Vereniging met de Opgestane Christus
Het Heilig Avondmaal
Mystieke eenheid?
In het beroemde werk van de Engelse ketellapper John Bunyan, 'Eens Christens Reize naar de Eeuwigheid', treffen wij ergens een bijzonder gezelschap aan. Op weg van Stad Verderf naar Sion is de Christen aangekomen op de heuvel Moeilijkheid. Daar is hij ontvangen in het Paleis Sierlijkheid. Dit paleis is hier een symbolische voorstelling van de Gemeente van Christus, Die gebouwd is tot een geestelijk huis (1 Petr. 2: 5, Ef. 2: 21), een sierlijk paleis (Jer. 13: 11).
In dit paleis, dus in de Gemeente des Heeren, wordt de gemeenschap der heiligen in Christus beoefend.
En zie, onder de genieting van het avondmaal spreken daar de disgenoten met Christen over de Heere van de heuvel, Die een groot Krijgsman was geweest en Die gevochten had met hem die het geweld des doods had (d.i. de duivel, Hebr. 2: 14). Ook spreekt Christen daar over zijn grote liefde tot die Heere. Want hij heeft gehoord en hij gelooft het, dat die Heere Zijn vijand overwonnen heeft met het verlies van veel bloed. En zulks alles uit zuivere liefde tot de Zijnen.
Bovendien - zo lezen wij - waren er ook onder de disgenoten, die zeiden zelfs dat zij bij Hem geweest waren en met Hem gesproken hadden sedert Hij aan het kruis gestorven was!
***
Hoe treffend is deze opmerking! Zij hebben dus met Hem gesproken na Zijn dood. Gemeenschap geoefend met een Gestorvene. Dat schijnt onmogelijk. Dat klinkt tegenstrijdig. En toch, doet deze paradox, deze schijnbare tegenstrijdigheid, zich ook niet voor bij de viering van het Heilig Avondmaal in de Gemeente des Heeren, juist zoals bij dat avondmaal in dat paleis? Aan de Heilige Dis wordt immers naar de inzetting van Christus Zelf Zijn dood verkondigd 'totdat Hij komt' (1 Cor. 11: 26). De Gekruisigde komt weder! Dat is toch juist het wonder waar Christus' Kerk van leeft. Want de dood des Heeren is niet hetzelfde als een dode Heere. De Kerk heeft een Zaligmaker, Die dood is geweest en weder levend geworden en Die leeft tot in alle eeuwigheid! Amen. En Hij heeft de sleutels van de hel en van de dood (Openb. 1: 18). De Heere is waarlijk opgestaan!
Bij het genieten van de tekenen en zegelen van Zijn verbroken lichaam en van Zijn vergoten bloed mogen de gelovigen gemeenschap oefenen met de levende Heere. Hij is opgestaan; en door het gelovig oefenen van de gemeenschap met Hem wordt Zijn leven het leven voor Zijn Kerk.
'Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven' (Rom. 6: 5, 8).
Bezegeling
Vereniging met de opgestane Christus! Deze heerlijke heilswerkelijkheid mag in het bijzonder dus bezegeld en bekrachtigd worden aan de Heilige Dis des Verbonds, 'opdat wij door die Geest, Die in Christus als in het Hoofd en in ons als Zijn lidmaten woont, met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben en al Zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en heerlijkheid deelachtig worden' (Avondm. form.). Aan het Heilig Avondmaal genieten de gelovigen een geestelijke gemeenschap aan de Gekruisigde, Die is opgestaan; een gemeenschap die voor de wereld, voor het ongeloof en voor het natuurlijke verstand niet is te bevatten. Een geestelijke gemeenschap! Eén met de levende Christus. Een vereniging op de wijze zoals Paulus die beschrijft in Romeinen 6: het beeld van de ene Plant (Christus) waarin vele takken zijn ingelijfd; en zulks naar het voorbeeld van Jezus' eigen gelijkenis van de Wijnstok en de ranken: 'Ik ben de Wijnstok en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in Hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen' (Joh. 15: 5). Het is hier een gelovige vereniging met de opgestane Christus, een mystieke verborgen eenheid met de levende Zoon van God.
Let wel: het is niet een eenwording met God of met het goddelijke op de wijze van de 'verdorven mystieken', zoals onze vaderen wel zeiden. Immers in die verdorven mystiek gaat het om een gelovige opklimming van de ziel tot het goddelijke, een zodanig opgaan in het goddelijke dat de ziel zich ten slotte geheel in de godheid komt te verliezen en als vergoddelijkt wordt. Ten diepste is dat heidens; gans anders dan het 'Hij in ons en wij in Hem' van ons avondmaalsformulier. Want God blijft God en het schepsel blijft schepsel. Adam wilde als God zijn en zelfs de vrome mens zou tot het goddelijke willen opklimmen. Maar de wortel daarvan ligt in de zondeval. Dit is geen bijbelse mystiek. In de beoefening van het ware geloof volgens de Schriften is het niet de ziel die opklimt tot God, maar is het God, Die in Zijn genade Zich neerbuigt tot verbrijzelde zondaars en zondaressen en Die Zijn genade verheerlijkt in het hart. 'De Zoon des Mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.'
***
Juist dat is het wat de grote kerkhervormer Maarten Luther zo heeft volgehouden bij zijn visie op het Heilig Avondmaal: wij van onszelf uit doen daar niets en hoeven daar ook niets te doen. Wij hoeven niet ten hemel op te klimmen om de Zaligmaker te omhelzen. De levende Zaligmaker Zelf daalt neer en schenkt Zich weg aan de Zijnen in de tekenen en zegelen van Zijn gekruisigd lichaam. Zó geeft Hij, hoewel Hij in de hemel is, een ware gemeenschap met Hem te oefenen en te smaken. Niet op de roomse vleselijke wijze: alsof brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus. Maar ook niet zo, dat het maar lege tekenen zijn, als een blote herinnering aan Christus, Die in de hemel is. Neen, in het Heilig Avondmaal is Christus werkelijk aanwezig en mogen de gelovigen daadwerkelijk gemeenschap met Hem oefenen.
Hoe aanwezig?
Hoe is Hij dan aanwezig? Helaas, in de reformatietijd ontstond er veel misverstand over de vraag naar de wijze waarop Christus aanwezig is in het Avondmaal. De Zwitsers benadrukten het feit dat de opgestane Christus nu in de hemel is en niet in de tekenen. Dat leek op een uitholling van het sacrament. Want dan houdt men lege tekenen over.
De calvinisten legden de nadruk op het 'Sursum Corda', de harten omhoog en niet aan het uiterlijke brood en wijn blijven hangen. Luther benadrukte het 'Dit is Mijn lichaam'. Christus is hier Zelf aanwezig.
En toch, ten diepste bedoelden zij allen hetzelfde: de ware gelovige genieting van de gemeenschap met Hem, Die voor de Zijnen is gestorven en opgestaan, ook al was de wijze van die geestelijke gemeenschap niet verstandelijk te beredeneren.
***
In dit verband citeer ik uit een brief van Luther van 1 december 1537 aan de Zwitsers, om daarmee aan te tonen dat Luther vaak wordt misverstaan, alsof hij over de vereniging met Christus in het Avondmaal nog half rooms zou hebben gedacht. Hij schrijft het volgende:
'Genade en vrede in Christus onze Heere en Zaligmaker (...). Aangaande het sacrament van het lichaam en bloed van Christus, daarvan hebben wij nooit geleerd en leren het nog niet, dat Christus van de hemel van de rechterhand van God zichtbaar of onzichtbaar nederdaalt of opvaart. Wij houden ons standvastig aan het geloofsartikel dat zodanig is: Opgevaren ten hemel, gezeten ter rechterhand van God, vanwaar Hij wederkomen zal, enz.
Op wat voor wijze nu en op wat voor manier het lichaam en bloed des Heeren ons in het Avondmaal wordt uitgedeeld als men volgens Zijn Woord bijeenkomt en Zijn inzetting wordt onderhouden, dat geven wij over en bevelen het aan de goddelijke almogendheid aan. Wij maken hier geen gewag van enige opgang of nedergang, maar wij houden ons eenvoudig aan de woorden des Heeren, welke zijn: Dit is Mijn lichaam, dit is Mijn bloed. Echter indien wij elkander hierin nog niet volkomen hebben verstaan, zo zou dit nu het beste en het nuttigste zijn, dat wij ons jegens elkaar als vrienden bewijzen en onderling het beste hopen, totdat door de vele twisten heen het beroerde water allengskens weer gaat zinken. Bucer en Capito kunnen in al deze zaken gemakkelijk raad schaffen, indien wij maar onderling verenigd zijn in gemoederen en alle misnoegen laten varen en vergeten, de Heilige Geest plaats laten en wij arbeiden om een zalige en broederlijke vereniging te voltrekken. Wat ons betreft en inzonderheid mijn persoon, ik zal ulieden omhelzen met de grootste goedwilligheid, liefde en trouw, vergetende alle onlusten. En hoe wij ook ons best zouden mogen doen om deze eendracht te voltrekken, zo hebben wij nochtans nodig de wijze raad en de hulp van God.'
Calvijn
In dezelfde geest spreekt ook Calvijn over de avondmaalsopvatting van Luther en van de Zwitsers in zijn Tractaat der Ergernissen:
'In de ganse hoofdsom van de godzaligheid hebben zij wonderwel overeengestemd. Zij hebben allen uit één mond geleerd, welke de rechte en onvervalste godsdienst was en hebben hun best gedaan om die van de ontelbare bijgelovigheden en afgoderijen te zuiveren en van de verdichtselen der mensen te ontlasten (...). Alleen in de waartekenen is wat verschil geweest. En nochtans durf ik dit zonder lichtvaardigheid als waarheid te zeggen (...): Wij komen zeer wel overeen in het rechte gebruik van de sacramenten. Wij betonen uitdrukkelijk dat het geen ijdele of blote en dode, dat is krachteloze figuren zijn, omdat niet alleen hun gebruik krachtig werkt door de kracht des Heiligen Geestes, maar dat God ook daadwerkelijk geeft, door de verborgen kracht van dezelfde Heilige Geest, al hetgeen Hij daar vertoont. Daarom bekennen wij brood en wijn in het Heilig Avondmaal geen ijdele waartekenen te zijn van de gemeenschap die de gelovigen met Christus hun Hoofd hebben, omdat onze zielen Christus Zelf tot een geestelijk voedsel genieten. Dit alles wordt overal eender geleerd (...).
En dan zegt hij eigenlijk hetzelfde als Luther: 'Alleen in het beschrijven van de manier waarop men Christus deelachtig wordt, is men een weinig verschillende.'
Op dezelfde wijze zocht ook de calvinistische hervormer Johannes à Lasco te Emden, met erkenning van de verschillende avondmaalsopvattingen, naar het gemeenschappelijke daarin: de belijdenis van de sacramentele eenheid met Christus. In zijn standpunt konden lutheranen en calvinisten beide zich heel goed vinden. Helaas heeft de impulsieve Luther in drift en toorn wel eens minder vredelievend gesproken. Maar in het bovenstaande kijken we hem toch in het diepst van zijn hart en daar zien wij ook hoe de hervormers in de grond van de zaak overeenstemden in de geestelijke genieting van de eenheid met Christus, de Gekruisigde en Opgestane Heere. Niet vleselijk, stoffelijk, maar geestelijk en sacramenteel.
Kruis en Opstanding
Kruis en Opstanding, ze horen bij elkaar. Ze horen bij de gelovige. Daarop richten zich geloof, hoop en liefde. Daarin ligt het leven van het geloof. Hoor de roemtaal van Gods kinderen in ons avondmaalsformulier:
'Daarom bevestigt God daarmede Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren; zo zullen wij ook veelmeer door Hem behouden worden van Zijn toorn, nadat wij door Zijn bloed gerechtvaardigd zijn. Want indien wij met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons toen wij nog vijanden waren, veelmeer zullen wij behouden worden door Zijn leven, nadat wij met Hem verzoend zijn.'
Behouden door Zijn dood, behouden door Zijn leven. In het Avondmaal ervaren wij de band tussen Goede Vrijdag en Pasen: 'Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft' (Gal. 2: 20).
Welnu, is dat ook de taal van ons hart? 't Zal toch méér moeten zijn dan een theoretische reformatorische formule? 't Komt toch aan op die reële gelovige vereniging met de opgestane Christus? Het avondmaalsformulier spreekt van zondaars en van toorn en vijandschap, maar ook van liefde, verzoening, rechtvaardiging door Zijn dood en van behoud door Zijn leven.
In geen andere weg wordt de vereniging met de opgestane Christus geleerd. Het is de weg van de Christen uit Bunyans pelgrimsreis. Ontdekking aan de realiteit van schuld en toorn, de vlucht uit Stad Verderf, op weg naar Sion, via het Kruis, om daar in alle nood te ervaren wat onze Ned. Geloofsbelijdenis zegt: 'Wij vinden allerlei vertroosting in Zijn wonden'. En: 'Zo het alles in Hem is, zo heeft degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijn gehele zaligheid' (art. 21 en 22). Meer is niet nodig. Met minder dan Hem kunnen wij niet toe. 'Hij kan volkomen zaligmaken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden' (Hebr. 7: 25).
Zo beleeft Gods kind Goede Vrijdag en Pasen tegelijk aan de Dis van de gekruisigde en opgestane Heiland. Met Hem één plant geworden zijnde.
Sint Anthoniepolder L. H. Oosten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 2000
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 2000
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's