Financieel verslag 1999 van de Gereformeerde Bond
I. Jaarverslag 1999
Zoals bekend, is het penningmeesterschap van de Gereformeerde Bond met ingang van 1 januari van dit jaar overgegaan van ondergetekende naar de heer C. van der Louw, die al jarenlang als tweede penningmeester fungeerde. In verband hiermee wordt het financieel verslag deze keer in twee delen uitgebracht. De heer Van der Louw zal de begroting over het jaar 2000 presenteren. Zelf zal ik daaraan voorafgaand als afsluiting van mijn jaren penningmeesterschap en bestuurslidmaatschap een toelichting geven op de resultatenrekening van 1999.
Alvorens op deze rekening in meer bijzonderheden in te gaan, wil ik enkele opmerkingen maken over de financiële positie van de Gereformeerde Bond, zoals die zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. We letten daarbij vooral op de verhouding tussen inkomsten en uitgaven. Wanneer we de laatste vier jaar overzien, dan blijkt dat het uitgavenniveau in die jaren globaal genomen rond de een miljoen gulden ligt. Tegenover dit bedrag staat zo'n ƒ550.000,- aan lopende inkomsten uit collecten, giften, contributies en subsidies. Dat is slechts 55% van de uitgaven. Als we gemakshalve even afzien van bijzondere baten en van opbrengsten uit publicaties, kan gesteld worden, dat de rest van de uitgaven gedekt wordt door inkomsten uit nalatenschappen en de renteopbrengst van de reserves. Deze zijn daarmee goed voor ongeveer 40% van de uitgaven. Het kapitaal en de inkomsten uit nalatenschappen spelen dus een gewichtige rol in de totale financiering van de activiteiten van de Gereformeerde Bond. In eerdere jaarverslagen is dit reeds geconstateerd en is er al op gewezen dat hier sprake is van een onbalans, die correctie behoeft. De inkomsten uit collecten, giften en contributies, het zogenaamde levend geld, dienen een veel groter aandeel te hebben in de dekking van de uitgaven. Weliswaar is in de achterliggende jaren gebleken, dat jaarlijks gemiddeld een bedrag van zo'n ƒ150.000,- uit nalatenschappen is ontvangen. Het blijft echter een ongewisse inkomstenbron. Daarnaast zijn de opbrengsten uit de reserves, gezien de beweeglijkheid van de renteniveaus, ook geen constante factor. Al met al reden ons minder van deze twee bronnen van inkomsten afhankelijk te maken.
Daar komt bij dat de reserves ook aangesproken moeten kunnen worden wanneer dat voor specifieke doelstellingen wenselijk zou blijken. Dat is niet mogelijk wanneer de rente alleen al hard nodig is om de eindjes van de exploitatierekening aan elkaar te knopen. Het kapitaal is in de loop van de achterliggende jaren opgebouwd tot het huidige niveau van ruim 2,5 miljoen, dankzij overschotten op de jaarrekeningen en nalatenschappen. De rentebaten hiervan hebben jarenlang de lopende inkomstenstroom zodanig aangevuld, dat aan de gemeenten in de vele jaren slechts enkele keren een extra inspanning gevraagd hoefde te worden. Zo was het mogelijk dat de stijging van de uitgaven met zo'n 25% over de laatste tien jaar kon worden opgevangen, terwijl de inkomsten uit de gemeenten ongeveer op hetzelfde niveau bleven.
Inmiddels zijn we echter op het punt aangekomen, waarop de uitgaven niet langer meer gedekt worden door de aanvullende functie van de kapitaalrente en de inkomsten uit nalatenschappen. Dat betekent dat de exploitatierekening op deze oude bases niet sluitend is te maken.
Om aan deze situatie het hoofd te bieden, zijn intussen enkele maatregelen genomen. Om te beginnen is met ingang van 1 januari 1999 de contributie van ƒ10,- naar ƒ15,- verhoogd. Voorts heeft het hoofdbestuur met een algemeen schrijven in november 1999 een beroep op de gemeenten gedaan hun financiële steun te verhogen. In deze brief is nog eens omstandig uit de doeken gedaan op welke verschillende wijzen de financiële middelen van de Gereformeerde Bond dienstbaar gesteld worden aan de kerk. Het bestuur heeft het vertrouwen dat hierop positief gereageerd zal worden. De wijze waarop op een soortgelijke oproep in het verleden is gereageerd geeft daarvoor voldoende grond. Toen in 1994 in Utrecht en Leiden de beide leerstoelen na een onderbreking weer opnieuw en bovendien gelijktijdig werden bezet en extra aandacht voor het leerstoelfonds werd gevraagd, kwam het jaar daarop alleen al voor dit doel ƒ40.000,- extra binnen. Dit bedrag werd nog meer dan verdubbeld wegens eveneens stijgende inkomsten voor de andere doelstellingen. Een soortgelijk effect - zij het minder in omvang - was in 1998 te constateren naar aanleiding van een rondschrijven.
Opmerkelijk was echter in beide gevallen dat de verhoogde bijdragen eenmalig waren en tot één jaar beperkt bleven. Structureel veranderde er weinig in het inkomstenniveau.
Dit leert ons dat een beroep op de gemeenten voor extra steun niet onbeantwoord blijft. Wij hopen alleen dat dit extra een blijvend karakter zal krijgen. De heer Van der Louw zal op dit punt bij zijn bespreking van de begroting van het jaar 2000 nog nader ingaan.
Dan hierbij nog een ander aspect dat de aandacht verdient. Dat betreft het verschil in gemeenten en evangelisaties, die voor de onderscheiden doelstellingen van de Gereformeerde Bond een collecte of gift overmaken. De aantallen lopen per doelstelling nogal uiteen. Een aantal gemeenten en evangelisaties draagt zowel bij aan de algemene inkomsten, aan het studiefonds, het leerstoelfonds en het steunfonds-gemeenten. Maar er zijn meerdere gemeenten, die hun steun beperken tot een of twee van de genoemde fondsen. Over de jaren schommelt dat wel wat maar uit een analyse van de jaren 1997, 1998 en 1999 is gebleken dat gemiddeld en globaal rond de 75 hervormd gereformeerde (wijk-)gemeenten en evangelisaties bijdragen aan de algemene inkomsten. Voor het studiefonds is dat aantal ongeveer 90, voor het leerstoelfonds 110 en voor het steunfonds zo'n 30. Het is van belang hierbij te bedenken dat de verschillende doelstellingen - hoewel onderscheiden in gerichtheid - alle hetzelfde centrale doel dienen; namelijk de beoefening van de gereformeerde theologie, de vorming van ambtsdragers en de geestelijke toerusting van de gemeenten. En daarbij is uiteraard de ondersteuning van het bestuursbeleid vanuit het bureau onmisbaar. Daarom willen we elk van de genoemde fondsen voor steun in de aandacht van de gemeenten en hun leden aanbevelen. De heer Van der Louw zal hierop aanstonds verder ingaan.
Met het voorgaande is ook het belangrijkste gezegd over de rekening van 1999. Het negatieve eindsaldo van circa ƒ 66.000, wijkt weinig af van het bedrag dat was begroot. Maar dat stelt niet helemaal tevreden. Het is namelijk dankzij lagere uitgaven onder andere voor studietoelage en donaties, dat het nadelig saldo tot dit bedrag beperkt is gebleven; niet als gevolg van hogere inkomsten. Dat blijkt duidelijk uit het blokje 'Algemene inkomsten'. Met het niveau van ƒ253.000,- blijft deze post ruim ƒ40.000,- achter bij de begroting. Zelfs ten opzichte van 1998 heeft de contributieverhoging in 1999 niet tot een toename geleid. Dat het effect van de hogere contributie voor een deel door teruglopende giften bij contributies zou worden geneutraliseerd was te voorzien, maar het zijn vooral de collecten en giften in deze categorie, die zijn achtergebleven bij 1998.
Intussen moet gesteld worden dat het beeld van 1999 wat ongunstig beïnvloed is door enkele eenmalige uitgaven. Zo is er een bedrag van bijna ƒ18.000,- opgenomen als vacantiegeld reservering voor de medewerkers. Dat zal voortaan jaarlijks gebeuren, maar bij de eerste invoering wordt de rekening er nadelig door belast. Voorts is de rekening van Theologia Reformata met ruim ƒ5.000,- extra kosten belast vanwege het faillissement van de drukker Oosterbaan & Le Cointre. Ten slotte is nog te wijzen op de vergaderkosten van het bestuur als gevolg van de hoge vergaderfrequentie in verband met Samen op Weg. Een verschijnsel dat helaas een meer structureel dan incidenteel karakter heeft. Ook de lagere renteopbrengst zal zich niet tot 1999 beperken. Vrijvallende hoog rentende obligaties zijn niet tegen hetzelfde renteniveau te herbeleggen. Zou de exploitatierekening gecorrigeerd worden voor de incidentele lasten dan zou deze zo'n ƒ40.000,- gunstiger uitvallen en dus nog steeds niet sluitend zijn. Het spreekt vanzelf dat er naar gestreefd wordt het verenigingsjaar steeds zonder tekort af te sluiten. Het bestuur is er van overtuigd dat dit mogelijk is. Wat betreft het jaar 2000 zal de heer Van der Louw toelichten hoe we dat denken te bereiken.
Afsluitend wil ik namens het bestuur hartelijk dankzeggen voor de financiële steun, die wij in 1999 mochten ontvangen. Met grote dankbaarheid zie ik terug op de vele jaren, waarin ik van de Heere de kracht en de gezondheid heb ontvangen om het penningmeesterschap te mogen vervullen. Voor het in mij gestelde vertrouwen zeg ik hartelijk dank. Graag spreek ik de wens uit dat het werk van de Gereformeerde Bond blijvend gezegend mag worden.
L. van der Waal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 2000
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 2000
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's