Globaal bekeken
In dagbladen en kerkelijke weekbladen is de afgelopen weken al ruime aandacht gegeven aan een Open Brief, die dr. W. S. Duvekot, hervormd emeritus predikant te Utrecht, zond aan 'de synode van de SoW-kerk' in verband met Israël. Dr. Duvekot zond zijn brief ook aan ondergetekende, met het verzoek daaraan aandacht te geven in de Waarheidsvriend. Hier volgt de brief, voorzien van een naschrift van ondergetekende. 'Globaal bekeken'; er zou meer over te schrijven zijn.
'Het leiden van de SoW-kerk is een zware taak. Daarom wens ik u allen de leiding en de zegen van de Eeuwige toe bij uw moeilijke werk. Als emeritus predikant heb ik nog steeds een zeer direct contact met veel gemeenteleden. Ik weet van de verontrustheid die bij velen leeft met betrekking tot de toekomst van de kerk in het komende millennium. In dit verband doe ik een dringend beroep op u allen om onze kerk te leiden in de boeteviering vooral tegenover de joden, de volksgenoten van Jezus, die wij als onze Heer belijden. Is het juist dat de SoW-kerk de boeteviering overlaat aan christelijke organisaties en individuele christenen? In deze spreek ik namens velen. U behoeft alleen maar te denken aan de zeer, zeer velen die dit jaar aan dergelijke boetevieringen hebben deelgenomen. Velen missen daarin de deelname van de SoW-kerk. Als we Gen. 12 : 3 lezen, worden we met alle kracht op onze schuld als kerk gedrukt. Want we lezen daar wat God tot Abram zegt: "Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden". In het verleden heeft de kerk het volk Israël nauwelijks gezegend, maar vooral vervloekt. Het is intens treurig dat over deze vloek in de SoW-kerk bijna nooit gesproken wordt. Kiezen we dan zelf uit in de Bijbel wat ons welgevallig is? Hebben we ooit het sterke uiterlijke verval van de kerk in onze dagen met deze vloek in verband gebracht? Zou de God van Israël, de Vader van Jezus Christus, ons niet tot bezinning willen roepen over de vloek die de kerk, in vele gevallen tot de dag van vandaag, over zijn volk heeft uitgeroepen?
Daarom wend ik mij tot u, namens zeer vele medechristenen, opdat u onze wortels uit Israël serieus zult nemen en de SoW-kerk op zal roepen om boete te doen over de vloek die wij dikwijls over Gods volk hebben uitgesproken, opdat de Eeuwige zijn vloek die wij als gevolg daarvan over onszelf hebben uitgeroepen, van ons af zal nemen. Het blijkt dat de SoW-kerk bang is om zich te openlijk solidair ie verklaren met de joden in onze dagen. We denken dan vooral aan de staat Israël. Achter Israël staan betekent in geen geval dat we niet tevens de Palestijnen willen steunen, zoals abusievelijk door velen gedacht wordt. Moge de SoW-kerk beseffen dat we, als we ons niet solidair verklaren met Israël, wij Jezus en zijn volk weer in de kou laten staan. Rabbijn Irving Greenberg wijst ons erop, dat als Jezus nu op aarde geleefd zou hebben, Hij met de andere joden in een veewagon zou zijn weggevoerd naar Auschwitz. Dit kon alleen gebeuren door het eeuwenlange anti-judaïsme van de kerk.
U zult positie moeten kiezen opdat de kerk weer oprecht en dienend in de wereld zal kunnen staan als teken van Gods barmhartigheid en trouw jegens zijn volk Israël, jegens zijn kerk en jegens de hele wereld.
Uiteraard ben ik van harte bereid, indien u dit mocht wensen, dit schrijven mondeling ter synode toe te lichten. Deze Open Brief zend ik naar enkele dagbladen en tijdschriften opdat velen hierdoor bemoedigd zullen worden in hun verontrusting over de houding van de SoW-kerk te genover Israël.'
P.S.
1) Wij stemmen van harte met de oproep van dr. Duvekot in als hij 'de SoW-kerk' (momenteel nog kerken, v.d.G.) oproept solidair te blijven met Israël en zich te blijven herinneren wat ook vanuit de kerken in het verleden Israël is aangedaan en daarover boete te doen. Ook de kerken hebben in de geschiedenis deel gehad aan het antisemitisme, dat joden overal ter wereld zozeer heeft getroffen, tot in de verschrikking van de holocaust toe. Ook wij hebben met dr. Duvekot zorg, dat die solidariteit met Israël vandaag niet duidelijk wordt betuigd.
2) De brief kan echter misverstand opwekken wanneer dr. Duvekot daarin spreekt over het 'eeuwenlange anti-judaïsme in de kerk'. Judaïsme is een omschrijving van het jodendom als vo|k en religie, waarin de gehele rabbijns-joodse leer is vervat. De kerk, die in Jezus Christus haar Hoofd erkent, kan onmogelijk de rabbijns-joodse leer bijvallen. 'Maar nu' is de gerechtigheid van God geopenbaard buiten de werken van de wet door het geloof in Jezus Christus', zegt Paulus (Rom. 3:21 w.). Daar ligt, bij alle besef, dat de kerk als wilde loot in de tamme olijfboom Israël is ingeënt (Rom. 11:24), het grote geding tussen kerk en joodse religie. Wanneer dat geding tot 'vervloeking' en antisemitisme leidde, vallen we dr. Duvekot bij in zijn kritiek. Maar een nieuwtestamentische kritische benadering van het judaïsme is nog geen 'vloek' uitspreken.
3) Genesis 12:3 mogen we in dit verband niet los zien van het voorafgaande vers, waarin God tot Abraham zegt dat Hij hem tot een groot volk zal maken en hem zal zegenen en dat in zijn zaad alle volken der aarde gezegend zouden worden (zie ook Gen. 22:18). De kerk gelooft toch, dat die belofte vervulling heeft gekregen in Jezus Christus, de Messias van Israël?! Zo herinnert Petrus aan die belofte (Hand. 3:25). En zo spreekt Paulus over het zaad 'als van één; hetwelk is Christus' (Gal. 3:16). In Hem, die in de lendenen van Abraham was, is de wereld gezegend. Daarom kunnen we niet onderschrijven, dat als Jezus in de Tweede Wereldoorlog zou hebben geleefd, Hij naar Auschwitz zou zijn gevoerd vanwege het anti-judaïsme.
4) De oproep tot solidariteit met Israël mag intussen vaste grond hebben in de nieuwtestamentische belofte, dat God trouw blijft aan Zijn verbond, roeping en verkiezing met betrekking tot het volk, dat Hij aanmerkt als 'beminden om der vaderen' wil (Rom. 9-11).
In het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis troffen we een lezenswaardig artikel van prof. dr. F(red) A. van Lieburg, getiteld 'Uit het hoofd, uit het hart. Lezend preken in de piëtistische traditie. Een artikel over uit het hoofd preken of de preek voorlezen, met alle vormen daartussenin:
• 'Van een bijzonder begaafd en ervaren kans redenaar als Wilhelmus à Brakel in Rotterdam kon je zien en horen "dat hij uit het hoofd niet alleen, maar ook uit het hart predikte". De minder uitzonderlijke en opvallende bevindelijke dominees hebben zich echter vermoedelijk niet onderscheiden door het preken zonder papier. Het formele kenmerk van de piëtistische prediking lag eerder in het sterk appellerende, emotionele karakter. De boodschap van zonde en genade moest zo natuurlijk en krachtig mogelijk op het gemoed van de luisteraars overgebracht worden. Inderdaad paste bij een dergelijke bemiddeling tussen God en mens improviseren beter dan lezen, maar het een nòch het ander kon een gedegen voorbereiding met hart en hoofd overbodig maken. Het ging niet zozeer om het al of niet zonder papier kunnen spreken, maar om een inspiratieve in plaats van een technisch formele oriëntatie op de te houden preek. Een goed voorbeeld daarvan levert Sicco Tjaden (1693-1726), die via zijn gepubliceerde autobiografische aantekeningen in bevindelijk-gereformeerde kringen als het model van de ware predikant gold. Hij vertelt dat hij aanvankelijk als proponent minstens een week nodig had voor het maken van één preek. Het kiezen van een tekst, het raadplegen van de nodige boeken, het uitschrijven en uit het hoofd leren van de preek - het kostte hem allemaal veel tijd en inspanning, hoewel zijn lijkredenaar hem een "weergaloos sterk" geheugen zou toeschrijven. De mismoedige Sicco nam zich wel eens voor om op een stille plek eens te oefenen in het voor de vuist weg preken op basis van een vooraf overdachte korte schets. Dat bleef bij een voornemen, tot hij eens bij een preekbeurt in Assen in oktober 1718 een vrije "voorafspraak" hield van wel een half uur, die meer zegen bleek te hebben gehad dan de daarop aansluitende preek zelf. Daarom probeerde hij het vaker om - na overdenking van de tekst - te improviseren, met succes. "De Heer verliet mij niet onder 't prediken, en de vrucht was groter als de vorige die mij zovele blokkens gekost hadden." Of hij na deze verandering nog preken uitschreef wordt niet duidelijk; het gaat echter om het proces van meditatie via een min of meer uitgewerkte schets naar vrije voordacht.'
• 'Noemen we ten slotte nog een hervormd predikant uit het begin van de negentiende eeuw, die bepaald niet van een onpiëtistische inslag kan worden verdacht, en die naar het schijnt toch altijd lezend heeft gepreekt. We bedoelen Bernardus Moorrees (1790-1860), onder wiens prediking er in 1821 in Nijkerk een opwekking plaatsvond, en die in 1834 bekend werd doordat hij "ondanks" de Afscheiding in de hervormd kerk bleef. Als beginnend predikant besteedde hij veel tijd aan het schrijven van preken, aangezien hij geen voorraad had en geen preken van anderen wilde overnemen. Op de kansel legde hij zijn tekst op de Bijbel en las hij die, al was het maar uit verlegenheid voor de gemeente, woordelijk - en soms veel te vlug - voor. "De Heere nam dat drukkend gevoel van tijd tot tijd echter weg, zoodat ik soms mijn werk met meer genoegen verrichtte, ofschoon ik steeds de leerrede vóór mij hield en maar zelden mijne oogen eraf wendde."'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's