Staande op de schouders van het voorgeslacht
Hervormd gereformeerd: een terugblik
We staan op de schouders van het voorgeslacht. We zijn vandaag niet voor het eerst en niet alleen in dit land kerk. We zijn van de kerk van alle tijden en alle plaatsen. Enkele weken geleden bracht het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis een artikel met de alarmerende titel Heeft de kerkgeschiedenis nog toekomst? Daarin werd gesignaleerd, dat het niet goed gaat met de kerkgeschiedenis. Het aantal leerstoelen in de kerkgeschiedenis is aan de universiteiten 'in hoog tempo' teruggelopen. Uitgevers aarzelen steeds meer om boeken over kerkgeschiedenis uit te geven. En er zijn al antiquariaten, die in hun kasten geen plek meer willen inruimen voor kerkgeschiedenis: 'want dat verkoopt niet meer, meneer'. Dat alles moet een verarming betekenen. In het heden ligt immers het verleden, in het nu wat worden zal.
Indruk maakte op mij enkele weken geleden een bezoek aan het stadje Komarno, op de grens van Hongarije en Slowakije. Boven in de toren van de grote kerk aldaar (een kerk met ongeveer drie duizend zitplaatsen) wordt op de stoffige zolder een grote verzameling oude theologische werken bewaard. Die hebben daar de Tweede Wereldoorlog verduurd en de jaren onder het communisme, omdat niemand daar boeken vermoedde. Men treft er ook Nederlandse oudvaders aan en werken uit de tijd van de Reformatie in oorspronkelijke editie. Men heeft deze verzameling voor sloop kunnen behoeden. Ze is daar echter aanwezig in ongeordende toestand. Alleen maar opgeborgen. Het ordenen van zulke verzamelingen lijkt in onze tijd niet tot de prioriteiten in de hulpverlening te behoren. Maar de historie dient levend te worden gehouden.
* * *
Onze tijd is dynamisch, vooral toekomstgericht. Ten tijde van het Getuigenis in 1971, dat gericht was tegen de toenmalige maatschappijkritische theologie, ontplofte prof. dr. G. C. van Niftrik een keer over theologen, die het maar gemakkelijk hadden, omdat ze het verleden niet meer nodig hadden. Theologie lijkt pas vandaag, of vandaag pas goed te beginnen.
Momenteel zien we in andere variantne hetzelfde verschijnsel. Theologie moet vandaag (vooral) in gesprek zijn met de cultuur. Het is, als ik me niet vergis, één van de grote bedreiging van de theologische opleidingen vandaag. Klassieke theologiebeoefening, puttend uit de bronnen in het verleden, maakt plaats voor modieuze cultuurtheologie, die in concrete vormen vaak even snel verdwijnt als ze verschijnt. Na cultuurchristendom nu cultuurtheologie.
Groten?
Wanneer een nieuw boek verschijnt over een aangelegen theologisch thema leert het literatuurregister vaak al genoeg. Komen de groten uit de kerkgeschiedenis erin voor? Dan stel ik eerst een vraag vooraf. Kan dat eigenlijk wel? Kúnnen en mógen we eigenlijk wel spreken over groten in het Koninkrijk Gods? Wir sind Bettler, hoc est verum, wij zijn bedelaars, dat is waar, zei de 'grote' Luther. En grote theologen of andere dienaren in Gods Koninkrijk, moesten aan het eind van hun leven, hun werk overziende, zeggen met Paulus 'Mijn genade is u genoeg. Want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht' (2 Kor. 12: 9).
Nochtans zijn er mannen en vrouwen geweest, die in het Koninkrijk Gods grote betekenis hebben gehad, zowel in de kerk als in het maatschappelijke leven. De profeet Daniël wijst erop, dat, bij het ontwaken van diegenen, die in het stof van de aarde slapen, de leraars zullen blinken 'als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwig.' (Dan. 12: 3)
Op snijlijnen in de geschiedenis heeft God mannen gegeven aan de kerk, die in de herinnering en later in de historie zijn blijven voortleven. Zelfs wereldlijke geschiedschrijvers kunnen niet om hen heen. Karin Armstrong, een gewezen rooms katholieke non, gaf een boek uit, dat inmiddels wereldvermaard is, getiteld Een geschiedenis van God. Het handelt over 'vierduizend jaar jodendom, christendom en islam', door haar nevenschikkend behandeld. Voor het christendom komt ze dan uit bij mannen als Anselmus van Canterbury, met diens leer van de verzoening door voldoening, Augustinus, Calvijn, Luther, met zijn theologie van het Kruis en zijn ontdekking bij Paulus van de rechtvaardiging door het geloof. Zelfs de Nadere Reformatie is in beeld, al worden hier geen namen genoemd.
* * *
Groten in de kerkgeschiedenis dus. Echter ook groten met al hun verscheidenheid en met hun eigen beperktheden. Luther was Calvijn niet, Calvijn was Melanchton niet, Melanchton was de latere Wilhelmus à Brakel niet, om ook een groot man uit de traditie van de Nadere Reformatie te noemen. Staan wij verder in de tijd van hen af, dan worden de verschillen gerelativeerd of hoogstens wetenschappelijk in kaart gebracht. Want het waren 'groten'. Het is goed om ons ook voor eigen tijd in herinnering te blijven brengen, dat de Koning van de Kerk mensen met verscheidenheid van gaven heeft gebruikt. Soms botsten groten met elkaar in de worsteling om het rechte verstaan van de weg van de Heilige Geest in hun tijd. Ze botsten soms ook gewoon karakterologisch. Dat vinden we ook in de tijd van de Reformatie terug. In de Reformatie ligt ons oriëntatiepunt, geestelijk, theologisch en kerkelijk. Maar kerkelijk hebben de volgelingen en de nazaten van Luther en Calvijn elkaar helaas niet kunnen vinden. Nochtans achten we hen beiden hoog, evenals Melanchton, die weer een tussenpositie innam. Is het zo vreemd, dat in een tijd, waarin zich revolutionaire ontwikkelingen voltrekken - en zo'n tijd was die van de Reformatie - verschillen aan de dag treden? Tot in de heilige leer toe? Maar ieder was met genadegaven bedeeld om, onder de verlichting met de Heilige Geest de kerk in nieuwe banen te leiden, menselijke tekorten ten spijt.
Ook de groten in het Koninkrijk Gods zijn voor het latere geslacht nooit de laatste norm. Voorzover ze uitgingen van het adagium Sola Scriptura, waren ze wel richtingwijzers of soms zelfs leiders naar een nieuwe tijd. In hun verscheidenheid weerspiegelden ze ook iets van de veelkleurige wijsheid van God.
Hervormd gereformeerd
Zo kom ik nu ook bij de eigen hervormd gereformeerde kring. Ook wij mogen het eigen verleden niet vergeten, om in het heden rechte wegen te gaan. Heeft de Gereformeerde Bond grote mannen voortgebracht? In de grote kerkgeschiedenis vindt men nauwelijks de namen van theologen of anderen uit hervormd gereformeerde kring. Onze eigen geschiedenis is kennelijk een kleine geschiedenis. Nochtans blikken we met respect terug op een hervormd gereformeerd voorgeslacht, dat in hoge mate mede gezicht heeft gegeven aan de Nederlandse Hervormde Kerk in de inmiddels vorige eeuw en ook een eigen plaats heeft ingenomen in het geheel van de Gereformeerde Gezindte. Een voorgeslacht, dat op de snijlijnen van onze kerkgeschiedenis beslissende keuzen deed.
Toen ik een kroniek samenstelde over de Gereformeerde Bond in de jaren tussen 1906 en 1951 - Delen of helen? - ben ik onder de indruk geweest van de worsteling om de kerk, die men niet kon en wilde prijsgeven. In die worsteling was het in hervormd gereformeerde kring echter al direct niet allemaal koekoek-één-zang, zelfs niet altijd pais en vree. De Gereformeerde Bond werd opgericht kort na de eeuwwisseling, nadat de kerk was geteisterd door modernisme, Afscheiding en Doleantie. Het mocht een wonder heten, dat de Gereformeerde Bond Kuyper uiteindelijk niet is gevolgd. Want er was bij velen sterke verwantschap met hem. Politiek trof men elkaar in de Anti Revolutionaire Staatspartij. Maar men bleef in de kerk, die Kuyper had afgeschreven.
We zullen ook vandaag niet moeten vergeten, dat gedurende alle jaren daarna de Gereformeerde Bond sterk onder kritiek heeft gelegen van afgescheidenen en dolerenden, omdat zij van mening waren, dat hervormd en gereformeerd niet samen konden gaan. Ik herinner hier nog eens aan het boek van dr. J. Hendriks, Emancipatie van de gereformeerden, waarin op de eerste bladzijde, wanneer hij de gereformeerde gezindte in kaart brengt, opmerkt, dat daar soms ook toe wordt gerekend de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk.
Hervormde gereformeerden gingen een eigen, kerkelijke weg, miskend vaak in eigen kerk, maar ook vaak aangeklaagd door kerken terzijde van de Hervormde Kerk, niet in het minst vanuit dé Gereformeerde Kerken, die nu met de Hervormde Kerk verenigen. Op die weg kwamen hervormde gereformeerden elkaar soms ook kritisch tegen. In de vooroorlogse worsteling om kerkherstel ging niet ieder dezelfde weg. Er was een vinnige strijd tussen De Waarheidsvriend en het Gereformeerd Weekblad. Het ging over het geestelijke of theologische thema van de verhouding tussen verbond en verkiezing, maar het ging (in relatie daarmee) niet minder ook over de kerkelijke weg.
* * *
Wanneer wij meer op afstand staan van de strijd, die in die jaren is gevoerd, komen we, zo leert de praktijk, ook genuanceerder te staan tegenover die verscheidenheid. De scherpe kanten gaan eraf. Het wezenlijke, dat uitkristalliseerde, blijft over. Zoals er de eeuwen door, ook in de tijd van de Reformatie onder gereformeerden verscheidenheid is geweest, zo was die er ook in hervormd gereformeerde kring. In verscheidenheid heeft men echter, op grond van Schrift en belijdenis, geworsteld om een gereformeerde belijdende kerk en daarin ook om de rechte prediking, in rapport met de gereformeerde belijdenis.
In 1940 kwam men in principe de scherpe tegenstellingen in de Gereformeerde Bond te boven. Met respect mag hier de naam van prof. dr. J. Severijn worden genoemd, die als voorzitter een brugfunctie vervulde. Datzelfde geldt voor ds. W. L. Tukker, die ook in dat jaar lid werd van het hoofdbestuur. Toen hij in 1969 aantrad als voorzitter, noemde hij, terwijl hij zelf verwantschap had met ds. I. Kievit, de naam van dr. J. G. Woelderink met ere. Deze had de betekenis van het verbond in hervormd gereformeerde kring dieper onder de aandacht gebracht. Dat is door de oudere generatie ook breed erkend, al volgde men hem niet in zijn laatste dagen, toen hij kritisch kwam te staan tegenover Dordt. In hervormd gereformeerde kring bleven ds. L. Blok en ds. C. van der Wal zijn testamentbewaarders. Anderen bewaarden meer het erfgoed van ds. I. Kievit. Dat lag diffuser, gezien ook latere ontwikkelingen, inzake het zicht op de (volks)kerk vanuit het verbond: als het maar niet ten koste ging van de belijdenis. Prof. dr. W. Balke mag overigens kerkhistorisch gezien aangemerkt worden als zijn huisbeheerder.
Geestelijk
Ik zou in deze terugblik nu allereerst de nadruk willen leggen op de geestelijke erfenis, die het hervormd gereformeerde voorgeslacht ons overleverde. Als ik het persoonlijk mag zeggen: dat heeft mijn leven gestempeld. 'Schrift en belijdenis' mag hier en daar (soms, vaak? ) als slogan zijn gehanteerd, het geestelijk leven in en naar de belijdenis ging in de prediking de letter ervan te boven. Severijn bracht het geestelijk element in de belijdenis op de noemer van wat hij noemde 'de religie van de belijdenis': dat zit hier! (in het hart). Zo heb ik de omgang met de belijdenis van het voorgeslacht tot mij genomen en ervaren, als levend bezit. 'Wij geloven met het hart en belijden met de mond.'
Zeker, er was in de prediking altijd verscheidenheid, waarin het 'voorwerpelijke' en het 'onderwerpelijke' element een rol speelden. Die kwestie speelt tot op vandaag. Maar algemeen was de overtuiging, dat prediking Schriftuurlijk-bevindelijk, voorwerpelijk-onderwerpelijk, in die rangorde, diende te zijn. Ik zou durven zeggen, dat de prediking in het algemeen niet onder de beklemming van een leersysteem stond - niet van een veronderstelde wedergeboorte, niet van verondersteld geloof en niet van een objectief, massief verbond - wedergeboorte schema en niet van een verkiezingssysteem - en daarom een eigen plaats had in het geheel van de Gereformeerde Gezindte. Bevinding noemde ds. Jac Vermaas altijd het mana in de prediking. Het is het zuurdesem, dat alles doortrekt. De religie van de belijdenis was bevindelijk genoeg.
* * *
Ten aanzien van de prediking was er van tijd tot tijd hartstochtelijke discussie. Ik denk aan het eind van de zestiger jaren, toen de predikanten S. Meyers, W. Balke en M. J. G. van der Velden een boekje De eigen wijs publiceerden en dr. C. Graafland zijn boekje uitgaf, getiteld Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking. Daarover waren interne verschillen. Het speelde zich allemaal af in de tijd, dat ik het hoofdbestuur binnen kwam. Opnieuw ging het om de vraag van de verhouding tussen verbond en verkiezing, maar ook over de functie en de actualisering van de belijdenis. Maar er was ook het hartstochtelijk bezig zijn met het geestelijk testament van prof. dr. A. A. van RuIer, Ultra gereformeerd en vrijzinnig, waaruit het boek ontstond Op het scherp van de snede. De worsteling om de prediking, conform de Schrift en de belijdenis, is niet van vandaag of gisteren.
Staande op de schouders van het voorgeslacht, is het dunkt mij ook vandaag nodig om de vraag onder ogen te zien wat prediking naar 'Schrift en belijdenis' voor onze tijd inhoudt en hoe dan de verhouding tussen het Schriftuurlijke en het bevindelijke tot uitdrukking komt. Vandaag is ervaring in, in moderne spiritualiteit-van-beneden-naar-boven, en tegelijkertijd is er sprake
van nieuw rationalisme. In beide richtingen zien we dunkt me vandaag verschuivingen in de prediking. Hoe ook vandaag Schriftuurlijk bevindelijk te blijven? Mij dunkt, dat het hervormd gereformeerde voorgeslacht daarin de weg wees van een christocentrische prediking: het werk van Christus centraal, maar dus niet los van het werk van de Vader en de Geest in hun onderscheiden werkingen.
Ten slotte zou ik hier willen zeggen, dat 'Schrift en belijdenis' bij de beste vertegenwoordigers van ons voorgeslacht niet leidde tot gestolde orthodoxie. Vorige week citeerde ik in De Waarheidsvriend, in een kritische reactie op wat prof. dr. C. Graafland zei inzake blokkade van de Schrift door de belijdenis, ds. G. Boer. Enerzijds stelde hij, dat de Christus der Schriften en de Geest niet herroepen wat eenmaal naar Zijn Woord is beleden, maar anderzijds, dat Christus en de Geest ook voortgaan het onuitputtelijke Woord aan de gemeente te verklaren, wat tot verrijking van het belijden mag leiden. Waarvan acte! De belijdenis, uit het verleden tot ons gekomen, ligt open naar de toekomst.
Doorvertaald
Hier wil ik nog een persoonlijk element toevoegen. We plegen ons nogal eens te beroepen op de theologische inzichten van de 'grote mannen' onder ons. Maar hun getuigenis, hun prediking, had uitwerking en draagvlak in de gemeente. En dan wil ik toch ook graag wijzen op de onschatbare betekenis, die mensen in de gemeente hebben gehad, die met wijsheid in de Schriften en in het geestelijke leven waren bedeeld. Als ik vandaag het land doorrijd, zie ik de dorpen liggen, waaraan ik dankbare herinnering heb, om mensen die ik er ontmoette; soms leden van een kerkenraad, soms zo maar een man of vrouw, die een steunpilaar waren voor de gemeente, een boer of een huisvrouw, een schilder of een onderwijsman. Ik denk zelf ook met diepe dankbaarheid aan de talloos vele brieven, waarin geestelijk leven, geestelijke wijsheid en geestelijke bemoediging was gelegen. Dominees moeten me het maar niet kwalijk nemen als ik zeg, dat zulke mensen, die bleven, voor een gemeente vaak (nog) meer betekenden dan dominees, die altijd op doorreis waren en zijn. Dat geldt trouwens ook voor de 'gewone' dominee, die in trouw zijn dienst verrichtte aan kerk en gemeente en nooit 'de krant' haalden. Tot die categorie behoorden de meesten. Zij hadden echter niet de minste invloed en betekenis.
De kerkelijke weg
Het tweede element, waarop ik de nadruk wil leggen is de basis, waarop het voorgeslacht een hervormde kerkelijke weg verkoos boven een weg terzijde. Wat zat daarachter? Het mag duidelijk zijn, dat de hervormde gereformeerden, vanaf het ontstaan van de Gereformeerde Bond, zich hebben ingezet voor het recht van de gereformeerde belijdenis, door Groen van Prinsterer aangeduid als het recht van de hervormde gezindheid. Naar mijn oordeel is hier ook sprake geweest van de invloed van het Reveil, en met name ook van Groen van Prinsterer, die het recht van de hervormde gezindheid nader uitwerkte in zijn De Antirevolutionaire partij in de Hervormde Kerk.
* * *
Dezer dagen verscheen in Nederlandse vertaling een geschrift uit 1849 van de Franse Reveilman Adolphe Monod, getiteld Waarom ik in de gevestigde kerk blijf (uitgave Frits Hardeman, Ede); een indrukwekkend geschrift, waarin Monod verwoordt waarom hij de in verval zijnde gereformeerde kerk in Frankrijk niet verliet. Hij bleef, zijn broer ging. Ze bleven behalve broers overigens ook broeders. De uitgave werd verzorgd door ds. L. H. Oosten, ds. R. D. Quint (Quebec), die het vertaalde, en dhr. J. C. J. Versteeg te Harskamp. Monod had, blijkens zijn Laatst vaarwel, waarin hij zijn Reveilvrienden in Nederland groette, sterke verwantschap met Groen van Prinsterer, die zich met betrekking tot zijn kerkelijk standpunt op hem beriep, Ten aanzien van de hoofdpunten van de leer kende hij geen geschipper. Hij zegt:
'Voor ons christenen, hangt de hele orthodoxie aan twee woorden: Christus en de genade! Maar dan wel Christus als de Verlosser, als de Geloofde, als de Ervarene, als die ene grote Zaligmaker; en de genade als het levensbeginsel, de kracht van het heil, de macht van alle machten (...). Wie in dit geloof en in deze belijdenis één met ons is, die behoort tot ons; die reiken wij de broederhand, wat hij anders ook voor inzichten hebben mag, of wat voor naam hij ook draagt.'
De grondslag van de kerk, zegt hij, is nog steeds de leer van het Evangelie. Daarom heeft de onrechtzinnigheid geen enkel recht. Wij zijn in ons eigen huis en gaan alleen weg als we eruit gezet worden. Hij wil zijn 'onfeilbare Gids', de Koning der Kerk, niet voor de voeten lopen.
Hier is naar mijn overtuiging de belijdenis ofwel de grondslag niet louter een formule maar levend geloof in Hem, die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Hij voegt daaraan toe, dat er voor hem geen hervormde noch christelijke kerk meer is 'buiten de leer van de volkomen vrije genade, die Jezus Christus als Waarachtig Mens en waarachtig God belijdt en die Zijn dood aanvaardt als een werkelijke verzoening voor de zonde'.
Zo vindt men het letterlijk bij Groen terug. Het is deze grondtoon, die we ook telkens aantreffen bij het hervormd gereformeerde voorgeslacht, dat kwam tot constituering van de Gereformeerde Bond. Het is deze grondtoon, met enerzijds het pleidooi voor de belijdenis en anderzijds een beroep op Gods trouw, in de hoop op herstel, op herleving van de kerk, die ik zelf telkens in de loop van de jaren viva vox vernam van hen, die in de laatste veertig jaren de hervormd gereformeerde beweging hebben gestuwd en gedragen en met wie ik me - u permittere mij dit persoonlijke woord - zeer verknocht heb geweten. Later zou ds. W. L. Tukker zeggen wat Monod ook letterlijk zei: we geven de kerk niet prijs aan diegenen, die er geen recht op hebben.
Twee voorbeelden
Ik wil hier twee geschriften uit onze kring voor het voetlicht brengen, die dit alles onderstrepen. Allereerst noem ik het overbekende maar voor vandaag nog steeds actuele geschrift met de lezing, die ds. G. Boer hield op de COGG conferentie van 1964, De Gereformeerde Gezindte nu en in de toekomst. Daarin zegt hij over artikel X van de Hervormde Kerkorde, waarin gesproken wordt over 'gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en gemeenschap met de belijdenis der vaderen', dat deze woorden in de praktijk hun invulling krijgen. En als het om die praktijk gaat, is de invulling vaag, vlucht men in een modaliteitenvisie. Die zou 'een pluriformiteitsleer van een bepaalde soort genoemd (...) kunnen worden'. Boer spreekt hier nochtans ook over 'de verborgen kracht van de belijdenis', die zeker niet gering is; ook al wordt in de Hervormde Kerk 'de geestelijk zegenende en bewarende tucht van de belijdenis' in aanzienlijke mate gemist. In het teken van de Heilige Doop echter - hét teken van het Verbond dus - ligt wat hem betreft de verbondenheid met het geheel van de kerk; ook al liggen er kloven, 'meer of minder diep' zodra het gaat om 'de inhoud der hemelse leer'.
De gereformeerden in de Hervormde Kerk dienen dan ook, zo vervolgt hij, 'in de uiterste zelfverloochening (o, hoe moeilijk in de praktijk) en in een voortdurend op de hoede zijn voor partij- en sectevorming te strijden voor het gereformeerd karakter van de hele kerk'. Hij verwijst hier met respect naar Hoedemaker, die 'het gereformeerd belijden in zijn volle breedte en diepte tot gelding wilde brengen' maar die in de leiding van de kerk helaas 'een vergeten man' dreigde te worden.
Credo
Zo heb ik, broeders en zusters, mijn kerkelijk credo gevonden, in diepe verbondenheid met allen, die stuur en gezicht hebben gegeven aan de Gereformeerde Bond in de jaren, dat ik er mijn plaats in mocht innemen. 'Zij die bleven'! En ik herken mij in de zelfontdekkende vraag van Boer aan de hervormde gereformeerden, als hij zegt: 'Ook aan hen mogen vragen worden gesteld. Zijn zij - hoewel een minderheid - een creatieve minderheid? Vormen zij een wervende minderheid? Gaat er praktisch trekkracht van uit? Gaat er theologische denkkracht van uit? Vormen zij een wezenlijke schakel tussen de Hervormde en andere kerken? Het zijn vragen, die tot zelfbezinning leiden'.
We mogen ons deze vragen zeker ook vandaag aantrekken, nu het geding om een belijdende kerk in sterke mate formalistisch dreigt te worden en ons zicht op de kerk wordt vertroebeld door het SoW-proces en door de innerlijke spanningen, die dat met zich meebrengt. Wat is onze creativiteit vandaag?
Verantwoordelijkheid
Ik wijs hier op een tweede geschrift, Desiderata, uitgegeven door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in 1957. Dr. H. Bout schrijft daarin over Onze verantwoordelijkheid in de kerk van vandaag. Hij refereert aan Woelderink, die in diens Geestelijke nood van deze tijd (1936) al schreef: 'De Kerk is niet minder ontkerstend dan het volksleven en daarom mag gezegd, dat de geestelijke nood van deze tijd gelegen is in de krachteloosheid der Christelijke Kerk. Haar ontrouw, haar gebrek aan geloof en liefde zijn zo groot, dat de grens tussen Kerk en wereld is uitgewist'.
Twintig jaar later was het nog niet beter geworden, maar ook niet beter dan in de tijd van Calvijn. Want ook die zei al, dat 'heel de dienst van God verdorven is en dat het Woord Gods vervalst is en de sacramenten verbasterd'. Samen ziek geworden, zegt Bout. Hij verwijst naar Hebr. 5: 12, waarin staat: 'Hoewel gij leraars behoordet te zijn vanwege de tijd, hebt gij wederom van node, dat men u lere welke de eerste beginselen zijn'. Daarover zegt hij: 'Hier is geen hoogmoed aan 't woord, geen breuk in de solidaire verbondenheid met de kerk in haar armoede (curs. van mij, v.d.G.), niet de ontkenning dat wij samen ziek zijn geworden, maar de belijdenis dat er alleen heil zal zijn in een wederkeer tot datgene, wat de troost en de hope en het houvast is geweest van het vrome voorgeslacht'.
Aardig is in dit verband te vermelden, dat hij het besluit van een kerkvergadering 'een preadvies' noemt, dat het onderzoek naar Gods Woord niet verhindert. De synode heeft niet het laatste woord.
* * *
Van ds. W. L. Tukker is in dit geschrift de tekst van een lezing geplaatst, die hij op het seminarie in Driebergen hield. Hij komt daarin tot de conclusie, dat vanwege 'Barth, de nieuwe kerkorde en (het synodale geschrift) Fundamenten en perspectieven', ook de hervormd gereformeerden werden gedwongen tot een bestudering van de artikelen 1 t/m 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis aangaande het Schriftgezag. Hij citeert Berkhof, die zei, dat de Bond ' in deze zeer onverzettelijk is', omdat 'met het belijden van het gezag van de Heilige Schrift' de Bond staat of valt. Dat mag voor ons een appèl zijn om ook vandaag die onverzettelijkheid te bewaren. Maar één en ander leidde, zei Tukker, wel tot een nieuwe bezinning, zeg verdieping op standpunten, die eerder werden ingenomen.
Ook in het zicht op de kerk, zegt Tukker, moest de Gereformeerde Bond recht doen aan de door Woelderink geuite kritiek inzake het verbond.
'De gedachte werd levend, dat God inderdaad een verbond had met Israël, dat besneden werd, met gelovigen en ongelovigen, dat Hij dat had met de Nieuwtestamentische gemeente, dat gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid des verbonds mogelijk waren, dat er bestond de zegen van 't verbond en de wraak des verbonds. Men is gaan beseffen, dat, al was het dopen met water de afwassing der zonde zelf niet, het wel degelijk de belofte daarvan inhield.Doordat dit inzicht is doorgebroken, heeft de Bond weer visie gekregen op het geheel der kerk.'
In de uitdrukking van Hoedemaker Heel de kerk en heel het volk, zegt Tukker, ligt de eis en de belofte van God. Daarom hebben, zegt hij, hervormde gereformeerden 'alle gedachten aan afscheiding' afgewezen.
Mij dunkt, dat hier is verdiept wat altijd de dragende grond is geweest voor het blijven en staan van de hervormde gereformeerden in de Hervormde Kerk, namelijk het verbond, ook waar dat niet altijd expliciet werd verwoord en ook al was er van bepaalde zijde soms een drang tot 'modus vivendi' of binnenkerkelijke doleantie; door het hoofdbestuur van de Bond intussen altijd met beslistheid afgewezen.
Schouders
In wat ik hier nu van het voorgeslacht heb geciteerd ligt naar mijn oordeel, zeg ik nog eens, ook vandaag ons kerkelijk credo. Ik wil dit actualiseren op wat onze gemoederen vandaag zozeer bezig houdt, namelijk het geding om de verzoening. Ik heb nog van heel nabij meegemaakt hoe ds. G. Boer in dat geding stond, toen het in de Hervormde Kerk zo hoog opspeelde. Ik zie hem nog op de vergadering van het hoofdbestuur komen, toen hij de synodezitting had meegemaakt over de zaak Smits inzake de verzoening. Hij was diep onder de indruk van wat prof. dr. A. A. van Ruler had gezegd, namelijk dat hij zich vijftig jaar had 'doodgeërgerd' aan het evangelie der verzoening, dat stelt dat een Middelaar onze schuld moet overnemen. 'Wij moeten over deze ergernis heen gebracht worden', zei Van Ruler. Boer sprak over 'een indrukwekkende rede, die in doodse stilte werd aangehoord'.
Wie het boek van Boer, De prediking van de verzoening - in onze tijd hoogst actueel - ter hand neemt, wordt getroffen door het feit, hoe hijzelf op de schouders van het voorgeslacht stond. Hij beriep zich inzake de leer van de verzoening op Calvijn, die zich op zijn beurt beriep op Augustinus. En Augustinus stond op de schouders van Paulus, verwijzend naar het machtige woord uit Rom 5: 8, dat God daarin Zijn liefde jegens ons bewijst, dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.
Schuld is overdraagbaar, dat is de kwestie! Of de moderne mens het geloven wil of niet. We mogen onszelf en anderen vragen of zo de leer van de verzoening door voldoening ons existentieel doortrekt maar dan ook doorhuivert.
* * *
Want die leer bepaalt ook de klemmende ernst van de bediening der verzoening. Letterlijk schreef Boer: 'Origenes moge een heilsuniversalisme verdedigd hebben uit Gods algemene mensenliefde, Barth moge een heilsuniversalisme preken, waarbij er maar Eén verworpen is, dat is Christus, en Brunner moge zeggen, dat het allen geldt inzoverre zij geloven, de werkelijkheid is, dat wij niet alleen een gericht achter ons hebben, maar ook voor ons. Wij gaan naar de rechterstoel van Christus'. Daarom moet ook de hartstochtelijke oproep klinken zowel binnen de gemeente als in het missionaire werk: 'Laat u met God verzoenen'. Met name ook vanwege dit laatste kwam Boer met een minderheidsnota, waaraan Van Ruler zijn adhesie gaf. Op de vraag waarom hij met een minderheidsnota kwam, gaf hij ten antwoord:
'Een kerkelijke commissie kan nooit vrijblijvend discussiëren over de verzoening. Het is geen academische (curs. van mij, v. d. G.) kwestie, waarover ieder het zijne kan zeggen en waarbij de ene mening naast of tegenover de andere gezet of gezegd kan worden. Dit gebeurt helaas wel, maar het is de kerk onwaardig, wanneer een school gaat heersen over de Kerk. De Kerk kan alleen uit het geloof spreken. Hoezeer de Kerk de bezinning van de theologie, eventueel scholen behoeft, zij heeft zich ook in deze bezinning te laten leiden door het geloof, dat kennis geeft aan de verborgenheden van het Evangelie.'
Met zijn hartstochtelijke getuigenis aangaande de verzoening stond Boer midden in de kerk. Hij heeft aan de miskenning ervan geleden, is er naar mijn oordeel aan bezweken. Maar hij zegt: 'Laten wij vlijtig voortgaan, zolang wij de adem hebben, met de bediening der verzoening in de gemeenten. Wij hebben maar een korte adem, maar onze God heeft een lange adem en staat met Zijn Woord in eeuwigheid.'
Tenslotte
Ik wil tenslotte nog enkele evaluerende opmerkingen maken. De groten in onze hervormd gereformeerde traditie maar ook in de bredere en langere traditie hbben gestaan voor de leer der verzoening. Daar kwam hun hartstocht aan het licht. Daar lagen voor hen ook de grenzen van het kerk-zijn. Maar dat was het niet alleen. Het ging om wat Calvijn noemt de Gloria Dei, de eer van God. Daarbij legden zij theologisch rekenschap af van de hoop, die in hen was. 'Hoop op God...' Daar moest elke vorm van kerkpolitiek, van meerderheids-minderheidsdenken wijken. Aangesloten werd bij de lange stoet van geloofsgetuigen, in rij met de geloofsgetuigen uit Hebreeën 11, die het getuigenis dienaangaande in hun harten gevoelden. 'Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet.'
Onvergetelijk waren voor mij zo de preken van ds. R. Bartlema in Ridderkerk over deze geloofsgetuigen, uitgegeven onder de titel Wereldoverwinnend geloof, op de schouders van het voorgeslacht, van aartsvaders, profeten en apostelen.
* * *
Juist als het om het hart van het Evangelie ging, heeft ons voorgeslacht zich niet afgewend van de kerk, waarin dit hart werd doorwond. Dan hebben ze het arme volk op het oog gehad, dat geheel verstoken zou zijn van de prediking der verzoening. Verbreiding der Waarheid! Ik denk aan het woord van Willem van Oranje, dat hij stervende bad: Mon Dieu, ayez pitié de moi et de ton pauvre peuple; Mijn God, heb erbarmen met mij en met dit arme volk.
Ik trek deze lijn ook naar vandaag door. De kerk is ziek, zei ooit dr. Ph. J. Hoedemaker. Samen zijn we ziek. Nochtans wist hij zich een hervormde, die, zei hij letterlijk: 'in de abnormale toestand waarin de kerk verkeert niet de allergeringste aanleiding vindt om haar te verlaten, veeleer het tegenovergestelde...'. Hij wist zich 'een predikant, die meer dan ooit zijn roeping gevoelt, waarlijk te zijn wat God hem heeft gemaakt'.
De kerk is ziek, zei Monod. In dezelfde kerk, misschien wel op dezelfde preekstoel, waar wij het Evangelie verkondigen, staan andere predikanten, die 'vreemde leringen naar voren brengen'. Dat betekent 'wan-orde'.
'Maar deze zelfde wanorde brengt ons tegelijk in aanraking met een groot aantal personen, die de Heere totaal niet kennen, maar tot wie wij kunnen spreken van Zijn genade... Indien wij ons allen terugtrekken... dan onthouden wij die personen, wat ons aangaat, het Woord des Levens en leveren wij die preekstoelen, die volgens God en de mensen slechts de zaligmakende genade toebehoren, over aan de dwaling.' 'En de werkelijke vrucht - zo voegt hij toe - kan wel eens overvloediger zijn dan de zichtbare.'
Ziek
De kerk is ziek, wist en beleefde ons voorgeslacht. Ik denk aan de velen, naamlozen vaak of predikanten, die niet zo aan de weg timmerden, die de kerk zo bevindelijk op het hart droegen en leed droegen om het 'gruis van Sion' en de ongestalte van de kerk. Mag ik een voorbeeld noemen? Ds. Jan H. Cirkel, onder wiens hartelijke, eenvoudige en bewogen prediking ik een aantal jaren mocht vertoeven. Een woord van hem staat op mijn trommelvlies gebrand, dat herhaaldelijk terugkwam: 'Ik ga met de Hervormde Kerk door de modder, omdat ik deel uitmaak van haar nood en van haar schuld'. Die boodschap gaf hij me, kort voor zijn heengaan nog een keer af in de huidige kerkelijke ontwikkelingen. Wordt die gestalte in onze tijd onder ons nog gepraktiseerd?
* * *
De kerk is ziek, onze eigen beweging niet minder. De gereformeerde kerk in dit land is ziek, want gebroken en verscheurd. Is er nog genezing? Genezing bewerkt men niet met hakbijlen of fileermessen. Ook niet altijd met een medicijntje. Operaties kunnen nodig zijn, hartoperaties zelfs. Dan moeten we wel weten wat de kwaal is. Het mag een hartkwaal heten wanneer de kerk geen heldere boodschap meer heeft aangaande het hart van het Evangelie, de verzoening.
Hier denk ik - en daarmee sluit ik af - aan een woord, dat Jezus sprak in Nazareth. U zult zeggen, zei Hij tot de Nazareners: 'Medicijnmeester, geneesmeester, genees u zelf'. Wat U in Kapernaüm hebt gedaan, toon dat ook hier. Maar Hij kon niet. Hij kon geen krachten doen. De schuld ervan lag bij henzelf. Christus kon geen krachten doen in Zijn eigen stad; overdrachtelijk naar vandaag: in Zijn eigen gemeente, in Zijn eigen Lichaam.
Nochtans haalde Jezus in het gesprek met de Nazareners het woord aangaande Hem bij Jesaja aan, die had gezegd: 'De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd. Hij heeft Mij gezonden om armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart' (Luk. 4: 17). Zo'n woord van Christus staat haaks op het mondigheidsdenken van onze tijd, dat de kerk in al haar hoeken in bezit heeft genomen. Zou het niet aan armoede ontbreken en aan gebrokenheid van hart?
* * *
Is er nog genezing? Door Zijn striemen is ons genezing geworden, zegt Jesaja (53: 5). Dat mag verzoening heten. Schuld is overdraagbaar, ook kerkelijke schuld. En daarom belijden wij, geloven wij, hopen wij, dat er ook genezing mag zijn onder Zijn vleugelen (Mal 4: 2).
De kerk gaat door diepe dalen, onze eigen hervormd gereformeerde beweging eveneens, gezien het fragmatiseringsproces dat gaande is. Maar de kerk is al zo lang in doodsnood. Ze kwam de eeuwen door meer crises te Boven. Omdat er genezing was onder de vleugelen van de Messias. Voor die genezing bestaat geen program, alleen een gebed.
v. d. G.
Lezing gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op 24 mei 2000 te Nijkerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's