De arbeid bij Calvijn (1)
Het arbeidsvraagstuk
Er is in onze samenleving steeds veel te doen over de arbeid. We kunnen denken aan de formuleringen over 'het arbeidsrecht', de verhouding 'arbeid en beloning', de positie van de niet-werkenden en de sollicitatieplicht voor velen van hen wil men een uitkering niet verliezen en nog andere vraagstukken.
Hoe anders was het in de dagen van de Reformatie en van Calvijn. Wie deze laatste erop naleest hoe hij over de arbeid denkt en schrijft, komt steeds weer onder de indruk van zijn bijbelse nuchterheid. Willen we hem recht doen als bijbels theoloog, dan bezien we eerst heel kort wat de Schrift over de arbeid zegt en daarna hoe de Reformatie (Luther) die aan hem voorafging sprak, om ten slotte Calvijn zelf aan het woord te laten.
Wat zegt de Schrift over de arbeid?
A. Het Oude Testament
Voor het eerst wordt over de arbeid gesproken wanneer de mens nog in het paradijs verkeert en de opdracht ontvangt de hof te bouwen en te bewaren, Gen. 2: 15, nadat hem reeds gezegd was de aarde te onderwerpen, Gen. 1: 28. Werken is roeping van God aan de mens en tevens valt van meet af aan nadruk op handenarbeid. Dat laatste moeten we goed in het oog houden, nimmer was handenarbeid in Israël veracht zoals later wel in Griekenland!
Aanvankelijk was er in de nomadensamenleving de hechte familieband en ook de slaven maakten deel uit van het gezin en van de familie.
Toen Israël zich vestigde in het Beloofde Land ontwikkelden zich enerzijds de landbouw en de veeteelt, anderzijds samenlevingen in kleine steden.
De komst van de monarchie leidde sterk tot urbanisatie of verstedelijking van de samenleving en de grote trek naar de stad met het ontstaan van het ambtenarenkorps en de opbloei van de economie door de handel. Een scherpe tegenstelling tussen rijken en armen ontstond echter ook, reden waarom in de wetgeving beschermende bepalingen waren opgenomen, terwijl de profeten dikwijls het sociale onrecht ontdekten, veroordeelden en bestraften. Loonarbeiders, zelfstandige ambachtslieden, kooplieden, inwonende buitenlanders en slaven vormen met elkaar een bont beeld van de samenleving in Israël. Maar nimmer werd minachtend over het gewone werk gesproken en gedacht!
B. Het Nieuwe Testament
Werd in Griekenland arbeid van de geest hoog geacht, op handenarbeid zag men uit de hoogte neer. Dat was 'voor de mindere en kleine luiden'.
Opmerkelijk is dat ook in het Nieuwe Testament op geen enkele wijze de handenarbeid in diskrediet kwam. Heel nuchter spreekt en schrijft de apostel Paulus in 1 Kor. 7: 17 vv over het de mens of gelovige van God toegedeelde leven. De slaaf mag in de maatschappij nog slaaf zijn, in de christelijke gemeente is hij een broeder van Christus.
Paulus dringt niet aan op omwenteling, maar op volharding in en bij datgene wat God gaf aan werk en aan verbanden. Zelf waarschuwt hij in de eerste Thessalonicenzenbrief voor leegloperij uit overspannen wederkomstverlangen.
Wat zegt de Reformatie over de arbeid?
Beroemd werd het woord of de vertaling van Luther van 1 Kor. 7: 20: 'Ein jeglicher bleibe in dem Beruf, darin er berufen ist'. Voor de Duitse reformator heeft nooit iemand zo sterk gezegd en benadrukt dat elk eerbaar beroep dat uitgeoefend wordt door mensen rust op een goddelijke roeping daartoe. Wel heeft men aangetekend dat Luthers vertaling van het Griekse 'klèsis' in 'Beruf' foutief is. Bij 'klèsis' gaat het steeds om de roeping van God tot het heil in Christus.
Luther heeft door zijn optreden een ommekeer gebracht, ook in de waardering van de gewone arbeid. Graag wil hij de jongens en meisjes zo grootgebracht zien zodat zij zelf een eerlijk stuk brood verdienen kunnen en huisarbeid kunnen verrichten en een gelukkig huwelijk kunnen sluiten. Wat vroeger vooral de taak was geweest van de monnik of van de non - het onderwijs was sterk clericaal - werd nu de roeping van allen, niet maar te vervullen in klooster of kerk, maar in werkplaats en studeerkamer, in keuken en kelder, in kantoor en raadskamer. Elke dagelijkse taak werd weer een goddelijk beroep. Daarom moeten ook rijken en armen op de beste manier daarvoor worden opgeleid. Dus zijn er goede scholen nodig. En had het humanisme niet de school populair kunnen maken onder het gewone volk, Luther kon dit wel. En de hervormer had een open oog vooral voor de maatschappelijke betekenis van het onderwijs. Hij schrijft daarover 'zou de mens geen onsterfelijke ziel hebben en zou er geen school nodig zijn voor de kennis van talen waardoor de Schrift kan worden gelezen en verstaan tot Gods eer, dan zou, omdat de maatschappij mannen nodig heeft die het land goed kunnen regeren en vrouwen die hun gezin wel weten te besturen, dit al een voldoende reden zijn om de allerbeste scholen op en in te richten'.
En als er in de burgerij wat verzet ontstaat tegen de bekostiging van dat goede onderwijs, dan meent Luther 'voorzeker zit daar de duivel achter, die het best vond dat het geld met hopen naar kerken en kloosters ging, want hij voelt wel dat goed onderwijs zijn zaakje niet dient'. Heerlijke, nuchtere woorden.
Op zijn visitatiereizen informeert Luther altijd naar en bemoeit hij zich steevast met het onderwijs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's