De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Eeuw uit
In het Centraal Weekblad van 24 december 1999 staat een gesprek te lezen van Henk van IJken met Geert Mak. Uiteraard naar aanleiding van zijn laatst verschenen boek De eeuw van mijn vader. Voor dit boek en zijn schrijver hebben we al eerder aandacht gevraagd in deze rubriek. We willen niet in herhaling vervallen als we uit dit interview toch willen citeren., Mak nam zelf afstand van de kerk van zijn vader, maar bleef wel 'een gelovig mens', zoals hij in het gesprek zegt. Hij houdt eigenlijk de kerken van zijn vaderen bij het verlaten van de 20e eeuw een spiegel voor. Niet de mensen zijn afgedwaald van de godsdienst. Het zijn de institutionele godsdiensten die zijn afgedwaald.

U komt uit een gereformeerde familie. Wat hebt u daarvan meegekregen?

'Het eerste gevoel dat ik er bij krijg, is een gevoel van herkenning. Als ik ergens, in de politiek, op straat of op reis, mensen uit een gereformeerd milieu tegenkom, versta ik ze onmiddellijk. Hun taalgebruik, de manier waarop ze in het leven staan - dat klikt meteen. Ik weet wat ik aan ze heb.
De meeste gereformeerden hebben, in tegenstelling tot veel andersdenkenden, een houding van: ik ben verantwoordelijk voor mijn eigen handelen. Er is geen hogere instantie die dat van me afneemt. De positieve kant daarvan is dat ze recht door zee zijn, ze staan in de samenleving en weten van aanpakken. Hun sociale betrokkenheid, ook die van de huidige gereformeerden, valt op. Er is onder gereformeerden een grote onderlinge cohesie. Terwijl andere kerken allang zijn weggezakt, blijven de gereformeerden nog redelijk overheid staan. Al zijn ze uit het nest gevallen, dan nog blijven ze een soort betrokkenheid voelen.
De keerzijde van het verantwoordelijkheidsbesef is dat men een geweldige last op de schouders voelt. Er is veel zonde en weinig vergeving. Dat kan tot iets schizofreens leiden. Gereformeerden willen vaak niet zien, dat ze dingen fout doen, maar ze weten wel precies wat anderen verkeerd doen. Omdat ze geen manier hebben gevonden om met het kwade in zichzelf om te gaan, ontkennen ze dat kwaad. Anderen gaan daar toch wat soepeler mee om.
In onze geschiedenis stoppen we het kwade ongelofelijk lang en ver weg. Andere landen doen dat ook wel, maar meer uit nationale trots of uit andere motieven. Wat we aan het begin van deze eeuw in Atjeh hebben uitgevreten, vergeten we liever. Nog geen honderd jaar geleden hebben we tijdens de politionele acties tienduizenden slachtoffers gemaakt, maar dat duwen we tot op de dag van vandaag weg uit onze historische beleving. Ondertussen nemen we wel de rest van de wereld de maat. Dat beter weten roept makkelijk irritatie op.'

Pas over dé helft van het boek wordt u zelf geboren. Ook daarna blijft u op de achtergrond: Wie is Geert Mak?
'Dit boek gaat over mijn vader, over mijn familie en vooral over Nederland. Ik heb er een hekel aan als auteurs zichzelf centraal stellen. Als verteller ben ik aanwezig genoeg in het boek. Ik heb mezelf in het boek behandeld zoals ik ook mijn broers en zussen heb behandeld: niet meer, maar ook absoluut niet minder. Als mijn broers en zussen trouwen en hun eigen weg gaan, doven zij als figuren uit, omdat mijn ouders de centrale focus zijn.
Ik ben op een bepaalde manier een gelovig mens, anders had ik dit boek niet kunnen schrijven. Mijn normen probeer ik op de Tien Geboden én op de boodschap van Christus te baseren. Ik heb afstand genomen van de instituties en van veel rituelen, maar niet van de boodschap.'

Bij het overlijden van uw vader schrijft u: 'en hij werd door engelen gedragen'. Wat bedoelt u daarmee?
'Het is een verwijzing naar het rooms-katholieke requiem. Uw vraag is typisch gereformeerd. Een katholiek laat die zin op zich inwerken en voelt er iets bij. Het probleem van de gereformeerden is dat ze de emotionele kant van de christelijke boodschap in hun grote geloofsijver naar z'n mallemoer hebben geanalyseerd.
De huidige theologische lectuur vind ik bevrijdend en interessant, maar op een gegeven moment denk ik: je hebt het nou zó geanalyseerd, wat geloof je nog? Geloven is niet alleen tekst of historische analyse; het is ook een emotie, waar een mystiek element in zit. Gereformeerden spitten het Godswoord uit zoals je een bloem uit elkaar peutert Dan kun je haar niet meer opnieuw in elkaar zetten. Er moet een mysterie blijven. Je moet dat mysterie kunnen accepteren en soms niet méér willen weten. In wezen is de moderne theologie rationeel negentiende-eeuws. De gereformeerden zijn bij uitstek kinderen van de moderne negentiende eeuw.'

Mis je wat als je geen religie of ideologie hebt? 
'Ja, als je geen religieuze of ideologische basis hebt, dan heb je wel een probleem. Mijn generatie is in meerderheid opgegroeid in rode, roomse of protestantse milieus en heeft het bijbehorende normenpatroon ingeprent gekregen. Velen van ons hebben zich er hevig tegen verzet, maar hebben die normen en waarden toch met zich meegedragen. Wij wisten diep in ons hart verrekt goed hoe het hoorde. Er was een systeem waarin we onze eigen weg vonden.
Bij jongere generaties is dat systeem niet geïnternaliseerd. Ze hebben moeite met het opnieuw uitvinden van normen en waarden. Een probleem van de westerse samenleving is dat er maar één ideologie bestaat: het materialisme. Gisteren zag ik een debat over de files. De woordvoerder van de PvdA, met wie ik het verder eens was, zei: het aantal verkeersdoden - veertienhonderd per jaar - is altijd nog een groter probleem. Vervolgens had hij het niet over het veroorzaakte leed, maar begon hij haarfijn voor te rekenen wat het kostte. Dit is alleen mogelijk in Nederland, dacht ik. We zijn onovertroffen in de centjes. Ook zegt het iets over de materialistische cultuur waarin we leven. Die man deed het met de beste bedoelingen, maar het argument waarmee hij mensen meende te kunnen overtuigen, was het geld. Dan ben je vrij ver heen als land.
Volgens Vaclav Havel kunnen wij in het Westen van Oost-Europeanen leren hoe je in onderdrukking, tegen beter weten in, je rug recht kunt houden. In het Westen hebben we er moeite mee om onze principes overeind te houden. Iedereen laat zich corrumperen: door de welvaart, door wat dan ook. Dat is ons probleem.'

Het is niet mijn bedoeling met dit citaat van Mak munitie aan te dragen om de (synodaal) gereformeerden nog weer eens extra onder schot te nemen. We hebben genoeg aan onszelf. Als het over het materialisme gaat, dan doet de reformatorische zuil voor geen enkel ander deel van de bevolking onder. Opmerkelijk zijn de woorden van Mak overigens wel. Ook als hem gevraagd wordt of hij een verklaring heeft voor het leegstromen van de kerken na de Tweede Wereldoorlog.

'Het is een proces dat in het Westen plaatsvindt. Niet in de Derde Wereld of in Polen of in Ierland, waar het niet ongebruikelijk is dat op een doordeweekse dag ruim honderd mensen naar de mis gaan. De Nederlandse kerken zaten vol institutionele gelovigen. In Jorwerd was vroeger bijna iedereen lid van de kerk, omdat je dan geld van de diaconie kreeg. Er was een hoop schjngelovigheid bij. De vanzelfsprekendheid en de instituties zijn verdwenen.
Er is een proces van externalisering op gang gekomen. De individualisering is eigenlijk grote nep. We zijn meer dan ooit afhankelijk van collectieve systemen. Tot in de jaren zeventig handelden mensen vanuit interne normen. Daarna is er een ommezwaai gekomen naar externe normen: wat verwacht de ander van mij? Men is zich meer op de massa gaan richten. Doe dit, doe dat, anders hoor je er niet bij.
Ik heb het gevoel dat deze tijd wat dat betreft normatiever is dan alle gereformeerde kerken bij elkaar. Alleen, het zijn niet meer geschreven normen, maar codes in kleding en in taal. De jeugd verschuilt zich achter die codes. Bij een culturele verandering zijn er altijd onder- en bovenstromen. Dus je ziet nu een reactie op het materialisme, op de wil tot conformeren. Onder allochtone jongeren is er een behoefte om meer de normen van de islam te volgen.
Bonhoeffer voorspelde: het wordt een slechte tijd voor godsdienst. Het wordt voor christenen een tijd om in het verborgene te leven, te bidden en het goede te doen. Ik denk dat we nu in die tijd leven. Het is niet waar dat mensen zijn afgedwaald van de godsdienst. Het zijn de institutionele godsdiensten die zijn afgedwaald.'

Bij het verlaten van de 20e eeuw zijn allerlei meningen en beschouwingen te lezen. De balans valt bij de een positiever uit dan bij de ander. Het heeft ook allemaal iets betrekkelijks. We staan er eigenlijk nog veel te dicht op om een betrouwbaar oordeel te vellen, zeker over de periode waarin we ons thans bevinden.

Eeuw in
Wanneer eindigt een eeuw die ging en wanneer begint een eeuw die komt. Waar begon de 20e eeuw? Precies in 1900? Of toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak? Wanneer begon precies de moderne tijd die nu schijnt te zijn ingehaald door een postmoderne tijd? Was dat in persoon en optreden van Luther die de geestelijke moed ontving om als individu zich te keren tegen het eeuwenlang zo machtig instituut van de pauselijke kerk? In het tijdschrift In de Waagschaal (18 december 1999) geeft een aantal medewerkers gehoor aan de vraag van de redactie: wat zeggen we van de 20e eeuw? Eén van hen die reageerden is dr. C. van der Kooi (docent dogmatiek aan de VU). Hij haakt in op het probleem dat we hierboven al even aanduidden. Hoe kunstmatig is de grenslijn van het nieuwe millennium?

'Het millennium is ons wat betreft tijdsruimte natuurlijk veel te veel. Wij omspannen dat niet, zelfs niet in onze beschouwingen of historische overzichten. Niet zonder reden is duizend jaar in de bijbel een maat die alleen met God in verband te brengen is. En voor Hem is dat dan nog als één dag voor ons (Ps. 90 : 4). Dat zegt genoeg. Wat we aankunnen en dan nog met horten en stoten, is de maat van de dag. Daarna moeten we weer slapen. In onze agenda overzien we met moeite een week of een maand. Maar een maand als belevingseenheid is al lang, te lang. Het langere tijdsbestek ondergaan we in seizoenen. Dat past bij onze zintuigen. Die zijn ontvankelijk voor licht, kleur en geur. Het ritme van de dag is echter het ritme waarbij we het meest direct bestaan. Wie vooruit wil kijken in het volgende millennium ziet alleen een enorme ruimte, waarin men alleen maar kan verdwalen. Waar men hoogstens de tijd kan ervaren als een misselijk makende druk, een zee waar men als persoon, als mens van vlees en.bloed, gebonden aan de normale condities van het biologisch bestaan, alleen maar in kan verdwijnen. We worden erin weggespoeld, in die stroom van tijd. De dichter van Psalm 90 verbindt dat met Gods toorn.
En terugkijken? We laten in de huidige periodisering een eeuw achter ons van enorme technische vooruitgang, Er was, dat mag ook wel eens gezegd worden, enorme winst aan humaniteit. De winst is echter ambigue. Onze eeuw kan evengoed beschreven worden als een tijd waarin juist die technische en bureaucratische vooruitgang mogelijkheden gaf tot de verschrikkelijkheden van onze eeuw. Het afslachten en martelen van miljoenen heeft het optimisme dat een eeuw geleden nog heerste in brede lagen weggevreten. De idealen van humaniteit worden gekoesterd, hebben plek gekregen in politieke en volkenrechtelijke instituties, maar het bewustzijn dat ze met voeten worden getreden jegens tallozen veraf en nabij is verscherpt. En daaronder loert het cynisme dat we meenemen de volgende eeuw in: het wordt toch nooit beter. Dus: ieder voor zich en God voor ons allen. Waar dat laatste voor staat als God als transcendente macht wegvalt, is een vraag die aan onze cultuur knaagt.
Als we echt alleen met onszelf te maken hebben, als echt deze wereld alleen mensenwerk is, dan zijn we verloren in een eindeloze ruimte. Dan hebben we de tijd, maar de tijd wordt tot gapende leegte. Ik heb dan ook niet veel met het millennium, ik kan er niet veel mee, het is me een maatje te veel.
Daarom lijkt het me beter terug te gaan naar de maat van de dag, het ritme dat in de Schriften wordt beschouwd als gave van God. Alleen binnen een dergelijke omgang met de tijd verwordt de tijd niet tot een verschrikking, maar tot een mogelijkheid van werk, van ontplooiing en genieting.'

Het doet me denken aan de manier waarop Jezus in de Bergrede zijn volgelingen probeert af te helpen van hun ziekelijke neiging tot bezorgdheid. Ook Hij houdt het op het dagelijkse ritme van eten, drinken en zich kleden. Waar het toch in veel gevallen voor de meeste mensen bijna elke dag om draait. Hoe blijf ik in leven en hoe loop ik er zo normaal mogelijk bij? Kortom: leven en overleven. Wees niet bezorgd voor de morgen. Want die morgen zal wel voor zichzelf zorgen. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (Mattheüs 6 : 34). De nuchterheid van de kinderen van het licht (1 Thess. 5 : 6), die weten dat de nacht voorgoed voorbij is. Een millennium geleden al.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's