Dienaar van Christus in de kerk van Christus
Openingswoord van de predikantenconferentie op 5 en 6 januari te Driebergen.
Incarnatie
Anno Domini 2000. We gingen een nieuw jaar, een nieuwe eeuw, een nieuw millennium binnen. Een historische grens. De wisseling van de eeuwen was een geladen gebeuren. Maar, hoe geladen ook, voor een christen is het niet principieel. Hoe diep het ook ingrijpt, het is en blijft relatief. Reeds eeuwen geleden zijn de tijden ingrijpend veranderd. Dat was: toen het Woord vlees is geworden. De omkeer van de tijd vond plaats toen de eeuwige Zoon van God mens werd. Wij verkondigden en herdachten het diep en heilig mysterie van de onmetelijke liefde Gods: de incarnatie van de Eniggeborene van de Vader. Hij kwam tot het Zijne, in grote tederheid stak God Zijn handen uit naar deze wereld. God Die neerdaalde om ons gebroken en schuldig bestaan te dragen, te delen, te helen. Hij doorbrak de cirkelgang van zonde en dood in kruis en opstanding. Daarom herdachten wij en verkondigden wij het eeuwige leven in Hem.
Intemporatie
Maar de incarnatie van Gods eeuwige Zoon betekent tegelijk ook Zijn 'intemporatie'. Gods Zoon kwam in het menselijk vlees. Hij kwam in de tijd. Met Zijn komst zijn de laatste dagen aangebroken. Maar nu is Hij éénmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard (Hebr. 9 : 26). Zijn openbaring is om uwentwil geschied 'in deze laatste tijden' (1 Petrus 1 : 20) Terwijl God voortijds, in de dagen van ouds, veelmaal en op velerlei wijze gesproken heeft door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon (Hebr. 1 : 1). In de menswording van Gods Zoon ging het dus blijkbaar niet om een belangrijke fase, die tenslotte relatief van aard is. Het ging niet om 'een onderdeel' van het totale tijdverloop, maar om het keerpunt van de geschiedenis. De volheid van de tijd is geschied. God kwam in Christus binnen in onze dagen, in onze tijd. Zonder Hem was de geschiedenis leeg. Maar Christus als 'de zin van de geschiedenis', maakt de dagen tot gevulde tijd. En het doel van Gods werken is om de volheid van de tijden te realiseren: 'Om in de bedeling van de volheid van de tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in de hemel is, en dat op de aarde is ... opdat wij zouden zijn tot prijs van Zijn heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben'. (Efeze 1 : 10, 12) God stuwt de geschiedenis, de tijd voort naar deze dag. Over ons zijn de einden der eeuwen gekomen.
Voortgang van de eeuwen
In de voortgang van dit 'eind der eeuwen', zijn u en ik dienaar van Christus. Te midden van de verzoekingen en vragen waar ook wij door heen gaan en waarin niets menselijks ons vreemd is. Vanuit het diep geloofsbesef dat God in Christus de tijd vervult en dat Hij wederom alles tot één vergaderen zal in Christus staan we in deze tijd. Maar, hoe kunnen wij onze eigen tijd doorzien? Je maakt er immers deel van uit. Meer dan wij vaak voor waar willen hebben, worden ook wij gevormd door de tijd waarin we leven, het functionele tijdperk. Er is sprake van enorm relevantieverlies van geloof. Wij ervaren de aanwezigheid van God niet meer in de dingen om ons heen. Het basis-referentiekader: God de Oorsprong en het Doel van alle dingen, is verdwenen, We weten alles rationeel te verklaren en technisch uit te leggen. We leven in deze laatste dagen en tegelijk op de breuk van twee werelden. De wereld waarin de kerk, en dus het geloof vanzelfsprekend waren is weg of ebt weg. Daarom spreken we over de crisis van geloof en van gebed, crises die ook ons niet voorbijgaan.
Ambtelijk dienen
Ook het ambt gaat door de crisis. En ons dienen in het ambt wordt ook bedreigd vanuit ditzelfde hedendaagse functionele denken. Ambten en ambtsdragers worden beoordeeld op 'de kwaliteit' van hun werk, een vorm van een zakelijke functionaliteit. Een trend die zich steeds duidelijker profileert in de kerk. Het ambt dreigt overschaduwd te worden door de functionaris. Het dagblad Trouw constateerde naar aanleiding van de opening van het landelijk dienstencentrum van de SOW-kerken: 'De opening van het dienstencentrum ... oogde op de tv als een povere presentatie van een kerk waar tot en met de liturgie de managers en functionarissen de dichters en profeten verdrijven'. Als deze trend ons beheerst, dan betekent dat dat wij, dat de kerk haar ambtelijke verantwoordelijkheid en daarin haar profetische roeping verliest. De gedachte achter de huidige presbyteriale-synodale vorm van kerkregeling is, dat Christus door de ambten Zijn Kerk regeert. Dat is geen louter formele stelling, daar zijn u en ik als dienaren van het Woord, als dienaren van Christus, helemaal in betrokken met heel onze dienst. Onze dienst, jawel, want het ambt in de kerk van Christus is geen magisterium, ik ben niet geroepen te heersen. Onze dienst is een ministerium. Ik ben geroepen de kudde te weiden. We zijn niet meer dan onze Meester Die Zijn gemeente, Zijn discipelen de voeten waste.
Godsvrucht
In de voortgang van de eeuwen zijn wij dienaar van Christus. Het is onmogelijk dat te zijn zonder dat de eerbied voor God ons leven doortrekt. Spreken met God, met God strijden in uw gebeden, dat is voor u en mij een onvoorwaardelijke voorwaarde om in het ambt te dienen. Het gaat niet om een leven in Godsvrucht alleen op de kansel, maar in heel ons leven en in de studeerkamer, in ons bidvertrek. Dat onttrekt zich aan het oog van de gemeente, dat zijn de geheimen van onze persoonlijke verborgen omgang met God. Daar komen bovendien ook de ambtsgeheimen ter sprake tussen de Heere God en u. Daar bidden we om leiding en licht in de dienst aan Hem.
Ook dienaren van het Woord zijn soms wezenlijk ontevreden met de kwaliteit van hun persoonlijk leven als christen, als kind van God. Naarmate vuur en vlam van geloof en gebed dreigen te doven, naar die mate holt ook onze bediening uit, holt ons ambtelijk leven uit. De ambtelijke dienst krijgt dan een steeds meer oppervlakkige, een functioneler en killer benadering. Voor geestelijke noden en vragen, voor de intens diepe crises, van onze tijdgenoten, is dan steeds minder antenne of er zijn slechts rationele oplossingen. De spiritualiteit is eruit, beter gezegd 'de bevinding' is gestold en is geen levensteken meer. Bederf van het beste is het slechtste. Een poel stilstaand water stinkt. Ontbreekt ons gebed, dan krijgen lauwheid of menselijke hartstochten de overhand en wordt de Heilige Geest bedroefd en tegengestaan. Het ambt wordt een baan en ontzinkt aan de hoge roeping: dienaar van Christus zijn. Zodra de functionaris de profeet, de dienaar overschaduwt in de kerk, of in u of mij, dan sterft het leven weg uit de ambtelijke dienst. Niet omdat we geloven dat waar het ambt is de kerk is. Nee, waar het Woord is daar is de kerk, zo luidt het oerreformatorisch belijden. Daarmee staan we van harte in de traditie van de Reformatie waarin we belijden dat Christus Zijn gemeente leidt door middel van de ambten. Echter zodra ons dienaar van Christus-zijn, ons staan in de dienst van en onder de leiding van de Geest, wegkwijnt onder een levenloze functionaliteitsgedachte, dan kwijnt de schuldbelijdenis, dan verstomt de aanbidding, dan raken we de lofprijzing kwijt. We raken de kracht van het Woord kwijt, we blokkeren Gods Heilige Geest. Onze dienst kent geen volmacht meer.
Geloof en gebed
Dienaren van Christus hebben soms vurig behoefte aan diepere innerlijke motivatie, waardoor het vuur van het geloof en de vlam van het gebed krachtiger in ons leven aanwezig zijn. Waarheid en leven zijn juist de stromen van de Geest. Daar zit heilige en Goddelijke beweging in. Daar zit vuur en warmte in. Daar zit ontzagwekkende diepte van klacht en gebrokenheid en ongekende hoogte van aanbidding en lofprijzing in. Broeders, het ambt waarin wij dienen is 'een geestelijk ambt'. Daarin klinkt de naam van de Geest mee. Van Hem mag u het verwachten ook vandaag. Een reveil kunnen u en ik niet organiseren. Ik zie er ook de tekenen niet van. Er zijn in de kerk zovele acties gaande die het gevaar dragen ondernemingen te worden met een concreet doel voor ogen. Daarbij denatureert de kerk, ze verliest haar diepste natuur. Nooit mag het ons om de partij en de groep gaan, laat staan om onszelf. Dat is wezensvreemd aan dienaren die door de Geest van Christus zijn gedreven. Dat is wezensvreemd voor een mens die heeft leren sterven aan zichzelf. Dan hoef je geen geborgenheden te zoeken in 'veilige burchten'. Maar je diepste en heilige inspiratie vind je in het Woord, in de God van het Woord, door het gebed. Juist Christus zocht de stilte, de nachten om met Zijn Vader alleen te zijn. Die centrale plaats kreeg het gebed in de Reformatie weer terug. In de duisternis van de Rooms Katholieke Kerk was het gebed grotendeels een 'must', een rite geworden. Het was even dood als gewoon. De kerk van de Reformatie was daarentegen een biddende kerk waar de devotie werkelijk praktijk was. Op die wijze was de Reformatie een echt geestelijke beweging, een geestelijk ontwaken.
Zo weet ik me geroepen, zelfs, of... juist, in een gebroken en doodzieke kerk. Daar hebben we levend in én uit Christus een roeping en taak. Ik ga met haar door de diepten, ik heb deel aan haar nood én aan haar schuld en haar ziekte. In een vaste en vurige overtuiging staan we in de kerk, met het gezegend en genezend Woord van onze Koning. En gebed is de slagader van een levende ambtelijke dienst. Was u vanmorgen, evenals andere morgens, onder vier ogen met God? Het is de bloedwarme slagader van uw persoonlijk geloof, de krachtbron van uw ambtelijke dienst. Daarin komt uw Godsvrucht tot uiting. Godsvrucht is de diepste levensernst. Alsof Adam vandaag gevallen was. Alsof Christus vandaag lijdt onder de vloek en het oordeel. Alsof Hij vandaag de dood verslaat en opstaat. Alsof ik vandaag door de Geest opnieuw geboren ben. Dat is leven in Godsvrucht. En onze gemeente voelt het aan of we zelf onder Gods recht, voor Zijn heiligheid buigen. Ze voelt het aan of we zelf leven uit de genade en de troost van het Evangelie.
Dienaar in de kerk
Wij dienen in de laatste dagen in een kerk die vervallen is. Broeders, heb diep medelijden met de vervallen weduwgestalte van de kerk. Juist als u haar vurig liefhebt omdat u Christus liefhebt ontdekt u de trekken van de bruid van Christus in haar. Hoe vervallen ze ook is en wellicht nog meer worden zal in de voortgang van het SOWproces. Ik ontdek in de geschiedenis van de kerk ontrouw na ontrouw. Steeds zie ik haar in haar gebroken gestalte. Een vrouw die vlucht in de woestijn. Alle theologia gloriae is haar ten diepste vreemd. Zij leeft in en uit de theologie van de kribbe en van het kruis. En zo toont ze de gestalte van Hem Die vlees werd en diep indaalde in de tijd: de Man van smarten. Het lichaam, de bruid is niet meer dan haar Hoofd, haar Bruidegom.
Wie de kerk ook heeft verlaten, de prediking bleef. Christus zorgde voor dienaren Die Zijn Woord verkondigden. Op profetische wijze klonk de roep tot bekering. Op priesterlijke wijze vond de bediening van de verzoening plaats. Onze Koning regeerde door Zijn Woord en Geest midden in de vervallen kerk. En de dienst van het Woord zegende Hij door Zijn Geest in deze laatste dagen. Dienaren van Christus staan in een gebroken wereld, een geschonden kerk veelal, en drukken zo de voetstappen van hun Meester. Daarom geven we de kerk niet op. We kunnen en durven niet. We zoeken geen onderkomen naast haar om in schijnvrede daar te kunnen blijven voortbestaan. In de tijd van de Reformatie is daar nooit naar gezocht. Men zocht in de liefde voor de Meester het herstel van de Kerk. De vraag was: hoe kunnen we in de kerk de vernieuwende genade van God verkondigen en onze Koning dienen in overgave en gehoorzaamheid, in trouw aan Zijn waarheid. De reformatoren zochten de continuïteit van de Kerk niet in het ambt, niet in het verleden, niet in het gebouw, ook niet in de subjectieve lijn van het geestelijk leven, maar in de voortgang van de zuivere prediking van het Woord.
Daar viel tenslotte het doek. Daar was geen plaats voor. 'Zij vervolgde zelfs degenen die heilig naar het Woord van God wilden leven', en vertoonde daarmee de trekken van valse kerk (N.G.B. art. 29).
Zin en doel
De dienst aan het Evangelie in onze tijd, in een geschonden kerk, in een stervende wereld, heeft zin én doel. Gods Zoon kwam onze gebroken tijd binnen. Daarom kan ik ook in deze tijd dienaar van Hem zijn. Hij is de Heere ook van de geschiedenis. De tijd is voor Hem én de eeuwigheid is voor Hem, en in Hem voor de Zijnen. Dienaar van Christus zijn in deze tijd moet ik elke dag weer opnieuw en dieper leren. Roeping én geloof zijn onmisbaar. Ik ken en ik profeteer ten dele. Onze Godsvrucht vraagt om verdieping, onze verborgen omgang, om intensivering opdat Christus steeds meer in mij wone en ik in Hem. Tot lof van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's