilandjes in de samenleving.
Onze meer en meer geseculariseerde tijd heeft behoefte aan creativiteit binnen de gemeente, om laagdrempeligheid te scheppen naar de moderne mens toe, die tast in het duister en, vanwege de gescheurdheid van de kerk, letterlijk niet weet waar hij of zij het zoeken moet. Om mensen, die wetend of onwetend in grenssituatie leven bij te lichten.
We zien vandaag helaas ook terugtrekking van de gemeente in het klooster van afgezonderde instituten, soms met daarbij behorend habijt. Maar als vanuit de gemeente het licht niet meer schijnt naar de samenleving toe, vanwaar dan nog wel?
4. Dat brengt me op het laatste, het diaconaat. Het diaconaat richt zich allereerst op de huisgenoten des geloofs, maar verder ook op allen: doe wel aan alle mensen! In het diaconaat toont de kerk, toont de gemeente de uitgestoken hand van Christus naar verlorenen en ellendigen. Als mensen vandaag in onze geseculariseerde samenleving geen notie meer hebben van wat de kerk naar haar wezen is, worden ze toch altijd nog aangesproken door die uitgestoken hand: 'waarom doen jullie dat?' Met het diaconaat wil de kerk geen rijstchristendom kweken, dat wil zeggen: niet langs de weg van bedéling mensen de kerk binnentrekken.
In het diaconaat toont de kerk de barmhartigheid en de gerechtigheid van Christus, die bewogenheid had om de schare. De gemeente draagt dan ook in de voetsporen van de Meester bij in de geestelijke en stoffelijke noden in de wereld. De schreeuw van de armen en het kreunen van de onderdrukten klimt op tot in de oren van de Heere Zebaoth (Jak. 5). Ook in die noden kwam de lijdende Knecht des Heeren staan. En daarom mag het kerkelijk en gemeentelijk dienstbetoon een geheel eigen kanaal zijn, waardoor de gemeente levend water laat stromen in de samenleving, geestelijk en sociaal. En wat het sociale betreft: zowel met betrekking tot de barmhartigheid als met betrekking tot de gerechtigheid. Ook daarin komt het Christusgetuigenis tot Zijn recht.
***
Ik citeer hier ter afsluiting Walther Luthi uit zijn 'De zeven gesprekken van Maleachi' bij de tekst, waarin de profeet spreekt over de dag, die komt brandende als een oven (Mal. 4 : 1). Die dag is allereerst de eerste komst van Christus - zegt hij - die uitloopt op Goede Vrijdag, op Golgotha, waar het gericht zich voltrekt, waar het oordeel van God over de schuld van ons mensen gaat over de Gekruisigde. Maar over deze dag heen licht òp de tweede dag, de dag van Christus' wederkomst.
'Tot op die dag zal er nog heel wat water door de Rijn stromen, zullen er vele tranen gestort worden, zal er nog veel bloed vergoten worden. Dat wil zeggen: de schare van de verlosten zal nog menigmaal reden hebben om over aangedaan onrecht verdriet te hebben. Om te hongeren en te dorsten naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.
De kerk van de Gekruisigde zal gedurende deze wachttijd een advocaat en beschermer zijn voor weduwen en wezen, voor vreemdelingen en dagloners. En zou ze zelf daardoor smaad en schande te verduren krijgen, en onrecht moeten lijden, dan zal zij zich in onderscheiding van de moedeloze tijdgenoten van Maleachi, volstrekt niet beklagen. Ze zal er zich niet eens over verbazen, alsof haar iets vreemds overkwam. Ze zal getroost weten, dat het als het ware zo in orde is. Zo hoort ze geheel en al bij de Man van smarten en mag zij onder de bescherming en in de schaduw van de Gekruisigde reeds een klein beetje kruis dragen en lijden. Op deze manier gaat zij met heel de mensheid door de duistere nacht, die nog loodzwaar over de aarde ligt, maar ze weet: de nacht is voorbijgegaan, de dag is nabijgekomen, dè Dag. Het zal tenslotte niet nacht zijn, maar DAG!'
Mij dunkt een goed woord ter afsluiting van een millennium, bij de ingang van een nieuwe eeuw en een nieuw millennium. De kerk is er niet voor haarzelf maar voor haar Heere, in de branding van de tijd.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's