De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Omzien naar de zuil

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Omzien naar de zuil

10 minuten leestijd

In de afgelopen tijd verschenen verschillende boeken, waarin een terugblik wordt gegeven op organisaties binnen de protestants christelijke zuil in ons land en de teloorgang ervan, hetzij door letterlijke verdwijning, hetzij door verlies van de oorspronkelijke identiteit. Er wordt in verschillende publicaties de laatste tijd nog een keer naar de zuil omgezien. We laten hier kort een impressie van een drietal publicaties volgen.

Trouw

Op 16 november l.l. promoveerde aan de faculteit der sociaal-culturele wetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam, de heer Pieter Bak op een proefschrift getiteld: 'Een 'meneer' van een krant. Trouw en Bruins Slot 1943-1968'. In dit boek worden de eerste 25 jaar uit het bestaan van dagblad Trouw weergegeven (1943-1968); een periode waarin Trouw bijna geheel onder leiding stond van dr. J. A. H. J. S. Bruins Slot. Deze combineerde van 1946 tot 1963 die functie met het lidmaatschap van de Tweede Kamer voor de Antirevolutionaire Partij (ARP). In die jaren was Trouw dan ook 'een antirevolutionair dagblad', tot teleurstelling van hen, die de verzetskrant uit de Tweede Wereldoorlog graag hadden zien worden tot een krant van 'christelijk nationale signatuur'. Trouw was in de omslagjaren ontstaan, mede op initiatief van Gesina van der Molen, die na gevangenschap op principiële gronden brak met Vrij Nederland.
Tijdens de Indonesië-kwestie stond Trouw pal voor 'ons gezag in Indië', tot aan de soevereiniteitsoverdracht in 1949 toe. In de vijftiger jaren keerde Trouw zich principieel tegen de PvdA, de partij die werd aangemerkt als gevolg van 'de ramp van de doorbraak'. Trouw nam toen b.v. ook duidelijk stelling in de Hardegarijpse kwestie, toen daar een aanvraag tot vorming van een Christelijke lagere school werd afgewezen en G. G. van Niftrik zijn vermaarde, alom binnen 'de zuil' gekritiseerde rede hield 'Hardegarijp een teken'. In de zestiger jaren kwam de 'ommezwaai', van Bruins Slot in de Nieuw-Guineakwestie: 'Onverkort vasthouden aan het zelfbeschikkingsrecht van de papoea's, wat niet weinigen in de antirevolutionaire kring wilden, was volgens hem onverantwoord en niet reëel' (p. 287). Daarna koos Bruins Slot voor Trouw en beëindigde hij zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer voor de ARP. Daarna werd Trouw een 'open krant', die 'in de maalstroom van de ontzuiling' een eigen koers ging varen.
Al eerder had Trouw ook opening gegeven aan nieuwe visies binnen de VU (o.a. aan de gedachten van dr. J. Lever over de evolutietheorie). Daarna werden ook thema's als zondagsheiliging en de gereformeerde zede ter discussie gesteld of aan kritiek blootgesteld. In een paginagroot artikel over zondagsheiliging in 1960 was van de 'acht min of meer vooraanstaande protestanten', die een bijdrage leverden, prof. dr. W. Kremer (Chr. Geref.) de enige die 'het vierde sabbatsgebod huldigde' en 'de zondagse recreatie verwierp'.
Uiteindelijk ging Trouw samen met het 'Rotterdammer-kwartet', wat in de praktijk betekende, dat Trouw dit kwartet qua identiteit opslokte.

Trouw werd een 'linkse' krant, 'volkomen zelfstandig en niet gebonden aan enige politieke organisatie', door Bruins Slot zelf getypeerd als 'evangelisch progressief'. Orthodoxe kwartetlezers liepen massaal weg. 'Van de opzeggers zocht het merendeel zijn heil bij het Reformatorisch Dag blad, dat in 1973, twee jaar na de oprichting, al rond de 30.000 abonnees telde.' Drs. J. Greven, tot voor kort hoofdredacteur, zei: 'Het predicaat christelijk, als iets specifieks van Trouw, moet verdwijnen. We moeten de andere kwaliteiten van de krant meer onder de aandacht brengen'. Einde verhaal van een krant, die met een duidelijk christelijke identiteit begon. De identiteit ging teloor.

ARP

Op 11 november l.l. promoveerde aan de faculteit der letteren van de VU te Amsterdam, Jan-Jaap van den Berg, op een proefschrift, getiteld 'Deining - koers en karakter van de ARP ter discussie, 1956-1970' . Vóór de Tweede Wereldoorlog had de Anti Revolutionaire Partij zich onder aanvoering van H. Colijn 'genesteld aan het roer van het schip van de staat'. Na de oorlog braken volgens de auteur 'zeven magere jaren' aan, toen de partij werd geleid door Jan Schouten en 'vooralsnog' vasthield aan de traditionele Kuyperiaanse beginselen. Bij de kabinetsdeelname in 1952 bleek, dat een moderne stroming veld won. Van die moderne stroming was 'de pragmaticus' J. Zijlstra - in 1967 even premier - het boegbeeld.
In het begin van de zestiger jaren kwam er ook een 'evangelisch-radicale stroming' onder leiding van J. A. H. J. S. Bruins Slot en W. P. Berghuis (fractieleider en partijvoorzitter). Sommigen gingen spreken van de ARP als 'revolutionair actiecentrum'. In die jaren profileerden zich ook de verontrusten.
In dit boek wordt het debat gereconstrueerd, dat 'traditionele, moderne en radicale antirevolutionairen' in de jaren 1956-1970 voerden over de politieke koers van de ARP.
Het terugtreden van Jan Schouten in 1956 wordt als 'het einde van een tijdperk' aangemerkt. Met Berghuis als gekozen voorzitter en Zijlstra als lijsttrekker brak een nieuw tijdperk aan. Bij de verkiezingen verloor de partij toen echter twee zetels. De 'verontrusting' werd toen verwoord in Anti Revolutionaire Staatkunde, onder het motto 'Waarom hebben wij verloren?' (men leze hiervoor het uitgebreide citaat in Globaal bekeken van 6 januari l.l.).

Rondom 1959 doet zich een kwestie voor, die de hervormd-gereformeerde stroming in de ARP diep raakte. Ds. J. Fokkema, predikant-lid van de Gereformeerde Bond, was kamerlid. Hoewel de ARP gedomineerd werd door de gereformeerden, had de partij ook een behoorlijke aanhang binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken en 'vooral onder de orthodoxe hervormden behorende tot de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk'. Bij de verkiezingen was daarom het doel een 'zo veelkleurig mogelijke' kandidatenlijst samen te stellen. In 1959 verdwenen echter de 66-jarige ds. Fokkema en de even oude christelijke gereformeerde ds. C. Zaal van de lijst, 'terwijl (mr.) Roosjen, die slechts een jaar jonger was, wél opnieuw kandidaat werd gesteld'. De heer J. Smallenbroek maakte toen de niet erg tactische opmerking 'dat de positie van alle kamerleden niet dezelfde is'. Ds. Fokkema bleef ageren, 'met toenemende steun van zijn hervormd gereformeerde achterban'.
Later besefte het partijbestuur pas echt welke reacties het laten vallen van Fokkema bij de hervormd gereformeerde stroming had veroorzaakt. Toen vroeg voorzitter Berghuis zich af 'of het daarom niet beter was om Aantjes als hervormd gereformeerde kandidaat enkele plaatsen te laten stijgen'. De bezwaren reikten echter verder dan de afgewezen kandidatuur van Fokkema. Ze waren theologisch getint: 'De ARP dreigde te veel synodaal gereformeerd te worden' en te vriendelijk voor Rome. En de Gereformeerde Kerken schoven op in de richting van de hervormde midden-orthodoxie.

Feit is, dat het naamregister achterin het boek overwegend de namen van (bekende) gereformeerden (en dan vele malen geciteerd) bevat (H. Algra, W. P. Berghuis, J. A. H. J. S. Bruins Slot, I. A. Diepenhorst, W. F. de Gaay Fortman, J. Smallenbroek, J. Zijlstra), terwijl hervormd gereformeerden slechts in de marge worden genoemd - (L. F. Duymaer van Twist 1 x, H. Jonker 1 x, P. M. van Galen 1 x, J. W. Ooms 1 x, J. Seyerijn 1 x). De naam van W. Aantjes komt meer voor maar deze zou later van de GB afhaken.

Hoewel de GB van huis uit antirevolutionair was, blijkt uit dit boek, dat de invloed van de hervormd gereformeerden in de zestiger jaren (al of nog slechts) marginaal was en ook nog omstreden.
In de jaren 1959-1962 ontwikkelde zich 'een dynamische en mondiale christelijke politiek'. In de jaren 1961-1964 was er de 'ommezwaai' van Bruins Slot en Berghuis. Daarom opponeerde het Friese Eerste Kamerlid H. Algra tegen 'de topleiding' en organiseerden 'de verontrusten' zich. Bruins Slot schreef toen zijn boekje 'Kleine partij in grote wereld'.
De jongerenorganisatie ARJOS radicaliseerde en tussen 1964 en 1967 profileerde de ARP zich als 'evangelisch-radicale volkspartij'. Uiteindelijk zou de ARP opgaan in het CDA, waar het 'evangelisch radicale' overigens niet die vorm zou krijgen, die progressieve antirevolutionairen hadden gehoopt.
De auteur besluit zijn boek met de woorden: 'De agitatie van traditionelen en radicalen laat onverlet, dat de politieke ontwikkeling van de ARP in de naoorlogse decennia toch in de eerste plaats valt te karakteriseren als een verschuiving van het zwaartepunt van traditie naar modernpragmatisme'.

Ook hier kwam het einde van de zuil, die met zoveel kracht door Kuyper c.s. was geprofileerd. De traditionele denkrichting (de latere 'verontrusten') stelde zich op het standpunt, dat, 'desnoods diametraal tegen "de geest der eeuw" in, moest worden vastgehouden aan de oude (neo-)calvinistische beginselen'. Die traditionele denkwijze werd aangevochten en verloor haar dominantie.

NCRV

Het derde geschrift is van de hand van Auke van Nijen en draagt als titel 'Zal er na 2000 een christelijke organisatie zijn?' Na de bloeiperiode van de verzuiling is er vanaf het midden van de zestiger jaren in hoog tempo veel veranderd rond de christelijke organisaties in Nederland, zegt de auteur. De NCRV wordt als testcase genomen. Dit boek gaat er overigens vanuit, dat verlies van de zuil winst kan betekenen. Na een analyse van de identiteitsgeschiedenis van de NCRV, wordt een beeld geschetst van wat 'cultuur en christendom' voor elkaar kunnen betekenen. Op dit laatste willen we hier niet ingaan. Het verschijnsel 'cultuurchristendom' hebben we hier vaker kritisch doorlicht. We achten het het restant te zijn van de teloorgang van de protestants christelijke zuil.

In 1924, bij de oprichting van de NCRV, was het motto 'Bouw de zuilen op'. De gestalte en het gehalte van de NCRV-identiteit logen er niet om. Vijfentwintig jaar later was het motto 'restaureer de zuilen'. Bij het 50-jarig bestaan in 1974 gold 'Breek de zuilen af'. En bij 75 jaar NCRV in 1999 moest worden gezegd 'Naar uw tenten, o Israël'.
We zien hier dezelfde ontwikkelingen als bij de ARP en Trouw. Ze hebben veel, zo niet alles te maken met de theologische ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken, waar de zuil haar basis had. Bij het 50-jarig jubileum in 1974 wilde de NCRV bij luisteraars én kijkers belangstelling stimuleren voor 'cultuur en wereld'. Dan verandert de koers 'fundamenteel'. De NCRV gaat zich in de wereld begeven maar beseft dan nog niet wat het in die veranderde situatie betekent 'niet van de wereld te zijn'. De tijd zou het leren.
In het slot van het boek gaat de auteur, zelf parttime NCRV-pastor, in op 'Het christendom rond het jaar 2000'. Onder het kopje 'Verzoening' komt uit een preek van hem over 2 Kor. 5 : 19 de klassieke leer van de Heidelberger (vr. en antw. 12 t/m 19) aan de orde. Volgens de auteur is deze opvatting 'volstrekt niet in overeenstemming met de Schrift'. Daar is geen woord Frans bij. In zulke kwalificaties ligt naar onze overtuiging de kernoorzaak van de teloorgang van de zuil.

EO's Andries Knevel is ook aan het woord in dit geschrift. Ook de EO wil vandaag midden in de cultuur staan, zegt hij, en 'ondergaat daarvan uiteraard ook de invloed'. Maar in die spanningsvolle situatie 'wil de EO onbekommerd en organisch voor zijn overtuiging uitkomen, namelijk: God ter sprake brengen in de communicatie'.
De EO is intussen de grootste van de zendgemachtigden. Staan midden in cultuur en wereld is roeping, maar ook vuurgevaarlijk. Dat leert de ontwikkeling bij de NCRV, zoals ook bij andere onderdelen van de zuil. Alleen op een stevig fundament blijft een huis staande bij storm en beving.

Onttakeld

Ik las bovengenoemde publicaties met grote betrokkenheid. Van 'de zuil' op zich mocht men geen reformatie verwachten van het volksleven. Het gaat om het getuigenis naar het hele volk.
Er is vanwege de zuilvorming ook sprake geweest van het leegzuigende effect naar de samenleving toe. Nu echter de ontzuiling, d.w.z. de deconfessionalisering van de zuil heeft toegeslagen is het voluit christelijk geluid in de samenleving nog meer naar de marge gedrongen. De nieuwe zuil, die is ontstaan, bevindt zich nog veel meer aan de rand van onze maatschappij. Moet nu niet te meer het net aan de andere zijde worden geworpen: Er staat geschreven en er is geschied (Groen)? Dwars tegen de tijdgeest in.

N.a.v. P. Bak, Een 'meneer' van een krant. Trouw en Bruins Slot 1943-1968. Uitgave Kok Kampen, 440 pag., ƒ 75, -. Jan Jaap van den Berg, Koers en karakter van de ARP ter discussie 1965-1970. Uitgave Kok Kampen, 492 pag., ƒ 75, -. Auke van Nijen, Zal er na 2000 een christelijke organisatie zijn? Uitgave Boekencentrum, Zoetermeer, 180 pag., ƒ 29,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Omzien naar de zuil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's