Boekbespreking
Anneke Ravestein, De roepende. Een theologisch onderzoek naar het appèlkarakter van de relatie God, de ander en ik, uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1999, 284 blz., ƒ 49,90.
De vraag die dr. Ravestein in deze dissertatie onderzoekt, is of het onderling appèl in relaties tussen mensen kan leiden tot een nieuw verstaan van de relatie tussen God en mens. Daartoe onderzoekt ze de bijbelse gegevens, gaat in gesprek met Levinas, bij wie dit appèlkarakter in menselijke relaties een centraal thema is. Na enkele hoofdstukken waarin Levinas belicht wordt vanuit Rosenzweig en Rosenstock-Huessy en na een hoofdstuk over Buber, wordt in hoofdstuk V en VI in gesprek met Jungel uiteengezet wat het betekent dat God mensen roept en mensen geroepenen heten, waarbij met name de ecclesiologische aspecten aan de orde komen.
Grote nadruk legt dr. Ravestein op het relationele karakter van de werkelijkheid. De mens als subject wordt bepaald door de ontmoeting met de andere mens. Die ander is de mij vreemde ander. Het denken over God staat hier niet los van. Als een God van mensen is Hij de andere Ander die mij in liefde aanspreekt, mij verwijst naar de andere mens, die woord van God spreekt en beeld van God vertoont. God wordt herkend in de roep van de ander: heb mij lief. Het appèl van God heeft de ander nodig om mij te bereiken. Zo probeert zij via Levinas het westerse scheidingsdenken te overwinnen en een antwoord te vinden op het agnosme van onze cultuur, door het transcendente aan te wijzen in de andere mens tegenover mij. De ander kijkt mij aan met de blik van God. Het is een diepzinnig geschreven boek, dat met name in de filosofisch getinte hoofdstukken over Levinas en de verwerking van diens denken moeilijk toegankelijk is. Mij hebben het meest geboeid de bijbels-theologische hoofdstukken over roepen in Oud en Nieuw Testament. In de gereformeerde theologie is de breedte van dit getuigenis wel eens wat versmald tot een heilsordelijk moment. Ook uit de passages over de gemeente en de paraklese, het onderling appèl in zijn betekenis voor de ontmoeting, valt veel te leren. Niet helder is me geworden hoe de roep van God tot een mens zich verhoudt tot de ander. Soms krijg ik het gevoel dat de ontmoeting met God opgaat in die met de medemens, maar uit andere passages blijkt dan weer dat het toch niet de bedoeling is van de auteur. Er blijft ruimte voor lied en gebed tot God.
Dat Gods openbarend spreken bemiddeld wordt door anderen - de kerk, de geschriften, de traditie - is waar, maar betekent dit dat die roep haast met de roep van de ander vereenzelvigd moet worden en dat het erop aankomt de ander ten opzichte van mij als Christus te zien? Het eerste en het tweede gebod vallen toch niet samen. Moeite heb ik ook met de these dat de christelijke kerk in haar geloofsbezinning te veel het karakter van een leer heeft aangenomen, te weinig de sterke verbinding van liefde tot God en tot mensen honoreert, zodat de oproep tot geloof de plaats inneemt van het gebod tot liefde. Ik ontken niet dat het door haar gesignaleerde gevaar voorkomt, maar in zijn algemeenheid lijkt me dit te sterk. Spoort dit met het paulinisch getuigenis waar de liefde toch vrucht is van geloof? Leest de auteur de christelijke traditie toch niet te veel door een joodse bril van een correlatieve verbondsvisie?
De dissertatie daagt uit om het bijbels-theologisch concept 'roeping' ook binnen de gereformeerde theologie nog weer eens nieuw te doordenken. Mevr. Ravestein heeft me in elk geval overtuigd dat het bijbels getuigenis ons op dit punt op boeiende wegen brengt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's