De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In het spoor van de voorgeslachten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In het spoor van de voorgeslachten

Ir. L van der Waal treedt na 38 jaar uit hoofdbestuur Geref. Bond

16 minuten leestijd

Als op de komende jaarvergadering van de Gereformeerde Bond afscheid wordt genomen van ir. L. van der Waal, gaat in één dag 38 jaar bestuurservaring verloren. Na zijn vertrek is de generatie waartoe ook ds. R. J. van de Hoef, ds. H. Visser, dr. A. van Brummelen en ds. C. den Boer behoorden, afwezig aan de bestuurstafel van de GB. Hoe kijkt ir. Van der Waal terug op deze veertig jaar hervormd-gereformeerd kerkelijk leven? 'De kerk is gefundeerd op Gods verbond. Hoewel het in de kerk gaat om de heerschappij van Schrift en belijdenis, mogen we onze liefde voor de kerk niet laten bepalen door de vraag of zij zich in alle opzichten als een belijdende kerk openbaart. In dat spanningsveld heeft de Bpnd zijn positie in onze kerk ingenomen. Daarmee staan we als hervormd-gereformeerden in een spanningsvolle relatie wat de diepte en de breedte betreft. Het is een aangevochten positie die ons moet bewaren voor triomfantelijkheid en zelfingenomenheid.'

In 1928 wordt Leendert van der Waal in een Ridderkerks loonwerkers- en tuindersgezin geboren. Hij is en blijft de benjamin in het gezin dat nog vier zoons en drie dochters telt. Zijn moeder is afkomstig uit het gezelschapsleven, zijn vader uit een oer-hervormd geslacht. Als enige leerling van zijn klas gaat Leen na de lagere school naar de hbs, want te veel opvolgers is voor geen enkel tuindersbedrijf goed. En een goede boekhouder is altijd welkom. Na de hbs volgt de Technische Hogeschool Delft, waar hij werktuigbouw studeert. Na een jarenlange loopbaan bij Esso is hij via ds. H. G. Abma vanaf 1984 als staatkundig gereformeerde in Straatsburg pionier in de Euro-politiek, waar zijn deskundigheid op vervoersgebied en zijn inzet bijna spreekwoordelijk worden, In zijn vrije tijd zet hij zich bijna vier decennia in voor de Gereformeerde Bond.

'Ds. W. L. Tukker zal de man zijn die mijn naam binnen het hoofdbestuur gebracht heeft', zegt Van der Waal, 'Bij hem volgde ik in Delft studentencatechisatie. Hij behandelde daar de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Ds. Tukker noemde iedereen keurig bij de doopnaam, dus ik was Leendert, en dat is hij tot zijn emeritaat blijven doen, al noemde hij iedereen toen keurig meneer. Die contacten met ds. Tukker heb ik altijd bewaard. Prof. Severijn belde me aanvankelijk een keer, toen ik tegenkandidaat stond tegenover ir. G. B. Smit uit Arnhem. Hij zei dat als er een vacature zou zijn, mijn naam opnieuw op tafel zou komen. Zo werd ik in 1962 gekozen.
Met Smit had ik al wel contact, want die deed het werk onder de "hervormd-gereformeerde intellectuelen". Hij bundelde hervormd-gereformeerden in regionale groepen, om na te denken over hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daar deed ik aan mee. Ik heb dat werk als bestuurslid nog een tijdje voortgezet, maar merkte dat het zo verstrengeld raakte met de RRQR en de CSFR dat de levensvatbaarheid verdween.
Toen ik kwam, was ds. Jac. Vermaas penningmeester. We hadden een klein bestuur, acht mensen. Met J. L. Verbeek Wolthuys was ik de enige niet-predikant, naast Boer, Tukker, Timmer, Bout, Vermaas en prof. Severijn.'

Waarheidsvraag
'De jaren zestig was de tijd na de invoering van de nieuwe kerkorde. Het was de bedoeling dat de richtingen die in de vooroorlogse perioden tegenover elkaar gestaan hadden, als modaliteiten naast elkaar zouden leven. Dat bracht de GB in sterke mate in contact met het denken binnen de kerk. Vragen over het verbond, het huwelijk, de taak van de christen in de samenleving waren aan de orde. Het doel van de Bond was onverminderd de verbreiding van de waarheid in de Hervormde Kerk. Dat klinkt wat parmantig, wat zelfvoldaan volgens sommigen, maar als ik terugkijk, heb ik toch steeds gezien dat het het diepste bedoelen van de GB was de kerk op te roepen zich te stellen onder het gezag van Gods Woord en de Drie Formulieren, in continuïteit met het belijden van de Vroege kerk en van de Reformatie. Het opkomen voor die diepere motieven werd soms als behoudzucht of partijzucht aangemerkt en daartoe zal ook wel eens aanleiding zijn gegeven. Maar de bond hield zichzelf niet minder deze zaken voor.
De waarheidsvraag was toen krachtig aan de orde. Zowel naar binnen toe (denk aan de discussie Kievit-Woelderink) als naar buiten toe (denk aan de nota van ds. Boer over de verzoening en aan zijn discussie met prof. Berkhof over de positie van de christen in de samenleving). Of alle gemeenten door ons bereikt zijn, is de vraag, maar de GB gaf zich ondanks zijn zwakke organisatie wel rekenschap van de vragen die in de kerk speelden. De Waarheidsvriend had toen een oplage van 5000, werd geredigeerd door dienstdoende predikanten. Het krachtig optreden naar buiten toe was er veel minder, al leverde dr. H. Goedhart wel een studie over de vrouw in het ambt; en toen het Liedboek kwam, toetste een commissie waarin ir. Smit en dr. H. Bout zaten, de bijbelliederen.
De Geref. Bond is nooit een compleet homogene groep geweest. Ook in de jaren zestig waren er predikanten die bij het hoofdbestuur aandrongen op vernieuwing van de liturgie. Hoewel er ook wel afdelingskwesties besproken werden, kregen de grotere zaken binnen het bestuur in toenemende mate de aandacht. Voor toerusting van de gemeenten was minder aandacht. Het gebeurde zeker niet op die planmatige wijze zoals nu. Vergeet vooral niet dat de organisatie erg zwak was. Alles gebeurde door dienstdoende predikanten. De agenda's voor de vergadering werden door ds. Timmer in tienvoud met de hand geschreven.'

Gereformeerd belijden
Hoe typeert u die generatie, die door sommigen in onze tijd op een voetstuk wordt gezet?
'Het waren in hun tijd de meer toonaangevende mensen, al waren er ook buiten het hoofdbestuur predikanten met een stevig profiel. Denk bijvoorbeeld aan de broers Vroegindeweij. De stijl van vergaderen was ook anders. Ze tutoyeerden elkaar buiten de vergaderingen wel, maar er werden geen voornamen genoemd en prof. Severijn werd door niemand getutoyeerd. Wij leven nu in een zo gedemocratiseerde samenleving, dat de tijd zulke mannen nauwelijks meer voortbrengt. Dat zie je ook in de politiek. Het leiderschap zoals zij dat aan de dag legden, zou in onze tijd onveranderd niet meer zo kunnen functioneren. Er is nu een collegiaal bestuur, terwijl het toen meer draaide om standpunten van enkele personen. Zo had prof. Severijn wel een heel zware stem. De opvolging van de voorzitter ging bijvoorbeeld sterk op aanwijzen van de vertrekkende voorzitter.

De contouren van de Gereformeerde Bond waren in die tijd scherper. De waarheidsvraag was ook naar binnen toe meer aan de orde. Ik heb het idee dat nu de onderlinge verschillen groter zijn, maar er is weinig ontmoeting en discussie. Ieder bewaakt het zijne. Toonaangevende bestuursleden bepaalden meer wie er wel of geen lid van de GB konden worden. Men stond voor het gezag van Gods Woord en de gereformeerde belijdenis. Met het geloofsgoed dat we hebben, wilde men ook de nieuwe generatie bereiken. Daarom was ds. Boer bijvoorbeeld voorstander van de uitgave van een parallelle psalmberijming, toen het Liedboek kwam. Om zo de gemeenten bij het geloofsgoed van de psalmen te bewaren. Ds. Tukker was meer de man die zich bewoog in de traditie van het gereformeerd belijden en van de kerk, terwijl ds. Boer daarnaast ook oog had voor maatschappelijke ontwikkelingen, de vragen van de moderne tijd. Ze legden hun aandachtsgebieden verschillend, maar trokken zeer congeniaal met elkaar op.'

Levend geloofsgetuigenis
'Binnen de hervormd-gereformeerde gemeenten leefde altijd een grote affiniteit met de Nadere Reformatie. Dat element is steeds sterk in het hoofdbestuur vertegenwoordigd geweest, waarbij ik signaleer dat daarin de laatste tijd wat meer verbreding en verruiming gekomen is, zodat de breedte van de hervormd-gereformeerde beweging nu meer in het bestuur vertegenwoordigd is.'

Hoe omschrijft u het hervormd-gereformeerde gedachtegoed, zoals dat ons over geleverd is?
'We geven de hoogste prioriteit aan het gezag van de Heilige Schrift en de gereformeerde belijdenis in haar betekenis voor de kerk, terwijl we tegelijk zeggen dat we de kerk niet funderen op de getrouwheid van de kerkleden. De kerk is niet gefundeerd op een gemeenschap van gelijkgezinden, maar op Gods trouw en Zijn verbond. In dat spanningsveld heeft de bond altijd zijn positie gehad. We mogen onze liefde voor de kerk niet laten bepalen door de vraag of zij zich in alle opzichten als een belijdende kerk openbaart; onze ontrouw doet de trouw van God niet teniet. Zelf heb ik dat van ds. Tukker en in Delft ook van ds. J. J. Poot geleerd.
Daarmee staan we als hervormd-gereformeerden altijd in een spanningsvolle relatie wat de diepte en de breedte betreft. Het is een aangevochten positie die ons moet bewaren voor triomfantelijkheid en zelfingenomenheid. Je bent deel van de kerk met al haar gebreken, terwijl we de diepte die we in de kerk willen aanbrengen, ook van onszelf mogen vragen. Het gaat niet om een programma, maar om een levend geloofsgetuigenis, dat op werven en inwinnen is aangelegd.
De prediking die wij voorstaan, vinden we meer in de kerken van de Afscheiding dan van de Doleantie. Het gaat om bevindelijke prediking, om doorleefde waarheid. Christus is de Waarheid, die we kennen moeten. Een van de diepste noties is dat de preek ons als een schuldig mens voor het aangezicht van God stelt, die uit zijn verloren staat door de genade van Christus gered moet worden. Dat is de centrale notie.
De mens staat enerzijds midden in de geschiedenis en in de cultuur - daarom begrijp ik die predikanten goed die worstelen met de overdracht van het Evangelie - maar staat anderzijds in een relatie tot God die boven de veranderingen van de geschiedenis en de tijd uitgaan: de noodzaak van genade in zijn leven en het deel hebben aan het verzoeningswerk van Christus. Hierover ging de briefwisseling van ds. Boer met Berkhof: onze positie moeten we niet kiezen in de cultuur, maar in Gods Woord. Die boodschap die Boer richting de midden-orthodoxie sprak, moeten we nu ook tegen onszelf zeggen. Dat levensgevoel met zijn vragen naar de zin van het leven en het Godsbestuur penetreert ook in onze eigen kring. Het orthodoxe geloof wordt niet alleen aangevochten vanuit de leer, maar ook via het leven. Dat vraagt een prediking die beslist in rapport met de tijd is, die erkent dat wij nu leven in een tijd van mobiliteit, computers en informatie, maar die niets afdoet aan de bijbelse noties en de noodzaak van de werking van de Heilige Geest.
Sommigen vinden ds. Boer te vanzelfsprekend, te gemakkelijk: "Als je vanuit Gods Woord vertrekt, ben je dan de moderne mens wel voldoende in de huid gekropen? " Voor mij is zijn visie nog volledig terzake. In de verhouding tegenover God wordt het eerste en laatste, dus beslissende woord gezegd. De diepte van het geloof, daar moeten we in de prediking ook de wacht bij betrekken.'

Prioriteiten
'In mijn bestuursperiode heeft de GB - ik vind terecht - de kern van zijn activiteiten in de gemeenten, in de geestelijke toerusting gezocht. De vorming van ambtsdragers is van groot belang. Daarom is al in het begin van het bestaan van de GB het onder ons bekende Studiefonds in het leven geroepen. Daaruit zijn talloze studenten in de theologie gesteund. De laatste jaren is de doelstelling van dit fonds verbreed en uitgebreid met hulp bij de opbouw van een bibliotheek, het beleggen van studieweken voor de studenten en het stimuleren van de studiezin onder predikanten door steun aan promoties.
Later is aan het Studiefonds een afzonderlijk Leerstoelfonds toegevoegd. Daaruit worden al jarenlang de bijzondere leerstoelen aan de universiteiten bekostigd. Met deze arbeid, gericht op de opleiding van predikanten en het gereformeerd theologisch onderwijs, wordt concreet inhoud gegeven aan de centrale doelstelling van de GB, de verbreiding en verdediging van de waarheid in de Nederlandse Hervormde Kerk. Dienst aan de gemeente en de prediking is zo voluit dienst aan de kerk.
Het werk van de GB breidde ook naar andere terreinen uit. Als gevolg van de kerkorde van 1951 raakte de bond krachtens eigen doelstelling steeds meer betrokken bij de zaken die in de kerk aan de orde kwamen, waarvan ik er zoëven enkele genoemd heb. Dat kreeg na verloop van tijd ook organisatorische consequenties. Met alleen vrijetijdswerk en de inzet van dienstdoende predikanten bleek het werk niet te doen. Het is uiteraard zaak - en daarop word ik wel eens bevraagd - om bij de groei en uitbreiding van het werk de primaire doelstelling van de GB goed voor ogen te houden. Het is goed elkaar daarin scherp te houden. Maar we moeten erkennen dat we anders in de tijd staan dan veertig jaar geleden. Onze mensen hebben nu veelal andere posities in de samenleving en vanuit het openbare leven wordt soms aandacht voor zaken gevraagd waar de GB ook niet helemaal aan voorbij kan gaan. Het is daarom van belang dat de bond voor zijn activiteiten voldoende middelen heeft.
Het imago leeft wat dat de bond voldoende geld heeft. Kijk, ik meld met dankbaarheid dat de GB van de gemeenten en de leden steeds de benodigde middelen ontvangen heeft. Maar over het zogenaamde voldoende geld is nog iets meer te zeggen. Het is bekend dat de GB een vermogen heeft van tweeëneenhalf miljoen. Dat vermogen genereert echter rente, die we hard nodig hebben om jaarlijks de eindjes aan elkaar te knopen. En als je een aantal mensen in dienst hebt, is een zekere reserve onontbeerlijk. Ik ben me er ook van bewust dat sommigen hierdoor gemakkelijk voor steun aankloppen. Maar de herkomst van de middelen - de hervormd-gereformeerde gemeenten - brengt de morele verplichting mee dat de bestedingen gericht zijn op de kerndoelstelling van de GB: de geestelijke toerusting van de gemeenten.'

Machtsmiddel
'Ik werd in 1973 penningmeester, als opvolger van ds. Vermaas. Hij was een man met een zakelijke inslag, met een scherp analytisch verstand, uitstekend geëquipeerd voor de penningen. Voor de dag ten einde was, stonden alle verantwoordingen in de boeken. Wel, dat kan ik hem niet nazeggen. Hij had gezag binnen het hoofdbestuur. In de tijd dat het penningmeesterschap in mijn handen was, is het veel omvangrijker geworden. Tot de overdracht aan de heer Van der Louw werden alle betalingen hier uitgeschreven. Mijn vrouw zorgde voor de verantwoordingen voor de Waarheidsvriend, voor overleg met de bank over beleggingen enzovoorts. De laatste jaren had ik veel steun van de administrateur van het college van kerkvoogden van centraal Ridderkerk, A. J. Kranendonk. Hij nam de invoering in de computer en een uitdraai van de gegevens voor zijn rekening.
Omdat anderen de financiën nauwelijks volgen, geven ze in het bestuur de penningmeester een vrij zware stem. Hij is de man van details en deskundigheid, heeft op het zakelijke vlak een zware stem. Om in tal van vragen toch een klankbord te hebben, heb ik een financiële commissie voorgesteld, waarin onder meer ds. C. van den Bergh en de inmiddels overleden burgemeester H. Bos zaten en waarvan nu mr. G. Holdijk en ing. Van der Louw deeluitmaken. Formeel is het zo dat als de jaarvergadering decharge geeft, dat het financiële beleid van het bestuur en niet alleen de penningmeester geldt. Het moet een bestuurszaak blijven, al kan ik me voorstellen dat veel predikanten wat ver staan van al die getallen. Onder de jongere bestuursleden zijn er echter die heel relevante vragen stelden. Daarin onderscheiden ze zich bij voorbeeld van Tukker en Timmer en Bout.'

Is geld een machtsmiddel in de kerk?
Ik geloof dat het geld en goed van de kerk dienstbaar aan de voortgang van het Evangelie moet zijn. Dat geldt trouwens alle beleid in de kerk. Maar dat wil niet zeggen dat gebruik van machtsmiddelen in de kerk niet voorkomt: ik heb problemen met de honderdduizenden guldens die vanwege de procedure bij de burgerlijke rechter aan de gemeenten onttrokken worden, maar men kan ook problemen hebben met de blokkade van het beroepingswerk, waardoor uiteindelijk de voortgang van de verkondiging van het Evangelie getroffen wordt. En wat te denken van formeel wettig genomen synodale meerderheidsbesluiten in het SoW-proces die geen dienovereenkomstig draagvlak hebben onder de meelevende gemeenteleden. Een ontwikkeling die gedragen zou moeten worden door de begeerte om te verenigen wat bij elkaar hoort, sleept zich voort als een geesteloos proces tussen kerken die ten aanzien van de wezenlijke vragen omtrent het belijden "tot op het bot verdeeld zijn". En daarbij het huiveringwekkende gevaar van scheuringen.'

Geestesmerk van de Bond
Met uw terugtreden bent u de laatste van een generatie die de afgelopen jaren afscheid nam of ons ontviel. Welke boodschap laat u achter voor het bestuur, voor de kerk en de gemeenten ?
'Mijn antwoord kan wat prententieus klinken, want wat ik wilde zeggen, heb ik 38 jaar lang in het bestuur kunnen zeggen. Wat ik toch wil benadrukken, is dat het geestesmerk van de Gereformeerde Bond zoals dat zich presenteerde in de jaren waarin ik aantrad - misschien romantiseer ik die tijd enigszins - niet bepaald werd door activisme, door iets triomfalistisch of door het partijmatige, misschien wel door een stukje behoudzucht, maar vooral door de diepe begeerte de gemeenten bij Schrift en belijdenis te bewaren, en ook de jongeren daarbij te betrekken. Dat is het streven van de GB dat mij aan onze beweging gebonden heeft en dat ik in het bestuur altijd aangetroffen heb. In het verlengde daarvan zie ik de worsteling van het huidige bestuur over de vraag welke bijbelvertaling in de toekomst in onze gezinnen gebruikt moet worden. En hoe door hertaling de schatten van de liturgische geschriften verstaanbaar blijven, eveneens met het oog op de jongeren. In die traditie moet de GB staan, in de continuïteit van het belijden van de kerk, denkend aan wat Petrus zei: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God." De vroeg-christelijke kerk heeft het uitvoeriger verwoord in het Apostolicum, de kerk van de Reformatie heeft het nog uitgebreider gedaan in de gereformeerde belijdenisgeschriften. In die belijdenis ligt ons geloof verankerd.
Voor de predikanten en de gemeenten krijg je de toepassing. We mogen de jongeren winnen voor de rijkdommen van wat er in de belijdenisgeschriften en de liturgische geschriften staat, om hen hierin te funderen, hen weerbaar te maken tegen dingen die vandaag wat modieus zijn. Dat betekent altijd de spagaat tussen enerzijds eigentijds zijn, je niet vastpinnen op een traditie met een kleine letter die de doorwerking van de grote Traditie in de weg staan, én het staan in de continuïteit van het geloof van de voorgeslachten.'

Apeldoorn                P. J. Vergunst

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

In het spoor van de voorgeslachten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's