Over de rechtvaardiging
God verdedigt, de mens klaagt aan (2)
Nar worden
Dan gaat Luther de spanning opvoeren. Want zo simpel ligt het niet dat we kunnen zeggen: er zijn gelovigen en ongelovigen; de eersten worden door God gerechtvaardigd, de anderen verdoemt Hij. Er staat immers: 'God is waarachtig en alle mensen zijn leugenaars.' Alle mensen: dus niemand uitgezonderd. Gods Woord treft ons namelijk nooit aan als medestanders, maar als tegenstanders, als mensen die de drang hebben Gods Woord, ja, God Zelf om te vormen naar eigen beeld en gelijkenis, Luther noemt dat de 'annihilatio' van God. Daarin zit het woord 'nihil', dat 'niets' betekent. Daar is de mens op uit: op de vernietiging van God. Waarom doet hij dat? Om zélf God te kunnen zijn! Waar dat het geval is, komt niet God tot Zijn recht in de mens; integendeel, daar wil de mens tot Zijn recht komen bij God; en dat 'bij Gód' houdt onvermijdelijk in: ten koste van God.
Daarom zegt Luther: Wij moeten zondaars worden, en leugenaars, en dwazen; en al onze gerechtigheid, wijsheid, deugd moet sterven. Wanneer gebeurt dat? Wanneer wij geloven dat wij inderdaad zondaars, leugenaars en dwazen zijn, en dat onze deugd en gerechtigheid voor God niets is. In dit verband verwijst Luther naar deze woorden van Paulus: 'Wie van u wijs wil zijn die worde een dwaas, een (zoals Lutfier vertaalt) nar.' Wie dus rechtvaardig, waarachtig en machtig wil zijn, moet zondig, leugenachtig en onmachtig worden. Dat betekent niét dat de vrome en goede werken verworpen worden, maar wel dienen we te allen tijde te bedenken dat we er voor God niet mee rechtvaardig kunnen zijn. Onze ijdele waan moet worden uitgedreven. We moeten onszelf leren kennen, Hoe gebeurt dat? Hoe komen we tot die zelfkennis? Wel, doordat God Zichzélf te kennen geeft. Hij treedt om-zo-te-zeggen buiten Zichzelf opdat wij inkeren tot onszelf en ontdekken en aannemen dat wij zondaar zijn, ook al valt dat voor het oog wel mee.
Dat moeten we niet alleen met de mond belijden, maar ook vast in ons hart bedenken. We zijn er gauw genoeg bij om te bekennen: 'Ik ben een zondaar.' Maar werkelijk als zondaar gelden, door al je denken en doen een streep zetten: dat wil eigenlijk niemand. Want dan moet men ook de bijbehorende straf en schuld en schande accepteren.
O, de hoogmoed zit zo diep. Maar worden we zondaar, erkennen we wie we in diepste wezen zijn, - dan verdwijnt onze inbeelding als zouden wij vroom, heilig en oprecht leven, spreken en handelen; we krijgen een andere 'zin' (in het latijn: sensus, d.w.z.: zintuigen, verstand, ervaring; het is een alomvattend begrip, dat op de menselijke vermogens duidt, maar niet makkelijk is te vertalen). Deze 'zin' komt van God, en we geloven van harte dat we zondaar zijn en op dwaalwegen gaan. Zo klagen we onszelf aan.
Coram Deo
Zulke zelfkennis is iets anders dan weten dat je de fout bent ingegaan. Zij is van andere orde dan een natuurlijk schuldbesef. Buiten het evangelie om jezelf kennen: dat is nooit weg, maar stelt in wezen niet zoveel voor. Uiteindelijk ben je slechts teleurgesteld in jezelf, omdat je niet aan je idealen beantwoordt. De mens zoals hij is, vergelijkt zichzelf met de mens, die hij graag zou wezen. Hij is zijn eigen rechter en zijn eigen advocaat. Hij klaagt zichzelf aan en - dat vooral - hij verdedigt zichzelf. Maar dat is een kwestie van psychologie en filosofie. Dat leidt óf tot hoogmoed, óf tot wanhoop, omdat men slechts om het eigen 'ik' cirkelt en zich niet coram Deo, voor Gods aangezicht bevindt.
In de theologie, binnen de lichtkring van het evangelie is dat anders: daar worden Godskennis, zelfkennis en zondekennis dicht bij elkaar gehouden. We denken hier aan het beroemde begin van Calvijns Institutie: 'Bijna heel de inhoud van onze wijsheid bestaat uit twee delen: de kennis van God en de kennis van onszelf.' Daarom leren wij de zonde slechts kennen, wanneer God ons haar openbaart. Dat gebeurt met name in Christus' kruis en lijden. Daarin wordt duidelijk wat voor God zonde is en hoe Hij de mens ziet. Dan oordelen we niet meer over onszelf, maar ontvangen we kennis van Góds oordeel over ons. We zien onszelf zoals God ons ziet. Hoe ziet Hij ons? Als een verlorene, als een veroordeelde, als een schuldige.
Uit dit alles blijkt wel: God rechtvaardigen is geen vaag, onschuldig en oppervlakkig gebeuren; nee, dat doortrekt heel de mens en brengt hem tegenover God in een houding van alles of niets. We gaan óf kaarsrecht voor Hem staan, óf buigen voor Hem.
We willen benadrukken dat zondekennis geloofskennis is. Zondekennis kan immers nooit uit de mens zelf tevoorschijn geroepen worden. Ontdekt hij toch iets wat niet klopt, dan zijn dat niet meer dan symptomen van de eigenlijke kwaal. Maar bij de rechtvaardiging gaat het niet om symptomen- en symptoombestrijding. Niet omwille van zijn zwakheid en enkele defecten is de mens op God aangewezen. Alsof de genade een doorgangsstadium zou zijn! Of een aanvulling op z'n tekortkomingen, Dat is - tamelijk zwart-wit geformuleerd - het verwijt dat we vanuit de reformatorische theologie de Roomse rechtvaardigingsleer moeten maken. Maar Gods hulp is geen subsidie, die op termijn afgebouwd wordt. Het blijft voor en na genade, genade alleen!
De vreugde van de boete
Daarom is er ook de schuldbelijdenis. Déze belijdenis betekent een machtige bevrijding! We kunnen een vergelijking maken met een zieke (wat Luther meer dan eens deed): wanneer hij de diagnose van zijn arts erkent, geeft hij zich over ter behandeling; zo geeft de mens zich over aan God.
Dan krijgt de zonde geen gelijk, maar de genade; niet ons beschuldigend geweten, maar Christus; niet de dood, maar het leven; niet de ziekte, maar de arts. 'Zo drijft de erkenning van mijn zonde daarheen dat God in mij tot Zijn recht komt; dat wil zeggen dat ik Hem geloof en dat Hij mij zo rechtvaardigt.'
't Lijkt hier, ja, het is hier de omgekeerde wereld: ik word tot aanklager van mijzelf en God wordt mijn Defensor, mijn Verdediger. Luther ontleent deze gedachte aan de Eerste Johannesbrief: 'Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart.' (3: 20a) U begrijpt dat ik aan deze gedachte de titel van mijn lezing heb ontleend. God meerder dan ons hart! God mijn Defensor! Inderdaad, de omgekeerde wereld.
En weer zeg ik: wat een bevrijding! Want nu hoeven we onze stand niet meer op te houden. We mogen ervoor uitkomen dat het met onze wil tot het goede, met ons streven naar het volkomene niet deugt. We hoeven het zelfs niet te verzwijgen dat veel van ons geloof en van onze godsdienstigheid slechts gericht is op eigen belang en dat we daarin bezig zijn ons 'ik' te lauweren.
Maar het is ook volstrekt onnodig en dwaas om heil en geluk bij en in ons 'ik' te zoeken. Al onze zaligheid: we zoeken die extra nos, buiten onszelf, in Christus. In Hém vinden we wat we bij onszelf tevergeefs zoeken: gerechtigheid, heil, leven. En we vinden niét meer wat we in onszelf niet meer hoopten te vinden: het boze, de begeerte, de dood, het aanklagende geweten.
De moraal komt nooit zover: die weet slechts op een oud kleed een nieuwe lap te zetten. Genade is echter dat we helemaal nieuw bekleed worden, met het kleed van Gods volkomen gerechtigheid, door Zijn eigen hand geweven. Het is de gerechtigheid, die is aangebracht in Christus.
Tegelijk zondaar en rechtvaardige
Er schuilt nog een bevrijdende wetenschap in de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze. We zijn tegelijk én zondaar én rechtvaardige. Niet in een bepaalde wiskundige yerhouding, bijvoorbeeld dat we vandaag 75% rechtvaardig en 25% zondig, terwijl het gisteren - helaas - andersom was: 25% rechtvaardig en 75% zondig. Nee, we zijn 100% vleselijk, totaal verkocht onder de zonde, maar op hetzelfde moment zijn we ook 100% rechtvaardig, totaal vrijgekocht door Christus.
Die wetenschap bewaart ons voor vertwijfeling, als zou het niets met ons gedaan zijn, omdat we nog zoveel zonde etc. in ons bevinden. Zij voorkomt ook valse, zekerheid, als zou de zonde geen vat meer op ons hebben. Zij doet de mens niet bij God vandaan vluchten; dat is immers de bedoeling van de zonde: bij God vandaan. Maar zij doet hem juist naar God vluchten, Hem zoeken en Hem aanroepen. Zij geeft oog voor Christus, in Wie de zonde eens en voor goed het onderspit heeft gedolven en de gerechtigheid gezegevierd. Dat geeft duisternis genoeg, maar het is de donkere schemering van de naderende morgen en niét van de vallende nacht.
Dat 'tegelijk zondaar en rechtvaardige' is ook de strijd, die we moeten voeren. Een goede strijd (Paulus), maar voor onze ervaring een vermoeiende en vooral een onbegonnen strijd. Want we merken steeds opnieuw: 'Met onze macht is 't niets gedaan.' Onze wapens zijn ondeugdelijk; onze moed zinkt ons bij het minste of geringste in de schoenen; onze strategie, onze tactiek en ons beleid helpen ons nog verder achterop. Luther merkt in dezen op dat het een hard ding en een smalle, moeilijke weg is om al het zichtbare los te laten en al het vertrouwde te ontberen; dan gaan we voor ons gevoel eraan en komen we volstrekt in het donker te zitten.
Zo wordt het kruis ingetekend in ons leven, zowel in ons persoonlijke leven als in het leven van ons als kerk en gemeente.
H. J. Lam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's