Nadere verantwoording inzake Samen op Weg
Aan (wijk) kerkenraden, besturen van evangelisaties en afdelingen van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk
Huizen, juni 2000
Zeer geachte broeders,
In diep besef van ons aller schuld aan de nood en de crisis, waarin met name de Nederlandse Hervormde Kerk verkeert, richten wij ons met het volgende tot u. Het moet aangrijpend heten, dat het Samen op Weg-proces, dat reeds dertig jaar geleden een aanvang nam, tot vandaag meer verdeeldheid dan vereniging tot gevolg heeft gehad. Met name de Hervormde Kerk is er steeds dieper over verdeeld geraakt. De kerk zet het proces voort, koste wat het kost. Hervormd-gereformeerden voelen zich meegenomen naar de verenigde kerk en hebben zich in de lange reeks van jaren, waarin het proces zich ontwikkelde, fundamenteel verzet tegen wat zich in de grondslag van de kerk, en in de daaruit voortvloeiende andere artikelen van de kerkorde, niet verdraagt met de gereformeerde belijdenis. Hoewel alle hervormd gereformeerden dezelfde zorg kennen ten aanzien van Samen op Weg dienen zich toch twee lijnen aan. Een deel van de hervormd-gereformeerde beweging zet zich er voor in, ook nu de synode het verenigingsproces definitief wil vervolgen, de Hervormde Kerk voort te zetten, waarbij het de vraag is of dit juridisch mogelijk is. De lijn, die door het hoofdbestuur wordt aangegeven, is in het hiervolgende verwoord.
* * *
Het samengaan van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken werd met name niet begeerd vanwege de ingrijpende ontwikkelingen aangaande Schrift en belijdenis binnen de Gereformeerde Kerken en ook de Evangelisch Lutherse Kerk. Ook de Hevormde Kerk is ten volle in deze ontwikkelingen betrokken. Zowel op landelijk als plaatselijk vlak traden die veranderingen aan het licht, met de daaruit voortvloeiende tegenstellingen in de prediking. Op de achtergrond daarvan liggen diep ingrijpende theologische verschuivingen, waarbij vooral moet worden gedacht aan de visie op de Schrift en op de Persoon en het werk van Christus, onze Heere en Heiland. Dat laatste blijkt dezer dagen, nu ook in de Gereformeerde Kerken vrijzinnige opvattingen aangaande de verzoening worden getolereerd of zelfs gewettigd. Daarom met name vervult de voortgang van het proces ons met diepe zorg.
Tengevolge van dit alles dient zich in dit stadium ook een verdeeldheid aan in hervormd-gereformeerde kring. Deze verdeeldheid verontrust ons zeer. Daaraan lijden we allen pijn. Terwijl we de gereformeerde belijdenisgeschriften plegen aan te duiden met de naam Formulieren van Enigheid, is de eenheid in geloof en belijden ten aanzien van het kerk-zijn de laatste jaren niet gebleken. Integendeel. Ook toen de kerk aan bezwaarden de mogelijkheid bood om voorstellen te ontwikkelen om tot een gezamenlijk begaanbare weg te komen, is het de hervormd-gereformeerden samen niet gelukt die weg te banen binnen de grenzen, die door de motie De Visser/Van Heijst werden aangegeven. Nu vandaag echter in hervormd-gereformeerde kring zich verschillende visies ten aanzien van de kerk ontwikkelen, wat impliciet de dreiging van afscheiding en/of scheuring van gemeenten inhoudt, voelt het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond zich opnieuw geroepen in kort bestek de plaats aan te geven, die wij naar onze overtuiging dienen in te nemen in de huidige ontwikkelingen. Uit vrees voor verdere polarisatie hebben we ons geruime tijd terughoudend opgesteld en vooral gekozen voor ontmoeting met onze leden in regionale bijeenkomsten.
1. Wat in 1996 tijdens de ambtsdragersvergadering in Amersfoort werd gezegd, blijft onverminderd van kracht. Daar is opnieuw uitgesproken, dat we willen blijven staan op de grondslag van de meerde belijdenis en ons derhalve blijven verzetten tégen alles die belijdenis in strijd is. Gesteld is dat de Gereformeerde Bond tegen SoW wàs en is. Wanneer echter nochtans de verenigde kerk er komt, weten we ons geroepen op onze post te blijven en te blijven strijden voor het gereformeerd karakter van de kerk, dit overeenkomstig de doelstelling van de Gereformeerde Bond.
Op onze post blijven betekende, dat wij niet weg kunnen uit, of ons afscheiden van de kerk waartoe wij behoren, ook niet in de ontwikkelingen naar een verenigde kerk. In Putten (1992) hebben we gezegd 'We kunnen niet weg en we kunnen niet mee'. Dat was een hartenkreet. Zowel het één als het ander kwam voort uit ons kerkelijk principe. Het niet mee kunnen betekende: we kunnen niet bewilligen in een kerkorde met ongereformeerde elementen, zoals hervormd-gereformeerden dat ook in 1951 bij de hervormde kerkorde hebben gesteld. Toen spitsten de bezwaren zich toe op gemeenschap met de belijdenis. Ook nu wijzen we niet-gereformeerde elementen of interpretaties af. 'We kunnen niet mee' bedoelde echter geen afscheiding. De door de Gereformeerde Bond gedane uitspraken waren doortrokken van emotie vanwege de geschiedenis en de belijdenis van de kerk.
De Gereformeerde Bond is verweten van Putten naar Amersfoort een omslag te hebben gemaakt. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat na Putten het hoofdbestuur van verschillende zijden, o.a. uit een kring van predikanten, werd benaderd met de vraag de dubbele uitspraak van Putten te doorbreken en te stellen: 'Wij kunnen (gaan) niet mee'. Dat hield in, dat het 'wij kunnen niet mee' in zijn principiële betekenis - we kunnen nooit een niet-gereformeerde basis aanvaarden- niet was verstaan. Maar bovendien lag in deze vraag de dreiging van een tweedeling van de kerk opgesloten, wat scheuring van gemeenten zou inhouden. Daarom betekende Amersfoort voor het hoofdbestuur een nadere verduidelijking en aanscherping van wat in Putten was gezegd. We kunnen (ook) niet weg. Zou genoemde vraag, die de tweeledigheid van de uitspraak van Putten wilde vereenzijdigen, er niet zijn geweest, dan zou de dag in Amersfoort nooit gehouden zijn! Bovendien bracht de voortgaande ontwikkeling in het Samen op Weg-proces ook een verdieping inzake de inzichten binnen het hoofdbestuur met zich mee ten aanzien van onze roeping in de kerk en van onze kerkelijke positie.
* * *
De inzet voor het gereformeerd karakter van de kerk houdt in, dat we met de gereformeerde belijdenis midden in de kerk willen blijven staan en alles wat zich in kerkorde en kerkelijk beleid aandient aan de gereformeerde belijdenis willen toetsen. Daarom verzetten we ons nu, met alle geloof dat in ons is, tegen de aantasting van de Bijbelse leer van de verzoening. Onze roeping blijft, tenzij de kerk een valse kerk is geworden. Of tenzij we met de voluit gereformeerde prediking niet meer onze plaats kunnen innemen.
In dit alles speelt ook een belangrijke rol, dat we het volk in de kerk, ook het volk dat zich in de marge van de kerk bevindt, niet kunnen en mogen loslaten. In de kerk willen we zelfs het oog hebben op het hele volk. Betekent het vormen van een nieuwe kerk of de (vermeende) voorzetting van een afgeslankte Hervormde Kerk immers geen loslating van het volk, en het uitkomen bij een afgescheiden kerktype?
2. Ondertussen hebben ook na de kerkenradendag in september 1996 de ontwikkelingen niet stil gestaan. Van ons als hervormd-gereformeerden wordt, hoe onze visie op het verenigingsproces ook is, wel een reële opstelling gevraagd in de beoordeling van de ontwikkelingen. Wij willen daarom wijzen op twee momenten in het grondslagartikel van de kerkorde van de verenigde kerk.
A. De Konkordie van Leuenberg
Er is jarenlang strijd gevoerd over de inhoud van de Konkordie van Leuenberg en de plaats, die deze innam in de grondslag van de kerk. We herinneren aan het boekje 'Voor de goede orde', dat door het hoofdbestuur is uitgegeven. Het resultaat van de ingebrachte kritiek is geweest, dat de konkordie inhoudelijk in feite niet meer tot de grondslag gerekend mag worden, omdat deze niet valt onder de gemeenschap, waarin de kerk zegt te belijden met belijdenissen van het voorgeslacht. Nog slechts wordt in een apart artikel uitgesproken, dat de kerk met de Konkordie van Leuenberg erkent, dat de lutherse en gereformeerde tradities door een gemeenschappelijk verstaan van het evangelie bijeenkomen. De plaats van de konkordie is dermate afgezwakt, dat deze in de grondleggende artikelen, en waarin ze afzonderlijk van het eigenlijke grondslagartikel staat, geen functie meer heeft en daaruit evengoed zou kunnen worden verwijderd. Dat is mede een gevolg van de niet aflatende kritiek uit hervormd gereformeerde kring, kritiek die wat de inhoud van Leuenberg betreft onveranderd is gebleven. Leuenberg hoort niet in een gereformeerde grondslag.
B. De Augsburgse Confessie
De Hervormde Kerk belijdt in de ontwerp-kerkorde voor het eerst in gemeenschap te zijn met de (onveranderde) Augsburgse Confessie. Pas de laatste jaren is onder hervormd-gereformeerden discussie ontstaan over deze Augsburgse Confessie. Al bevat deze belijdenis elementen, die in de gereformeerde belijdenis helderder worden verwoord of die niet stroken met de gereformeerde belijdenis (met name op het punt van het avondmaal), toch moet worden gesproken van een reformatorische belijdenis, die teruggaat, op Luther en Melanchthon. Calvijn is bereid geweest deze belijdenis mede te ondertekenen, ondanks fundamentele verschillen met Luther op het punt van het avondmaal en ondanks onduidelijkheid, die hij op bepaalde punten noemde. Is echter met het opnemen van de Augsburgse Confessie in de grondslag de kerk een 'valse kerk' geworden?
3. Het bovenstaande ten spijt, zien wij ons genoodzaakt te zeggen, dat de kerkorde van de zich aandienende verenigde kerk nochtans, wat het gereformeerde karakter betreft, helaas een verzwakking is ten opzicht van de hervormde kerkorde van 1951, vooral ook in de uitwerking op concrete punten zoals de sacramenten en het huwelijk. Mede daarop was en is ons principieel 'onaanvaardbaar' gebaseerd. Daarom blijven wij zeggen, dat we niet dankzij maar ondanks deze grondslag op onze post blijven.
Evenwel is de grondslag niet in absolute zin anders dan die van de hervormde kerkorde van 1951. Het feit, dat de oud-christelijke belijdenissen en de gereformeerde belijdenissen zijn opgenomen in de grondslag van de kerk, biedt ons de mogelijkheid om in deze kerk voluit gereformeerd te zijn, ondanks het feit, dat dit in de praktijk, breed-kerkelijk gezien, moeilijker zal zijn dan tot heden in de Nederlandse Hervormde Kerk het geval was. In een toekomstige verenigde kerk zullen wij ons dan ook slechts gebonden weten aan de in de grondslag opgenomen gereformeerde en oud-christelijke belijdenissen en aan wat in de Augsburgse Confessie en de Catechismus van Luther strookt met de gereformeerde belijdenis. Deze zullen voor ons als hervormd gereformeerden het convenant zijn, waarop we ook onze gemeenschap met het geheel van de kerk zullen baseren. We realiseren ons daarbij zeer wel dat, hoewel de grondslag, zoals die voorligt, niet pluraal van aard is, de praktijk nu reeds is, dat de zich verenigende kerken een pluraal karakter hebben. Die pluraliteit kunnen we principieel niet aanvaarden en zullen we vanuit de belijdenis als convenant tegengaan. Juist daarom gaat het geding binnen de kerk aangaande de verzoening ons zó zeer ten harte. Dit geding overstijgt alle kerkpolitiek en ook alle elementen, die bij ons kritiek ontmoeten in S.o.W. Als het over de verzoening gaat, spreken we over het hart van het kerk-zijn, dat niet bij meerderheid van stemmen wordt bepaald. Maar dat laat onverlet, dat we zeggen moeten dat het besluit van de Gereformeerde Synode om de visie van prof. dr. C. J. den Heyer op de verzoening tolerabel te achten, het Samen op Wegproces opnieuw zwaar belast.
4. Te constateren valt, dat hervormd-gereformeerden, die altijd in grote liefde hun plaats in de Nederlandse Hervormde Kerk als historische, vaderlandse kerk hebben ingenomen, een proces van vervreemding doormaken ten aanzien van de nieuwe kerk, die zich aandient. Zal nog dezelfde liefde voor de kerk worden opgebracht als in de Hervormde Kerk zo lang het geval was? Voor ontwikkelingen in dezen is allereerst de kerk zelf verantwoordelijk. De synode dient alles te doen wat in haar vermogen ligt om allen, die tot de Hervormde Kerk behoren, ook bij de kerk te houden. Als we het echter over de kerk hebben, moeten we beseffen daar zelf deel van uit te maken. Hebben we als hervormd-gereformeerden altijd wel (voldoende) de hele kerk op het oog gehad? Wij willen graag ook beklemtonen, dat de kerk dáár is, waar het Woord en de sacramenten zijn en dat zij zich allereerst manifesteert in de plaatselijke gemeente. Daarom heeft het hoofdbestuur van de Geformeerde Bond in zijn voorstellen inzake de motie De Visser/Van Heijst zich sterk gericht op het bewaren van de plaatselijke gemeente bij de grondslag van de gereformeerde belijdenis. In concrete besluiten op de hervormde synode van november 1999 is dat ook tot uitdrukking gebracht. De proponentsformule voor predikanten, waarmee zij instemming betuigen met louter het gereformeerd belijden, de ringen van gemeenten, die zich aan het gereformeerd belijden gebonden weten en de in te stellen raad voor het gereformeerde belijden komen tegemoet aan de gedane voorstellen. We beseffen dat dit noodoplossingen zijn, maar hierdoor maken we het mede mogelijk voluit gereformeerd te zijn en te blijven.
We zullen ons daarom niet inzetten voor een veilige plek maar voor een gezonde basis voor de hele kerk.
5. Gezien de grote verdeeldheid in de Hervormde Kerk moet het worden betreurd, dat de kerk tot heden geen gehoor heeft gegeven aan de oproep van het hoofdbestuur om een moratorium, een periode van bezinning in te stellen. In die periode zouden alsnog wegen gevonden kunnen worden om gezamenlijk op te kunnen trekken. Zo'n periode van bezinning heeft niet alleen de kerk nodig maar ook de hervormd-gereformeerde beweging, opdat er geen onherstelbare breuken in gemeenten ontstaan.
Wij realiseren ons daarbij dat het verenigingsbesluit nog moet worden genomen, dat wat de Hervormde Kerk een meerderheid van tweederde van de synodeleden behoeft.
6. Aan de Schrift en aan de gereformeerde belijdenis zijn naar onze overtuiging geen elementen te ontlenen, die ons als hervormde gereformeerden ertoe dringen een andere weg te gaan dan wij momenteel in de vervallen Nederlandse Hervormde Kerk gaan. In de afgelopen jaren hebben we dat in woord en geschrift geuit. Geschriften van dr. C. A. van der Sluijs en drs. W .Chr. Hovius, waarin het Schriftbeginsel inzake de kerk wordt verwoord, hebben in de bezinning hierop ook een plaats gehad. Binnenkort verschijnt een geschrift, waarin een lezing over de gereformeerde ecclesiologie is opgenomen van dr. W. Verboom, die hij voor studenten heeft gehouden. Ook deze lezing markeert onze principiële positiekeuze.
7. De bedoeling van deze nadere verantwoording wil slechts zijn een verheldering in kort bestek aan te brengen ten aanzien van de positie, die de Gereformeerde Bond vandaag inneemt. Wij kunnen daarbij niet anders dan afsluiten met een hartstochtelijke oproep om de eenheid in eigen kring te bewaren, tot welzijn van de gemeenten en ook ten dienste van de hele kerk. Als onze gereformeerde belijdenisgeschriften formulieren van enigheid zijn, dan zal toch ook de eenheid in geloof en belijden ten aanzien van de kerk tot uitdrukking moeten komen? We mogen ons er niet bij neerleggen als onder ons twee wegen worden begaan: blijven of gaan. We kunnen aan deze twee begrippen theoretische bespiegelingen wijden, maar als deze beide lijnen worden doorgetrokken, betekent dit, dat er een tweedeling in hervormd-gereformeerde kring zal komen, met als consequentie twee wegen inzake de kerk, waartoe we behoren. Dat zal tot schade van de kerk zijn. Het zal ook tot schade van de gemeenten zijn.
Ook waar we als hervormd-gereformeerden (blijven) verschillen inzake het kerk-zijn vandaag, mogen we elkaar ertoe opwekken correct met elkaar om te gaan, eerlijk naar elkaars motieven te luisteren en met en over elkaar te spreken op een broederlijke wijze, die strookt met de hoogheid en de waardigheid van het Evangelie. Daaraan heeft het soms in woord en geschrift ontbroken. Dat vraagt verootmoediging en bekering. Het hoofdbestuur spreekt hier ook de hartelijke bereidheid uit het onderlinge gesprek te bevorderen, waartoe ook hernieuwde initiatieven zijn ondernomen.
* * *
Uit dit alles mag worden afgeleid, dat de Gereformeerde Bond in zijn kritische positie t.a.v. SoW niet is gewijzigd. De kerk is echter altijd meer dan haar orde. Ze is er vanwege het kerkvergaderende en kerkbewarende werk van de Heilige Geest.
Wij bidden om getrouwmakende genade om, in de weg van het Woord en in het spoor van de gereformeerde belijdenis en van Gods verbond, onze weg in de kerk te mogen vervolgen. Zolang het nog duurt, in de Nederlandse Hervormde Kerk, maar eventueel ook in een verenigde kerk pleiten wij op Gods verbond en zullen wij ons geroepen weten haar terug te roepen tot de Schrift en de daaraan hangende gereformeerde belijdenis. De kerk is Kerk van Christus. In Hem ligt onze Hoop.
voor het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond
Ds. G. D. Kamphuis, voorzitter
Dr. ir. J. van der Graaf, alg. secretaris
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's