De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

7 minuten leestijd

Poldermodel anno 1650
Het Nederlandse poldermodel is de laatste jaren alom bekend geraakt: je blijft met elkaar praten om tot overeenstemming te komen. De eindeloze en al jarenlange discussies ter synode om in het SoW-proces enigszins tot een vergelijk te komen, kan typisch Nederlands genoemd worden. Praten, naar het lijkt eindeloos praten, om samen te overleven. Voor hervormden al decennialang een bekend verschijnsel. Een kerk 'rijk' aan modaliteiten, volgens anderen beter getypeerd met het woord richtingen, deed nooit anders dan praten en overleggen om, waar mogelijk, tot een vergelijk te komen. Het leverde een kerk op waar met elkaar samenleven mogelijk werd gehouden. Binnen zekere grenzen, dat wel. De grenzen van, wat heet, Schrift en belijdenis óf de grenzen van het hoogst haalbare wat betreft tolerantie en kerkordelijke bepalingen. De ene overgangsbepaling na de andere werd bedacht om de rek erin te houden. Er zijn kennelijk altijd mensen beschikbaar die uit de hoge kerkelijke hoed een of ander voorstel weten te toveren die de kikkers in de ene kruiwagen houden. Je wordt als betrokken kerklid steeds nerveuzer over de vraag: hoe loopt het af met het voortgaande SoW-proces. Zal het poldermodel standhouden? Of komen er andere tijden aan?
Hoe kom ik tot deze beschouwing? In de Volkskrant van vrijdag 28 januari bespreekt prof. dr. A. Th. van Deursen het onlangs verschenen eerste deel van een reeks 'Nederlandse cultuur in Europese context': Willem Frijhoff & Marijke Spies: 1650 - Bevochten eendracht. Van Deursen zet als titel boven zijn paginagrote bespreking: Niet één alleen, maar allemaal samen. Als ondertitel zet hij neer: discussiecultuur was wezenlijk onderdeel van Nederlandse identiteit rond 1650. Twee Nederlandse historici doen een gedurfde poging het geheim van de Gouden Eeuw te ontsluieren, aldus Van Deursen. Hij geeft een treffend citaat uit genoemde studie waarin de schrijvers verklaren waarom de grote welvaart van de zeventiende eeuw mogelijk werd. Het komt op het volgende neer: niet bevel, maar onderhandeling. Niet commanderen, maar praten. Niet één alleen, maar allemaal samen.

'Als er een sleutelbegrip in de geciteerde passage valt aan te wijzen, is dat zonder twijfel het woord "onderhandeling". Het is een zo Nederlands begrip dat de tijd lijkt stil te staan. Er wordt wel eens getwist over de vraag wie het poldermodel heeft uitgevonden. Bij het lezen van 1650 - Bevochten eendracht kwam het mij voor dat de bewuste eendracht nu precies naar dat model was bevochten.
De Nederlandse cultuur, zeggen Frijhoff en Spies, was een discussiecultuur. Nederlanders voelden zich actief bij de samenleving betrokken. Tachtig jaar lang oorlog voeren tegen de Spanjaarden had hen ervan bewust gemaakt dat ze een gemeenschappelijk belang te verdedigen hadden. Strijden was hun tweede natuur geworden.
Op alle terreinen gingen de Nederlanders in de aanval. In Vlaanderen en Brabant veroverden ze steden, in Amerika en Indië koloniale markten. De universiteiten trokken de beste buitenlandse geleerden naar zich toe, zodat de uitgevers op hun beurt weer heel Europa konden bedienen. Die actieve, agressieve betrokkenheid was overal in de samenleving voelbaar en waarneembaar. Daarom was er ook belangstelling voor de publieke zaak en werd er een levendige discussie gevoerd. Mensen praatten over bestuur en rechtspraak, over kerk en geloof, over oorlog en vrede, kortom over alles wat hun levenslot kon beïnvloeden. Ze praatten op het marktplein, in de herberg, op wagens en schuiten. Die publieke ruimte werd als neutraal beschouwd. Ieder kon daar zeggen wat hij wilde, zonder vrees voor de consequenties.
Was de publieke ruimte besloten, zoals op de trekschuit, dan gold daar de ongeschreven regel dat elke vorm van verbale en fysieke agressie verboden was. Blijkbaar, zo constateer je dan als belangstellende lezer, waren dat toen de fatsoensnormen van wat de auteurs de middengroep noemen: de mensen die genoeg geld hadden om de passage te betalen, en niet zoveel dat ze over eigen vervoer beschikten?
Die afkeer van agressie lijkt ook wel een noodzakelijke voorwaarde voor de instandhouding van een discussiecultuur. Die onderstelt een zekere graad van omgangstolerantie. De eenheid van deze cultuur lag niet zozeer in overeenstemming over fundamentele waarden als wel in "de gedeelde overtuiging dat de discussiecultuur een wezenlijk onderdeel vormde van de identiteit van het land". Ik geef die zin als citaat, om te laten zien waar de auteurs staan. Zij spreken van een gedeelde overtuiging, en gaan er dus klaarblijkelijk van uit dat de zeventiende-eeuwers zich zelf van deze cultuur bewust waren: we zouden geen Nederlanders meer zijn, als we ophielden vrij met elkaar te discussiëren.
Hebben ze werkelijk zo gedacht, dan moeten ze toch wel eens van een koude kermis zijn thuis gekomen. Het boek doet blijken, zonder daar nadrukkelijk de aandacht op te vestigen, dat de discussie werd gevoerd op twee niveaus. In de trekschuit kon iedereen zijn hart luchten, op het stadhuis besliste intussen een kleine minderheid wat er echt zou gebeuren. Tegenwoordig zijn die twee niveaus met elkaar verbonden door de stembus. Zeventiende-eeuwse regenten maakten zelf uit of ze wilden luisteren naar de publieke opinie. Ze trokken ook duidelijke grenzen.
In 1650 begon juist een nieuw tijdperk in onze geschiedenis, dat we het eerste stadhouderloze tijdvak plegen te noemen. Zelf spraken de Hollandse regenten van de ware vrijheid. Wie tegen hen in discussieerde, zou een andere naam kiezen dan vrijheid. Onder het bewind van de raadpensionaris Johan de Witt zijn meer politieke pamfletten verboden en meer predikanten uit hun stad verbannen dan ooit tevoren. Vrijheid had in het zeventiende-eeuwse poldermodel een bepaalde politieke kleur. Je kon beter lakenkoopman zijn dan dominee. Nederland anno 1650 was het land van de staalmeesters. Die staalmeesters van Rembrandts schilderij behoorden tot verschillende kerken. Dat was de vrijheid die de discussiecultuur bood. Wel waren ze allemaal de christelijke religie toegedaan, en dat was de grondslag waarop die cultuur rustte. Discussie kan immers alleen zinvol zijn, als ze steunt op een gezamenlijke consensus. Zo concluderen ook de schrijvers. Religie was de eenheidscheppende factor in een cultuur die haar bijzondere karakter ontleende aan de vrije discussie. Spanningen waren er genoeg, maar het waren juist die interne tegenstellingen en verschillen die de Republiek sterk maakten en de dynamiek van de cultuur waarborgden.'

Ik begrijp: je moet ook die tijd niet idealiseren. Het is kennelijk óók typisch Nederlands: je praat en praat, maar als je de macht hebt, probeer je wel je zin door te drukken. Ook een discussiecultuur kent verliezers.

In Nederland wil ik niet leven
Dat zette de dichter Slauerhoff (1898- 1936) als eerste regel neer van zijn gedicht In Nederland... het is er één uit een reeks waar Slauerhoff boven.zette: Holland op z'n... Twee weken geleden hadden we een Landelijke Gedichtendag. Er werd een Dichter des Vaderlands benoemd, die nota bene al jaren in Portugal woont. In aansluiting op het bovenstaande citeer ik eerst de twee laatste coupletten van Slauerhoffs visie op Nederland:

Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die Leelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen...
Daar loopen allen met een stijve boord
— Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort -- 
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.

In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo'n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.

Op de al genoemde Landelijke Gedichtendag werd ook een favoriet gedicht gekozen. De keus viel op een gedicht van Hendrik Marsman (1899-1940) Herinnering aan Holland. En met het citeren van dit sluiten we dit keer onze rubriek weer af.

Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hoge pluimen
aan den einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband.
De lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's