Ontroering over de kerk
Over de kerk raakt men nooit uitgedacht. Er zijn dikke boeken over geschreven. Omdat de kerk ook een mysterie is. Ze is Lichaam van Christus. Het Hoofd is Boven, het Lichaam beneden. Zo las ik dezer dagen nog eens een aantal bijdragen in het prachtige boek De Kerk, dat in 1990 onder redactie van prof. dr. W. van 't Spijker en anderen verscheen (Uitgave De Groot Goudriaan-Kampen). In een bijdrage van prof. dr. W. Balke over Hoedemaker, Gunning, Kraemer en Van Ruler, trof ik een uitspraak van Van Ruler aan, die me bleef bezighouden. Bij alle kritiek, die men op het kerkelijk instituut kan en mag hebben, en hoezeer men kan lijden aan de kerk, zegt hij: 'wie nog een droppel geestelijk leven in zijn aderen heeft, keert er telkens toe terug met een ontroering, die nauwelijks onder woorden is te brengen'. Dat woord ontroering deed het 'm, deed het mij. Verwondering en ontroering over de kerk te midden van afval, strijd en grimmigheid.
Instituut
Men bedenke wel, dat Van Ruler hier spreekt over 'het kerkelijk instituut'. Tegen de moderne afkeer van 'het verstarde statische en uitwendige van de kerk', zegt Balke, komt Van Ruler op voor het institutaire. 'Het instituut is een eigen werk van de Geest.' Dat mag niet worden gedevalueerd tot 'menselijk bijwerk en iets ongeestelijks'. De kerk van de geschiedenis en de traditie, uit wier handen elk nieuwgeboren mens het evangelie ontvangt, is te danken aan het institutaire werk van de Heilige Geest.
Daarom heeft de kerk ook een kerkorde, want daarin gaat het om 'de zichtbaarwording van het ene volk van God'. Die orde is in de gereformeerde traditie een presbyteriaal-synodale orde. Letterlijk: 'De presbyteriaal-synodale vorm van kerkregeling is de meest zuivere, de meest katholieke en ook de meest nieuwtestamentische vorm, die tot dusver bereikt is'. Met de presbyter, de ouderling voorop, 'als hoeksteen van de kerkregeling', staat en valt het wezen van de kerk. Daarom moeten we 'het presbyteriale karakter van de kerk liefhebben met een zeer diepe liefde'. Maar het presbyteriale is onlosmakelijk verbonden met het synodale.
Tot die conclusie komt in hetzelfde boek ook prof. dr. W. van 't Spijker, in een bijdrage Het presbyteriale-synodale stelsel. Hij zegt letterlijk: 'Het gereformeerde stelsel van kerkregeling wordt meestal aangeduid met de twee begrippen presbyteriaal en synodaal'. Het gaat om de ambten en de ambtelijke vergaderingen. 'Wanneer we in de ambtstheologie een directe relatie vinden met de grote ambtsdrager, de Here Jezus Christus, dan kunnen we in de vergaderingen van de kerk een heenwijzing zien naar het werk van de Heilige Geest door wiens dienst de ambtsdragers in eendrachtig overleg de wil des Heren leren verstaan.' Met andere woorden: één presbyter alleen, of één kerkenraad alleen weet ook niet hoe het moet, het gaat ook om de ambtsdragers samen.
Van 't Spijker merkt hier verder op, dat, hoewel de gelovige het heil vindt in de gemeente, waar hij woont, door de bediening van het Woord, het een misvatting is 'deze lokale kerkopvatting in tegenstelling te zien met de betekenis van het kerkverband'. De plaatselijke kerk en het kerkverband horen bijeen.
Het Woord
In de plaatselijke gemeente vindt de mens heil, onder de verkondiging van het Woord. Daarom staat de presbyter voorop. En daarom geldt, dat de kerk daar is, waar het Woord is.
In het boek De Kerk staat ook een fraai opstel van prof. dr. C. Graafland over De kerk in de Nadere Reformatie, waarin met name de visie van Wilhelmus à Brakel op de kerk aan de orde komt. Brakel fundeert de kerk, ook de kerk in verval, mede in het verbond. Ook in zijn tijd was de kerk al 'verdorven'. Hij schrijft:
'De kerk is van het hoofd tot de voetzool melaats, de akker des Heeren staat vol onkruid, zijn dorsvloer is vol kaf, des Heeren wijngaard is woest geworden, distelen en doornen gaan er in op; onwetendheid, atheïsterij, zorgeloosheid, wereldsgezindheid, uitgelaten wulpsheid, hoogmoed, brasserij, dronkenschap, vloeken, ontucht, ontheiliging van de Naam en de dag des Heeren, liegen en bedriegen overstromen de kerk.'
Maar eruit lopen, zoals de labadisten doen? Nee. 'Afscheiding is geen zegen maar een zonde.' Dat is 'beloftebreuk'. Brakel zag in, 'dat de bekoring van het labadisme tegelijk een verleiding was, die krachtig dient te worden weerstaan'. Want het ware kerk-zijn voltrekt zich in de strijd en de overwinning van het Woord Gods. 'Daarom is haar gestalte altijd een geloofsgestalte.'
Graafland wijst er dan op, dat Brakel niet spreekt over 'de belijdenis als grondslag of norm van de kerk' maar dat hij rechtstreeks naar de Schrift verwijst. Wie het Woord van God niet erkent als de zuivere waarheid hoort in de kerk niet thuis. 'Zij kunnen heengaan.' Maar de ware kerk is waar het zuivere Woord Gods wordt gepredikt, waar getrouwe herders en leraars worden gevonden, waar Jezus Christus wordt beleden en 'waar mensen heengaan in de zekerheid van het geloof. Of dat van de hele kerk of ook voor de hele gemeente geldt is de vraag. De gereformeerde kerk, zegt Brakel in Graaflands weergave, blijft 'een ideale en zo ook ideële gestalte, waarmee de plaatselijke en ook landelijke kerk op gespannen voet staat'.
Organisme
Wanneer Van Ruler het woord ontroering gebruikt ten aanzien van de kerk, bedoelt hij de kerk in haar volle betekenis. Want de kerk is uiteindelijk meer dan instituut, meer dan organisatorische vormgeving van het leven van de gemeenten, afzonderlijk en gezamenlijk. De kerk is kerk van het Woord. Dat kan nooit statisch zijn. Ooit heeft Abraham Kuyper de oneigenlijke en ondeugdelijke onderscheiding gemaakt tussen de kerk als instituut en de kerk als organisme. Voor wat Kuyper met de kerk als organisme bedoelde volg ik prof. dr. C. Trimp in diens bijdrage in 'De kerk':
'Deze kerk als organisme noemt Kuyper ook wel de onzichtbare kerk, het mystieke lichaam van Christus: Het is de kerk zoals zij bestaat in Gods raad en voor Gods oog. Zij omvat de uitverkorenen van alle tijden en zij vindt haar centrum in Christus en haar levensbeginsel in de wedergeboorte. Zij is erop uit op zodanige wijze in te gaan in het menselijke geslacht en zich te assimileren met de gegeven scheppingsstructuren, dat zij als organisme van het herboren menselijke geslacht eenmaal zal tevoorschijn komen. Dit is voor Kuyper de eigenlijke kerk, de kerk 'naar haar idee', en hij acht het een manco van de belijdenisgeschriften dat daarin dit organisch karakter van de kerk te weinig uitkomt. Immers, déze kerk bezit eeuwige waardij: zij omvat alle eeuwen en zal de eeuwigheid vervullen.'
Deze 'organische kerk' wordt in deze wereld - zo besluit Trimp - zichtbaar in de gelovige, wedergeboren personen, die midden in al de door God geschapen levensverbanden staan. En de kerk als instituut behoort dienstbaar te zijn aan deze (eigenlijke) kerk als organisme. Uit deze ondergeschiktheid van het instituut aan het organisme laat zich verklaren, zegt Trimp, dat Kuyper ook de idee van de veelvormigheid 'met grote opgewektheid' kon toepassen op de veelheid van de kerkinstituten. De verdeeldheid van de kerk werd in feite door Kuyper gewettigd.
Wat Calvijn hier samenvoegde heeft Kuyper gescheiden. Calvijn stelde, dat de onzichtbare kerk voortdurend in de zichtbaarheid treedt. De zichtbare kerk, de kerk als instituut, is het terrein waar het volle kerk zijn zich voltrekt. De kerk is meer dan een instituut maar is helemaal kenbaar in het instituut. Ze is de openbaring van het lichaam van Christus, zichtbaar in de ambten, in de ambtelijke prediking van het Woord en in haar missionaire gestalte.
Christus
Daarom kom ik nog een keer terug op de bijdrage van Balke in De Kerk, in diens verhandeling van de visie van Van Ruler. 'Het wezen van de kerk is Christus', zegt deze. Pregnanter kan het niet. Maar dat is ook zo. De kerk is lichaam van Christus. Christus is het Hoofd. Neem het Hoofd weg, neem Christus weg en het lichaam is een lijk. Alles wat in de kerk wordt gedacht, geleerd en gepraktiseerd dient een afspiegeling te zijn van Christus' heilswerk voor zondaren. De kerk is vindplaats van het heil, omdat haar Hoofd Middelaar Gods en der mensen is. En daarom is het instituut instrument van de Geest van Christus. En daarom mag de kerk als instituut niet worden gescheiden van de kerk als organisme.
Wanneer de kerk in haar institutaire gestalte ontroering oproept, is dat vanwege het feit dat mensen er tot hun bestemming komen. Daar zoekt Christus door Zijn Woord en Geest mensen en wederbaart hij hen. Er is in deze wereld geen andere vindplaats van heil dan de kerk in haar Woord-gestalte. Daarom is de kerk ook een geloofsartikel. 'Ik geloof één heilige, algemene, christelijke kerk'; een kerk, die in de Zichtbaarheid treedt, een institutaire gestalte heeft, een gestalte van de Geest. Die kerk kan ontroering opwekken. Dat geschiedt wanneer men wereldwijd de gemeente van Christus aantreft, soms klein en als tot niet gekomen in de ogen der mensen, soms 'verstrooid en verspreid' (artikel 27 NGB), maar verenigd met hart en wil in éénzelfde Geest, door de kracht van het geloof. Maar dat geschiedt met name waar in de eigen gemeente de Naam wordt beleden, in de Heilige Doop de beloften Gods worden ontvangen, in het Heilig Avondmaal de gemeenschap met Christus en de zijnen wordt beleefd. Het wezen van de kerk is Christus, die het verlorene zoekt. Die ontroering is er ook wanneer men inleeft, dat Hij Zijn kudde de eeuwen door trouw is gebleven, door alle ontrouw van dé kerk in haar institutaire gestalte heen.
Moeder
Zo heeft de kerk ook een moederlijke gestalte. Ook dat is ontroerend. In de oriëntatie op het hemelse Jeruzalem is de kerk ons aller moeder (Gal. 4: 26). Nog eens: 'Wie nog een droppel geestelijk leven in z'n aderen heeft, keert er telkens toe terug met een ontroering, die nauwelijks onder woorden te brengen is.' Ontroerend ook wanneer verloren zonen en dochteren tot haar terugkeren. In het blad Confessioneel bracht drs. W. Kats dat onder woorden met het indrukwekkende gedicht van Geerten Gossaert De moeder, waarvan de woorden hem steeds weer, zegt hij, ontroeren. Daarmee wil ik ook afsluiten:
Hij sprak en zeide
in 't zaél zich wendend:
vaarwel, o moeder,
nooit keer ik weer...
en door de lanen
zag zij hem gaan en
sprak geen vervloeking,
maar weende zeer.
Sprak geen vervloeking...
doch, bijna blijde
beval de maagden:
laat immermeer
de zetels staan en
de lampen aan en
de poort geopend,
de slotbrug neer.
Maar toen, na jaren,
melaats, een zwerver
ter poorte klaagde:
uw zoon keert weer...
zag zij hem aan en
vond geen tranen,
voor zoveel vreugde
geen tranen meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's