Globaal bekeken
In het Gereformeerde Kerkblad (Geref. Kerke Vrijg.) troffen we nog eens de tekst van 'Psalm 151' met toelichting:
'Het opschrift hierboven (Psalm 151, v.d.G.) eist wel enige verklaring. In bepaalde kerkelijk kringen, meestal van bevindelijk karakter, hoor je namelijk wel eens het geluid, dat er een 151e Psalm zou zijn. In oude kerkboeken zou deze "Psalm" zijn opgenomen. Naar aanleiding van een aan mij gestelde vraag of mij hier iets van bekend was, heb ik hier een klein onderzoek naar gedaan. Dat was voor mij niet zo erg moeilijk, daar ik door vererving in het gelukkige bezit ben van een zeer oud Psalmboek. Dit Psalmboek, uit het jaar 1685 (!), is gedrukt bij de Weduwe van Theunis Jacobsz. Lootsma te Amsterdam, en het is uitgevoerd in een zeer fraaie Gotische druk. En inderdaad vond ik daarin de "Psalm" die men zocht. Het blijkt te gaan om een lied, dat als titel draagt Een eygen Geschrift Davids. Volgens de erbij gedrukte gegevens, is dit lied opgenomen uit de Griekse Bijbel en in "Nederduitschen Dichte gesteld" door een zekere ds. Abraham van der Meer. Wie dat geweest is heb ik (nog) niet kunnen achterhalen. Voor mensen met historische interesse en voor hen die mogelijk ook al eens naar deze "Psalm" hebben gezocht, drukken wij dit lied hier af. Waarbij zowel spelling als interpunctie zijn aangehouden zoals die in het bedoelde Psalmboek door de kerk zijn weergegeven. Hert kan gezongen worden op de melodie van Psalm 19 - "Het ruime firmament ... ", enz. Volledigheidshalve maak ik u erop attent dat deze "Psalm' niet in de Canon (onze Bijbel) is opgenomen. We moeten dit lied dus wel als Apocrief beschouwen. Dat wil zeggen: door de kerk niet als echt en gezaghebbend erkend.'
Een eygen geschrift Davids
1. Als ick noch Jongelingh /
Geachtet zeer gering /
Bij mijne Broeders was;
En dagelijks nam waer /
De Schapen hier en daer /
Gaen weydend' in het gras.
Terwijlen 't Vee nu at! /
Ik in de schaduw" zat /
En loofde Godt den Heere;
Een Instrument ick wracht /
Daer op ick dan voort-bracht /
Des Alderhooghstens eere.
2. Maer Godt almachtigh / ziet!
Mij / die was min als niet /
Verkoos in Zijnen zin;
Die niet op 't groot en past /
Gaf Zijnen Bode last/
Tot mij te komen in;
De welcke mij terstont /
Verklaard' uit Godes mond I
Den raed bij Hem besloten;
En heeft mij daer op ras/
Met 't heyligh oly-glas /
Gezalft en overgoten.
3. Van mijne Broeders sterck /
En maeckte Godt geen werck /
Maar liet hun alle staen;
En slaende niet eens agt /
Op haren trots en pracht/
Noch opgeblazen waen.
Oock heeft de Heere goet /
Den Reus vol van hooghmoet/
Deur mij gebracht ter schande;
Ja mij heeft Hij gestelt /
Die Herder was in 't veldt /
Tot Koning in den lande.
***
Recent werd bij uitgeverij Ten Have te Baarn opnieuw uitgegeven het boek van wijlen prinses Wilhelmina Eenzaam maar niet alleen, dat in 1959 voor het eerst verscheen. Hier volgt wat zij beleefde op haar dertiende jaar:
'Toen ik dertien jaar was, beleefde ik iets, dat op mijn geestelijke ontwikkeling van grote invloed is geweest. Ik kreeg op die leeftijd mijn eerste lessen over ons zonnestelsel. Een voorstelling van zon, aarde en maan waaraan ik draaien kon, moest mij een denkbeeld geven van de wenteling van de aarde om zichzelf en om de zon. Tijdens één van deze lessen werd de proef van Plateau behandeld. Of ik deze zag nemen, herinner ik mij niet meer. Een bak met een as middenin, welke men kon doen wentelen, werd met water gevuld. Dan werd er olie in gegoten, de as werd gedraaid en er vormde zich om de as een bol: de zon; deze werd steeds platter tot zich daaruit een kring vormde; deze splitste zich weer in bollen: de planeten en de aarde; voortgaande ontstonden weer zo de manen om de planeten. Over deze proef was ik zeer ontsteld, want met één slag lag daarmee het scheppingsverhaal in mijn gedachte tegen de grond. Ik vond dit alles zó vreselijk, dat ik er niet over dorst te spreken. Moeder, die mij het scheppingsverhaal gedaan had, durfde ik er geen vraag over te stellen. Het bleef mij echter hoog zitten en zo ontviel mij toch een woord hierover, natuurlijk tegenover een volwassene. Ik zei, dat de bewuste proef niet in overeenstemming was met de Bijbel en mij veel hoofdbrekens gaf. Daarop kreeg ik de schampere opmerking ten antwoord: "Je hebt toch niet werkelijk geloofd, dat de wereld in een week geschapen isl", een opmerking, die mijn twijfel en vraagtekens alleen maar groter kon maken. Wat was het toen somber in mijn zieleleven. Niemand bevroedde deze nacht van twijfel. De God van het scheppingsverhaal, de trouwe God waarop ik zo vast gebouwd had, bestond misschien helemaal niet, ik kon dus eigenlijk ook niet meer bidden. Ik stond geheel alleen voor dit raadsel; er was niemand die mij had kunnen helpen.
Voor mijn gevoel duurde het lang tot die donkere schaduwen verdwenen, tot ik had doorstreden en ik mij weer van Gods nabijheid bewust werd, en de schok over het scheppingsverhaal te boven was. Zó groot was mijn nood geweest zonder God en zó had die vreselijke twijfel mij gemarteld, dat mijn toen genomen besluit: "dat nooit meer" zó vaststond, dat ik, op één kortstondige uitzondering na, die niet minder pijngevend was en mij diep ongelukkig maakte, in mijn verdere leven geen tijd van zogenaamde Godverlatenheid en twijfel en strijd daartegen heb gekend. Door het doorgemaakte heb ik leren inzien hoe onvruchtbaar en niet-verhelderend twijfel, bespiegelen zonder een keus te doen en aarzelen is. Dit "nooit meer" is de kurk geweest, waarop ik mij drijvende heb gehouden bij persoonlijk leed en beproeving en onder vele moeilijke omstandigheden.
Deze smartelijke ondervinding heeft ook een ander gevolg gehad, namelijk dat ik, zo jong als ik toen was, innerlijk de oorlog verklaarde aan de wetenschap, aan dat menselijk denken, dat zulk een rampspoed over mij had kunnen brengen. Ik keerde mij ijzende van hen af, die de wetenschap als het hoogste huldigden en nam mij voor mijn geliefd, mijn heiligst geloof, het gezag over mijn levensscheepje toe te vertrouwen, de voorrang te geven aan ziel en hart en de tweede plaats, die van hun gewillige dienaar, toe te kennen aan mijn verstand. De vrede met God, die alle verstand te boven gaat, maar ook alle verstand verlicht, in mijn hart toe te laten. Gelijk het zien van het oog en het horen van het oor een belangrijke taak vervullen, maar geregeerd worden door de wil, zo moet ook het verstand aan Gods wil onderworpen zijn en niet de aanmatiging koesteren, tot heersen bevoegd te zijn. Dit laatste is de toelichting op een op rijpere leeftijd ontstane overtuiging.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's