Nog een keer: de kerk in de stad
Promotie
Ds. Hans Visser van de Pauluskerk in Rotterdam schreef een boeiende studie over de rol van de kerk in de postindustriële stad. Naast zijn vele werk, veelal fietsend van de ene chaos naar de andere, lukte het hem ook nog een proefschrift te schrijven. Alle respect en onze gemeende felicitaties. Op 24 februari promoveerde hij tot doctor in de godgeleerdheid aan de universiteit van Utrecht. Aan belangstelling was er geen gebrek. Haast elke landelijke krant besteedde een hele of halve pagina aan zijn boek, zelfs het journaal kwam in beweging en noemde hem 'de bekendste dominee van Nederland'. Voor Amsterdam was dat ongetwijfeld even slikken die avond... Intussen was alle belangstelling een mooie opsteker voor de kerken. Als kerk waren we even heel positief in beeld en het ging ook ergens over. Namelijk over de kerk en haar rol in onze samenleving.
Vissers persoon, werk en vaak ongezouten uitspraken zijn, zacht gezegd, nogal eens omstreden. Met name als het gaat om zijn aanpak van het drugsprobleem en zijn meestal erg begripvolle benadering van diverse seksuele randgroepmensen. Maar een kritisch gesprek daarover met bijvoorbeeld onze diakenen omdat ook wij als gemeente de Pauluskerk steunen en ervoor collecteren, gaat hij nooit uit de weg en verloopt altijd in goede sfeer. Ook voor ons werk in de stad is de Pauluskerk een hele waardevolle plek. Om heen te gaan voor advies enz. ten behoeve van allerlei mensen die weer op onze weg komen.
De stad
De studie bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een sociologische benadering van de ontwikkeling van de stad, het tweede een theologische van de rol van de kerk in de stad. Voor het eerste gedeelte werd Visser begeleid door de planoloog prof. dr. A. M. J. Kreukels, tweede promotor naast de missioloog prof. dr. J. A. B. Jongeneel. Visser zet eerst heel de ontwikkeling op een rij. Van preïndustrieel naar industrieel, vervolgens naar de postindustriële stad. In dit exposé verrast, hoezeer stad en markt, evangelie en kerk eeuwenlang sterk met elkaar verbonden waren en samen de ontwikkeling stimuleerden. Hierin speelde de kerk een belangrijke rol. Thomas van Aquino stond behoorlijk positief tegenover de stad als zodanig, Calvijn ook, in deze citeert Visser ook met instemming ds. C. Blenk. Pas bij de opkomst van de industriële stad met z'n vele negatieve kanten als armoede, vervreemding en veel sociale misère, begint de kerk de stad kwijt te raken. Zij kan het niet meer volgen, zij vervreemdt van zo ongeveer alles wat het leven in de stad bepaalt: de politiek, de cultuur, de wetenschap en vooral vervreemdt zij van de vele arbeiders aan de onderkant van de samenleving. Hierdoor raakt de kerk steeds verder aan de marge, zij trekt zich terug, verkerkelijkt en verprivatiseert. Visser betreurt dat in hoge mate. Graag zou hij juist zien, dat de kerk als een sociale beweging opnieuw trendsettend zich zou inzetten - in de stad.
Ook onder sociologen lijken 'stad' en 'probleem' vaak op elkaar te rijmen. Visser kiest in het spoor van oud-marxist M. Castells bewust voor een visie, die zich niet neerlegt bij alle negatieve bijverschijnselen van de postindustriële stad zoals vervuiling en verwildering, armoede, eenzaamheid, rijken die zich terugtrekken en de openbare ruimte overlaten aan de armen. Hoe ernstig dit soort verschijnselen ook zijn: men moet nooit spreken in termen van noodlot. De mens is een heel creatief wezen. Men lette op een juiste balans tussen het publieke en private domein, voor de kwaliteit van de samenleving hangt daarvan veel af. In de vele netwerken, kenmerkend voor de postindustriële stad, vindt de stedeling zijn weg, zet hij zich in en zijn er de mogelijkheden ook in een stad iets te bereiken en zelfs zich daar gelukkig voelen. Hierbinnen kan de kerk zoiets als een profetische voortrekkersrol spelen.
De stad als goede schepping
In het tweede deel van zijn boek gaat Visser uitvoerig in op de rol van de kerk in de stad. Te beginnen bij Paulus als stadszendeling vervolgt hij de geschiedenis. Nadrukkelijk staat hij stil bij de negatieve visie op de stad bij Augustinus, Johannes Wichern en Jacques Ellul. Om uit te komen bij de positieve visies van Harvey Cox en Harvie Conn, voor mij het meest boeiende hoofdstuk van zijn boek. Vooral Harvie Conn blijkt Visser te inspireren. Cox prijst hij vanwege zijn durf, maar is hem toch te optimistisch. Harvie Conn, een evangelicaal met veel kennis van mission in de stad, vindt Visser veel realistischer en bijbelser in zijn kijk op de dingen, maar is hem uiteindelijk weer te snel met bijbelteksten en reddingspogingen, hoe breed Conn die reddingspogingen ook opzet. Dit punt is in de visie van Visser heel fundamenteel: volgens Visser hoeft de stad ten diepste niet gered te worden. Elke soteriologische benadering - zowel de sympathiek piëtistische van Wichern als de gedurfd moderne van Cox - wijst Visser daarom af. Volgens hem heeft de kerk de aansluiting in de stad verloren juist doordat zij steeds meer zich liet terugdringen en beperken tot reddingsachtige activiteiten en projecten om Christus wil. Illustratief voor zijn visie is een zin op pagina 187, waarin hij de kerken verwijt, dat ze de stad theologisch niet verstaan 'als schepping', maar 'als reddingsobject'.
Van Ruler
Het meest voelt Visser daarom zich thuis bij de scheppingsleer van zijn leermeester, prof. dr. A. A. van Ruler. Van Ruler benadrukte graag, dat het heil dan wel draait om Christus en het kruis, maar dat het God uiteindelijk toch gaat om de schepping en de thora, het gebod van God. Daar kiest Visser bewust de insteek voor zijn visie op de stad. Volgens hem is de stad deel van de goede schepping. De mens is geroepen het werk van de Schepper voort te zetten, het stichten van steden maakt daarvan deel uit. Wat van Israël gold, geldt alle volken. Want de God van de schepping is de God van alle mensen. Visser benadert de stad dus.principieel positief: als schepping van God en zelfs een van uitzonderlijk hoog gehalte. Niet als een verschijnsel van na de zondeval, waaraan vanaf het begin ook een hele donkere kant zit ingebakken: die van de zondige en van God vervreemde mens. Wel is er in 'de stad van God', die steeds meer stad Gods moet worden, van meet af aan heel veel falen, dat ziet Visser uiteraard heel scherp. Maar dat ligt niet aan de stad, dat komt door de mens. Nog altijd. Die kan er iets goeds van maken, maar ook de afgoden gaan nalopen en er een wildernis van maken.
Maar zit de neiging tot falen niet diep in ons allen? Zeker. Zonder Jezus Christus komen we er volgens Visser niet uit. In de kerk weten we van Hem. In Zijn leven is de thora tot vervulling gebracht. In Zijn spoor gaat de mens nu echter breed aan de slag bij het licht van de thora. Daarbij komt hij vele mensen tegen die zich ook interesseren voor zaken als barmhartigheid en gerechtigheid. Met hen samen is het goed mogelijk te werken aan verhoging van het theocratisch gehalte van de samenleving. Dat soort uitdrukkingen schuwt Visser niet, al vult hij de theocratische gedachte van Van Ruler wel erg eigentijds in. Naar zijn besef zou de kerk in de stad ook zich moeten ontwikkelen als een sociale beweging. Een bijzonder netwerk, waarvan de deelnemers in alle andere netwerken meedoen. Dat van de politiek, de kunst, de cultuur, de wetenschap, overal de thora van God als goed voor alle mensen inbrengend. Zo zou de kerk weer mee voorop kunnen lopen en mede de gang van de stad bepalen.
Slotopmerking
In het kader van een impressie als deze moet het blijven bij een enkele kritische opmerking. Vissers inzet heeft ongetwijfeld iets heel aantrekkelijks en ontspannends. Ook de stad is ten principale een plek Gods, niet minder dan de uitgestrekte heidegebieden bij Elspeet of de duinen van Walcheren. Maar er gaat in de stad wel veel en veel meer fout. Er is een eindeloze opeenhoping van ellende, misère, afvalmensen, falen, en ook van veel, heel veel schuld, samenballing van zonde en pure duisternis. Komt dat alleen door de mens en de structuren waarvoor diezelfde mens verantwoordelijk is? En wat moet de rol van de kerk in zo'n stad dan zijn? Als gemeente van Jezus Christus leven we van Hem en zijn genadig heil. Dat geeft Visser niet op, wel heeft hij de neiging dat te relativeren.
Dat maakt zijn concept niet sterker. Daardoor krijgt zijn visie meer iets van een natuur en genadevariant, uiteindelijk is het meer Houtepen dan Van Ruler.
Van Visser mag de kerk in de stad best iets institutioneels hebben en houden, - de stedeling heeft het nu eenmaal niet eenvoudig - maar het gaat hem om de kerk als beweging, waarbij het heil in Christus nauwelijks meer echt aan de orde kan of hoeft te komen. Op een bepaald moment schrijft, hij haast lyrisch over Psalm 8 en de mens als creatief wezen, 'bijna goddelijk gemaakt'. Verwacht Visser niet erg veel van de mens, te veel? Hebben we dat eigenlijk al niet eerder gehad? Ook het realiseren van zijn ideeën lijkt me niet simpel. Van Ruler worstelde al met de spanning tussen zijn theocratische visie en modern democratisch denken. Daar kwam hij eigenlijk ook nooit goed uit, terwijl er toen nog veel meer referentiekader voor de thora van God was dan nu. Wat kun je als kerk inbrengen in de netwerken, van politiek, economie, kunst en wetenschap? Daar moet men dan wel willen luisteren en wil men dat? Visser wil - terecht - in de stad niet alleen maar een kerk als EHBO-post, intussen heeft de Pauluskerk juist daarvan heel veel. Zou de kerk juist in de stad zich niet veel meer moeten richten op haar eigen specialiteit? De verkondiging van Christus' kruis en opstanding en een kerk als getuigende en dienende gemeenschap?
Delfshaven P. L. de Jong
Naar aanleiding van: J. Visser, Creativiteit, wegwijzing en dienstverlening: de rol van de kerk in de postindustriële stad' (Boekencentrum, ƒ 52,50).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's