De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

Teije T. Osinga te Garijp schreef een intrigerende geschiedenis over Drie Hervormde Evangelisatie op de "arme Friesche heide" rondom 1900, t.w te Boelenslaan, Houtigehage en Puntpaal. Hier volgen twee momenten, waarin de armoede in die dagen wordt verwoord.

Eerst uit de Drachtster Courant van 24 april 1953:

• Wat ds. Visscher met eigen ogen aanschouwde'. (Ds. J. P. Visscher was stichter van de evangelisatie Houtigehage in de tijd dat hij dominee van Rottevalle was.):

'Wij laten hier een gedeelte volgen uit een van ds. Visschers vele boeken over de "arme Friese heide". Hij vertelt van een bezoek aan een plaggenhut op de Houtigehaagster heide in de sneeuwstorm:
"Daar ginds stond een jammerlijke woning. Een 'woning'"...!?
Niets anders dan een paar muren van plaggen met vóórin een paar kleine ruitjes, waar de glazenmaker heusch niet veel aan verdiend had. Het dak van oud, groenig vuil en morsig riet, dat er op lag als een rottende bruine massa, nog zoowat bij elkaar gehouden door een paar half verteerde latten, was nu bedekt met een dikke sneeuwlaag.
En op dat karikatuur van een menschelijke verblijfplaats dat daar den naam van "woning" nog moest dragen, stond het gansche noodweer óók te bulderen. Werkelijk, we hielden ons hart vast als er weer van uit het noorden zoo'n razende legermacht kwam aanstormen!
En wat zal ik zeggen van het inwendige? ... We kwamen er binnen. Een heel klein hokje, waar een geheel gezin moest verblijven, waarin men niet rechtop kon staan, en waar alles boordevol was door de tafel, het mattenweefsel, de enkele stoelen en de menschen.
De sneeuw joeg er binnen, en op de wieg van de kleinste, die daar met het ingevallen gezichtje onder de dunne lapjes lag en angstig met de benauwde oogjes knipte als weer zoo'n bulderwind de hut deed kraken, lag elk oogenblik de koude sneeuw, die moeder telkens moest wegvegen.
Trouwens overal kwam door de tochtige spleten de sneeuwstorm binnen. De vrouw was druk aan het matten weven. Zo trachtte zij ten minste nog wat te verdienen. Maar och, die verdiensten van het mattenweven zijn ook al niet groot.
De kachel brandde, maar die mocht niet te onbeschaamd hard branden, anders was de turf al veel te lang op geweest.
't Was alsof de rook niet naar buiten durfde en, als hij dwalend bij den een of anderen uitgang kwam, door den sneeuwstorm weer teruggedreven werd. 't Was er verstikkend en de oogen werden rood ontstoken.

"O mijnheer" riep de man - en hij moest hard praten om zich verstaanbaar te maken, want de lucht was vol van stormgeluiden - "wat een verschrikkelijke dag! 't Lijkt wel de oordeelsdag! O, ik ben zoo bang, dat de hut van "boven" komt. Wat moet er van ons worden, als we er onder komen! Maar buiten kunnen we toch ook niet wezen! En we kunnen het niet warm krijgen hier! 't Is onmogelijk, ik heb den geheelen dag al gestookt, en de turf is nu ook op!"
En meteen een stuk zanderig veen van den leemen grond oprapende, zei hij, terwijl hij het in de kapotte, van roest uitgevreten kachel wierp "Daar gaat de laatste turf, mijnheer! Nu hebben we niets meer en moeten we verkleumen. Och mijnheer, waar.moet dat toch heen? "
En onderwijl joeg de sneeuw meedoogenloos naar binnen, en ze kwam al op het gezichtje van 't kind.'

               * * *

• Vervolgens een fragment uit een gedicht, voorgedragen bij het 50-jarig huwelijksfeest van O. Zijlstra, die van 1900 tot 1907 evangelist was te Boelenslaan:

'En door zijn ijver voortgestuwd, ging deze herder zoeken.
Naar ieder die hij vinden kon, in de Surhuister  hoeken
"Waarom kom jij niet in de kerk? " Zo klonk dan veelal 't vragen.
"Ik heb geen kleerenpak meneer, om voor dat werk te dragen."
En met bekeringslust bezield, werd dan met warm verlangen, 
Een broek, een vest, een jas gepakt en d'arme omgehangen.
Dat kwam nogal gestadig voor, zodat door al de "vromen"
Haast onze trouwe helper zelf, niet meer in de kerk kon komen.
Nog één pak kleren hield hij aan, en bijna was 't geen wonder?
Zij hadden dit ook weggehaald, als kon hij zeelf wel zonder.
En kwamen zij toen in de kerk? In doomnees eigen kleren?
De slipjas wapperde voortaan, op d' hondekar met veren.
Zo ging het in "de Heide" meer! Zij konden stelen, liegen.
Maar onze pastor liet zich zelfs, door geen Jan Hut bedriegen.
En dan die vrouw die "klopping" had. Die zonder kwaad bedoelen.
Zo heel gemoedelijk aan U vroeg "meneer, moet hart eens voelen ".'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 2000

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 2000

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's