De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De betekenis van elektronische post voor de gemeenteopbouw (7, slot)

Bekijk het origineel

De betekenis van elektronische post voor de gemeenteopbouw (7, slot)

9 minuten leestijd

De vorige keer zagen we hoe elektronische post van dienst kan zijn bij het doorgeven van preken aan gemeenteleden die daar om welke reden dan ook mee geholpen zijn. Natuurlijk kan men vandaag de dag ook, zoals iemand mij liet weten, preken van het internet halen, en zelfs diensten via internet meemaken, maar daar richten we ons nu niet op. We beperken ons in deze artikelen immers tot het verschijnsel e-mail. Bovendien zal het bij gebruikmaking van het internet in veel gevallen niet gaan om preken die in de eigen gemeente gehouden zijn. Wanneer dat niet zo is, dragen ze ook niet direct bij aan de gemeenteopbouw.

Reacties op de dienst
Er zijn trouwens nog meer mogelijkheden om e-mail te gebruiken rondom de erediensten. Zo kan men als voorganger gemeenteleden uitnodigen om het via e-mail te laten weten wanneer zij op een bepaalde zondag niet in de diensten aanwezig kunnen zijn. Je weet in zo'n geval dat je achter die afwezigheid niets hoeft te zoeken. Mijn eigen ervaring met zo'n uitnodiging is, dat het éven werkt, maar na verloop van tijd toch weer wat uit het collectieve geheugen wegzakt.
Iets anders is dat een predikant wiens e- mailadres bij de gemeente bekend is, kan rekenen op wat meer reacties op eredienst en prediking. Dat hangt weer samen met de al eerder geconstateerde drempelverlagende werking van elektronische post: gemeenteleden zullen sneller met een vraag of opmerking komen via e-mail dan dat ze erover bellen of schrijven. Veelal gaat het dan om vragen ter verheldering of opheldering van wat tijdens de dienst gezegd werd. Laat me een voorbeeld geven van hoe men zich dat kan voorstellen.
Ooit las ik in een ochtenddienst tijdens de wetslezing het zevende gebod ter afwisseling in de versie die we aantreffen in Deut. 5: 'Gij zult geen overspel doen'- om er zodoende aan te herinneren dat het in dit gebod om méér gaat dan alleen om echtbreuk. Het gaat niet aan bij dit gebod alleen te denken aan diegenen binnen of buiten de gemeente wier huwelijk gebroken is, want er zijn ook andere dingen aan de orde.
Iemand stelde toen de volgende morgen via e-mail de vraag, waarom ik de bijbeltekst veranderd had, en of ik echtbreuk dan niet erg meer vond. Hij had de variant gehoord als een verzwakking van het oorspronkelijke zevende gebod in plaats van als een aanscherping daarvan, en dacht bovendien dat het zo niet in de Bijbel stond. In een antwoordmail konden we spoedig aan beide misverstanden een einde maken. Was er geen e-mail geweest, dan waren ze wellicht blijven bestaan.

Geen verwijten
Natuurlijk is het in het verlengde hiervan ook mogelijk dat e-mail aangegrepen wordt om hele discussies over de inhoud van de prediking op touw te zetten, waarbij de meningen scherp tegenover elkaar kunnen staan. Zelf heb ik dat nog niet meegemaakt, maar het is natuurlijk niet ondenkbaar. Die kant moet het m.i. echter niet op. Zo goed als het medium van de elektronische post geschikt is voor het doen van verzoeken - men kan er immers rustig over nadenken en dan antwoorden - zo slecht is het geschikt voor het maken van verwijten. Want een e-mailbericht is zo snel geschreven en verzonden. En wat geschreven is, dat staat er dan toch maar, even hard en duidelijk als in een brief. Eigenlijk zouden we daarom met elkaar (of in elk geval met onszelf) moeten afspreken dat we het medium, hoe verleidelijk het misschien soms ook kan zijn, daar niet voor gebruiken. Wie iets tegen een ander heeft, laat die de ander opzoeken of bellen, maar niet mailen. Ook bij het verwoorden van kritiek in een brief moet men zichzelf altijd de vraag stellen, waarom men een en ander niet in een mondeling gesprek aan de orde wil stellen. Maar bij e-mail luistert het vanwege de weinige moeite die het kost helemaal nauw.

Schaduwkanten
Daarmee zijn we in feite al aangekomen bij het volgende en laatste deelonderwerp dat onze aandacht vraagt in deze reeks: de mogelijke schaduwkanten die kleven aan de opkomst van elektronische post. We hebben immers in het eerste artikel gezien dat vrijwel alle technische uitvindingen die sinds de industriële revolutie gedaan zijn een Januskop hebben: ze kunnen zowel een zegen vormen als een vloek. Dat hangt er maar vanaf hoe men ze gebruikt, Hoe ligt dat nu bij e-mail? We hebben tot dusver tamelijk uitvoerig allerlei mooie kanten van dit nieuwe medium belicht, maar zitten er ook geen schadelijke kanten aan? Ik noem vier dingen waaraan we in dit verband kunnen denken.

1. Toenemende afhankelijkheid
Allereerst maken we ons via e-mail weer een stapje verder afhankelijk van de techniek. En die techniek kan ons altijd in de steek laten. Techniek blijft immers mensenwerk. E-mailbrievenbussen fungeren bijvoorbeeld vaak ook als archieven, waarin men alle via elektronische post gepleegde briefwisselingen opslaat. Begeeft echter de computer het, dan kan het gebeuren dat men de opgeslagen brieven geheel of (wat mij ooit overkwam) gedeeltelijk voorgoed kwijt is. E-mail is vervolgens, zoals onlangs nog weer duidelijk werd, bijzonder kwetsbaar als medium waarlangs computervirussen in huis gehaald en geactiveerd kunnen worden. Niet zozeer de e-mailteksten zelf, maar wel de aanhangsels brengen in dit verband risico's met zich mee. Onbekende aanhangsels moet men dan ook nooit openen.
En dan heb je natuurlijk nog andere dingen die technisch mis kunnen gaan. Meestal gaat het daarbij natuurlijk niet zozeer om computerstoringen in de strikte zin van het woord, alswel om menselijke fouten die daaraan ten grondslag liggen. Toch blijft het wel zaak erop toe te zien dat we ons niet gaandeweg hoe langer hoe meer van de techniek afhankelijk maken, zodat we haast niet meer zonder zouden kunnen.

2. Haastcultuur
Een tweede negatieve kant die aan e-mail kleeft, is dat het verschijnsel ook typisch past in onze haastcultuur. Want e-mail heeft in vergelijking met een 'echte' brief onvermijdelijk iets vluchtigs. Je ziet dat vaak al aan het aantal typefouten en grammaticale fouten, dat in e-mailberichten vaak vele malen groter is dan in gewone brieven. In plaats van de tijd te nemen om iemand ergens van op de hoogte te brengen of iets te vragen, kiezen we er tegenwoordig steeds vaker voor om het 'snel even op de e-mail te zetten'. Wanneer de ander dan ook nog geacht wordt het even snel gelezen te hebben (bijv. in het geval van een afzegging), dan strijdt dat met wat men noemt de 'e-mailetiquette'.
Het kan nauwelijks toeval zijn dat e-mail juist ontstaat en zo'n hoge vlucht neemt in een tijd waarin het leven voor velen steeds jachtiger wordt, en het levenstempo steeds hoger. Zo'n tijd vraagt bijna om zoiets als e-mail. Alsof drukke mensen daar echt mee geholpen zouden zijn! Het geeft het vliegwiel dat het leven vaak al is alleen nog maar een extra impuls. Men krijgt er immers een nieuwe verplichting bij: wie e-mail heeft, dat behoort ook tot de 'etiquette', dient de postbus ook regelmatig te legen, en niet al te lang te wachten met reageren. Van hieruit kunnen we begrijpen dat predikanten en anderen die al aan de grens zitten van wat ze qua werkzaamheden aankunnen, liever maar niet aan e- mail beginnen,

3. Verslaving?
In het verlengde hiervan moeten we ervoor uitkijken dat het bezig zijn met elektronische post niet al te tijdrovend of zelfs verslavend gaat werken. Wanneer men de hele dag door maar benieuwd is of men misschien nog een nieuw elektronisch briefje van iemand ontvangen heeft, dan werkt e-mail al gauw averechts: in plaats van een nuttige tijdbesparing, wordt het tot een veeleisende bezigheid. Al is het risico van een zekere verslaving ten aanzien van het internet vele malen groter, toch moet men in dit opzicht ook met e-mail uitkijken. Voor je het weet besteed je er structureel veel meer tijd aan dan je doorhebt. (Dat geldt zeker voor wie er dan ook nog over gaat schrijven - al was dat in dit geval slechts bedoeld om een dreigend kopijgebrek bij dit tijdschrift te verhelpen...).

4. Non-communicatie
De laatste schaduwkant die we hier willen aanstippen is dat e-mail gemakkelijk de hoeveelheid non-communicatie doet toenemen. Onder non-communicatie verstaan we dan gedachtenwisselingen zonder veel inhoud, praten om het praten zélf. In de computerwereld noemt men dat 'chatten': letterlijk 'kletsen', en wel met mensen die je niet kunt zien, maar die ook over een computer en e-mailfaciliteiten beschikken. Kennelijk bestaat daar in onze huidige samenleving op de een of andere manier veel behoefte aan. Je ziet hetzelfde verschijnsel immers ook bij het gebruik van mobiele telefoons optreden. Ook daarmee worden heel wat gesprekken gevoerd die niet of nauwelijks inhoud hebben, laat staan noodzakelijk zijn, maar die kennelijk alleen bedoeld zijn om het praten zélf. Het woord van Christus dat we eenmaal rekenschap af zullen moeten leggen over elk ijdel woord dat we gesproken hebben, moeten we nooit te snel gebruiken om een ander het zwijgen op te leggen. Maar het kan wel eens door je hoofd heen schieten als je let op de enorme toename aan non-communicatie. Zit daar dan toch de behoefte achter om het ontbreken van wezenlijk contact - met God en met de ander - door middel van surrogaatcommunicatie te verhullen?

Evaluatie
Geen van de hierboven genoemde schaduwkanten is intussen noodzakelijk met het verschijnsel e-mail gegeven. Wie zich er bewust op richt, kan zorgvuldig met de techniek omgaan in plaats van zich eraan uit te leveren, de neiging om steeds vluchtiger en gehaaster te worden tegengaan, een onevenwichtig grote tijdsinvestering voorkomen, en zich verre houden van noncommunicatie.

Misschien ten overvloede wijzen we er nogmaals op dat we hier dus niet ingaan op de voors en tegens van het internetgebruik. Daar zou veel meer over gezegd moeten worden, maar dat gebeurt elders al. Wat e-mail betreft geldt dacht ik, dat wie zich van bovengenoemde valkuilen bewust is, in het algemeen met veel vrucht en genoegen van dit nieuwe medium gebruik zal kunnen maken. Wanneer het gebruik ervan (zoals in deze artikelenreeks ontvouwd) ook nog kan bijdragen aan de opbouw van de gemeente, is dat alleen maar positief te waarderen. Men kan hier de parallel met de telefoon maken: zoals vroeger pastorieën tot de eerste woningen in het dorp behoorden die over een telefoonaansluiting beschikten, zo zou dat vandaag toch ook met e-mail het geval moeten zijn. Al met al mogen we in het systeem van elektronische post een nieuwe ontsluiting zien van mogelijkheden die in de schepping liggen opgesloten.

Bilthoven                     G. v. d. Brink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 2000

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De betekenis van elektronische post voor de gemeenteopbouw (7, slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 2000

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's