Namen noemen (12)
ISRAËL
Israël is de nieuwe naam van Jakob, de genadenaam die hij niet - zoals zijn geboortenaam - te danken heeft aan een trek van zijn eigen karakter. Integendeel, Jakob is Israël geworden toen de engel des Heeren hem belijden deed wie hij was, in de duistere nacht van de Jabbok. Toen heeft Jakob als nooit tevoren ervaren wat zijn natuurlijke naam betekende. In zijn 'verliezend winnen' werd hij tot Israël verklaard: 'Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen en hebt overmocht'. Israël, het is een theofore (samengesteld met de naam van God) naam. 'El' betekent 'God'. De vraag alleen is of God hier object of subject is. De naam Israël wordt wel eens zo verklaard alsof het de herinnering is aan de strijd die Jakob met God had. God is dan het object, het voorwerp van de strijd. Maar een juistere vertaling is mogelijk dat Hij het Onderwerp is. Israël betekent dan: 'God strijdt', of 'God heeft de overhand, Hij zegeviert'. Als is het dan dat Jakob deze naam ontvangen heeft als een herinnering aan het ogenblik dat hij het van God 'winnen' mocht door wenend om de zegen te smekeri, toch is het eigenlijke dat God met hem wilde strijden. Het wonder van deze strijd was niet om Jakob te verderven, maar juist om hem in deze weg te behouden en in Bethel te brengen. Van Jakob, die Israël wordt, gaat de naam over op zijn nakomelingschap. In Gen. 32, het hoofdstuk waarin Jakob zijn nieuwe naam ontvangt, wordt zijn nageslacht reeds met 'de kinderen Israëls' aangeduid. Andere collectieve benamingen zijn: 'gans Israël' (Ex. 18: 25), 'het huis Israëls' (Ex. 16: 31), 'de jonkvrouw Israëls' (Jer. 18: 13). De godsdienstige gemeenschap kon ook zo heten. In de dienst der verzoening is sprake van de 'gemeente van Israël' (Lev. 16: 17). Israël is ook in de politieke constellatie na de deling van het rijk een naam die gebruikt kan worden om het rijk van de tien stammen aan te duiden. We vinden de onderscheiding van Israël en Juda trouwens al eerder. We lezen voor het eerst in de geschiedenis van Davids overwinning op Goliath dat de 'mannen van Israël en van Juda' de verslagen Filistijnen achtervolgden (1 Sam. 17: 52). Overigens kan het tienstammenrijk Israël ook aangeduid worden met de naam van de belangrijkste stam Efraïm. Om het nog gecompliceerder te maken: bij Jesaja is ergens sprake van het feit dat het Noordrijk en het Zuidrijk samen worden gevat onder de naam: 'de twee huizen van Israël'. Na de val van het Noordrijk komt het ook een enkele keer voor dat het Zuidrijk wordt aangeduid met de naam Israël. In Micha 5: 1 bijvoorbeeld is er sprake van Bethlehem Efratha (Zuidrijk Juda) als de geboorteplaats van de Heerser in Israël. Juda wordt in Ez. 9: 8 het 'overblijfsel van Israël' genoemd. De meeste keren dat de naam 'Israël' collectief gebruikt wordt, is het een alomvattende naam van het volk van God, waarbij de politieke scheiding geen echte rol speelt.
Israël kan ook de naam zijn van het gebied waar Gods volk woont. We zien dat in Psalm 114: 1, 2 waar de naam eerst voor het persoonlijke collectief en daarna voor het gebied wordt gebruikt: 'Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had; zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn volkomen heerschappij'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's