De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

7 minuten leestijd

Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Tweehonderdvijftig jaar geleden stierf de alom bejubelde componist J. S. Bach. Toen het driehonderd jaar geleden was dat hij werd geboren, schreef collega De Reuver in ons blad vier welluidende en lovende artikelen over Bach onder de titel: Bach, een bode van boete en geborgenheid. Daarin citeert hij de componist Ludwig von Beethoven die gezegd zou hebben: Niet Bach (= beek) moet hij heten, maar zee of oceaan. En dit jaar opnieuw valt alle aandacht op deze in zijn dagen gezegende man wiens geloof zozeer in veel van zijn muziek doorklinkt. In het Centraal Weekblad (31 maart 2000) schrijf J. A. Montsma onder het opschrift: Het vijfde evangelie: de kerkmuziek van Bach. Het Evangelie draagt de muziek van Bach. Ook het omgekeerde is waar: de muziek van Bach draagt het Evangelie. Montsma vindt dat Bach het predikaat van 'vijfde evangelist' verdient.
De uitdrukking zelf komt van de Zweedse theoloog en aartsbisschop van Uppsala, Nathan Söderblom. 'Zou men naar een vijfde Evangelie vragen, dan zou ik niet aarzelen de vertolking te noemen van de heilsgeschiedenis, zoals die haar hoogtepunt bereikte in Johann Sebastian Bach.' Söderblom, aldus Montsma, noemt dan vooral de 'Matthäus-Passion' en de 'Hohe Messe'. Intussen, Bach zelf zou het heel vreemd hebben gevonden als hij dat zou hebben gelezen. Montsma: 'Als orthodox lutheraan wist hij maar van vier evangeliën, waar hij onder stond en niet ernaast'.

'Geen "evangelist", wel dienaar van het evangelie, of ruimer: in al zijn werk Gods-dienstig. Het mag wat zeggen dat Bach boven vrijwel al zijn composities de letters S.D.G. schreef, de Latijnse afkorting van 'alleen God zij eer' (Soli Deo Gloria). Dat was niet alleen een uiting van zijn vroomheid, maar ook van zijn overtuiging dat rechte muziek gegrond is in Gods scheppingsorde en daarom boven zichzelf uit wijst naar God. In dat licht is zijn "wereldse" muziek evengoed godsdienstig als zijn kerkelijke.
Zoals gezegd, was Bach orthodox lutheraan. Hij had de werken van Luther en anderen in huis, hij had ze ook gelezen en hij stond ervoor. Maar hij voelde zich tevens sterk aangesproken door de beweging van het piëtisme, met zijn nadruk op de innige beleving van het geloof. Ook die boeken had hij in huis en we vinden de indruk ervan terug in zijn passionen en cantates, waarvoor Bach zelf ook wel teksten schreef of de hem aangeleverde corrigeerde.

Mysticus
In het spoor van Albert Schweitzer, die een groot boek over Bach schreef, gaan anderen nog een stap verder: Bach was religieus, in wezen een mysticus. Het diepst zat hem de hartstochtelijke gerichtheid op de vereniging van de ziel met God, de geborgenheid van de zondige mens in Gods liefde, van de sterveling in het leven van de Eeuwige. Zoals een Bach-kenner zei: Bachs geloof doordrong zijn hele leven en al zijn uitingen. Maar dat is toch nog wat anders dan "vijfde evangelist".
Desondanks mogen we vaststellen dat Söderbloms typering een grote weerklank gevonden heeft. Niet alleen in de kerk, als daar de muziek van Bach tot uitdrukking brengt wat onze woorden eigenlijk zouden willen zeggen en ons opneemt in een onmiskenbaar naar boven gaande beweging. Het is niet voor niets dat Bach een plaats gekregen heeft in een van onze gezangen (Liedboek voor de Kerken, lied 265). Maar ook buiten de kerk. Het ontbreekt daar niet aan treffende getuigenissen van mensen voor wie het geloof in de God van de christelijke traditie achterhaald is maar die Bachs kerkmuziek toch door merg en been gaat - een "huivering van eerbied", zoals iemand het geformuleerd heeft.

Concertpodia
Maar ook hiermee is Bach nog niet de "vijfde, evangelist". Haast vanzelfsprekend geworden is de bedenking dat in onze geseculariseerde cultuur Bachs kerkmuziek de mensen niet meer met het evangelie bereikt. Ook zijn muziek brengt een mens niet tot geloof. In de kerk van Bach hoorden evangelie en muziek nog bij elkaar, maar in de eeuwen na hem zijn ze uit elkaar gegaan: muziek heeft haar eigen kring, geloof ook. Bachs grote kerkmuziek is op de concertpodia terechtgekomen. Die mogen bij gelegenheid in een kerk staan, maar dan nog. Men komt er om de muziek als vorm, niet om de inhoud. Dan kan het zo ver komen dat een snob heel nodig na een "perfecte" uitvoering van de aria "Erbarme dich, mein Gott" en voor het direct aansluitende koraal luidkeels "Bravo!" moet roepen. Dat betekent: we komen hier voor de muziek; aan de boodschap hebben we geen boodschap .en dat willen we (laten) weten ook.
Misschien doet de tekst er in zoverre toe, dat men getroffen wordt door de manier waarop Bach met onnavolgbare hand de tekst volgt, accentueert en verdiept. Maar dan nog gaat het om de muzikale kant van de zaak. Ik voeg eraan toe dat volgens mij het gelovige gehoor méér hoort en beleeft dan Bachs muziek. De niet-gelovige echter zal tegenwerpen dat het gaat om gevoel voor muziek en kennis van zaken; wat de gelovige er méér in hoort, is slechts een kwestie van godsdienstige associaties.
Een volgende bedenking houdt hiermee verband. We hebben ook in de kerk met een verschuiving te maken. Met het evangelie en de uitleg en zelfs het sacrament komen we niet meer - de muziek moet het doen. Goede muziek zonder kerk is op zondag ook niet alles, maar voor velen toch beter dan een kerk zonder goede muziek. Dat is de verschuiving die iemand eens als volgt gereformuleerd heeft: van de religieuze ervaring van het esthetische naar de esthetische ervaring van het religieuze. Daar zit wel degelijk een probleem. Ik denk aan de diepe opmerking van Kierkegaard, dat in ons leven het esthetische de plaats kan innemen van het geloof terwijl het esthetische toch tot niets verplicht. De genieting van schoonheid kan tot over de rand van de extase gaan, maar men komt niet toe aan de religieus-ethische keuze.

Voorsmaak
Zo is er nog meer te noemen en er is veel waars aan, maar het is toch niet het hele beeld. Wáár is, dat muziek - ook die van Bach - iemand niet tot geloof brengt. Het omgekeerde wél: geloof dringt tot muziek, voor het geloof is muziek een verwijzing naar het goede van de schepping en ook wel een diepe beweging tot hoop op een wereld van harmonie. Ware muziek is inderdaad religieus in de goede zin van het woord.
En zo kan men toch ook anders aankijken tegen de betekenis van Bachs kerkelijke en niet minder zijn "wereldse" muziek in onze geseculariseerde wereld. Met iemand die er verstand van had, zou ik willen zeggen: die muziek kan iemand brengen tot de drempel van het geloof, een verlangen naar het geloof achter die muziek. Niet alleen dus een esthetische ervaring, maar een religieuze die ook geraakt is door het evangelie. "Ons hart is onrustig in ons tot het rust vindt in U", zei Augustinus. Bachs zo grondige, solide en zuivere muziek is van die rust een voorsmaak.
Zo kom ik terug bij de mystiek. Ik kan me voorstellen dat Schweitzer en anderen in Bach het diepe verlangen horen naar de vereniging van de ziel met God. Maar in elk geval kan ik me voorstellen dat mensen van onze eeuw zo hun eigen ervaring met de muziek van Bach uitdrukken. Hij wekt onze mystieke ervaring. Even voorbij onze leerstellige constructies, voorbij ook de ploetergang ván het Woord dat sprak náár het woord dat spreekt, is er Bachs toonzetting van het mystieke dat "God met ons" heet. Wie zei ook alweer dat het middendeel van Bachs concert voor twee violen een dialoog is van Jezus en de ziel? Over mystiek gesproken.
Bach, de vijfde evangelist? Wat mij betreft wel. Of, met een wat krasser woord van een tijdgenoot: God heeft aan Bach veel te danken. Maar dat zou Bach zelf nooit gezegd hebben, S.D.G.'

Montsma zegt in zijn artikel dat Karl Barth vond dat de kerk maar vier evangeliën telt en dat Bachs Matthäus een gemankeerde uitleg biedt van het lijdensevangelie: te veel klaagzang en te weinig Jezus als Overwinnaar, dit ondanks de hoge muziek.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's