De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

G. H. Labooy, Vrijheid en disposities. Een wijsgerig-theologische begripsanalyse met het oog op de biologische psychiatrie, Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 2000, 274 blz., ƒ49,90.
Volgens velen zou de psychiatrie haar ontwikkeling voornamelijk te danken hebben aan de humanistische geestesstroming. Telkens wanneer het humanisme opbloeide, zo stelt men, werden weer nieuwe successen geboekt op het terrein van de psychiatrie. Dit Utrechtse proefschrift tracht nu aan te tonen dat dit een onjuiste voorstelling van zaken is. De psychiatrie heeft volgens de schrijver - voormalig arts in een psychiatrisch ziekenhuis en momenteel hervormd predikant te Hoek van Holland - voor haar uitbouw juist veel te danken aan authentiek christelijke inzichten. Die inzichten hebben z.i. vooral betrekking op het spanningsveld tussen 's mensen eigen verantwoordelijkheid enerzijds en zijn of haar gebondenheid anderzijds.
De menselijke verantwoordelijkheid wordt in dit intrigerende boek (formele) vrijheid genoemd, de gebondenheid aangeduid met het begrip "dispositie'. Dispositie betekent zoiets als: neiging, gerichtheid, bepaaldheid. Glas heeft bijvoorbeeld de dispositie "breekbaar zijn'. Dat wil niet zeggen dat het altijd breekt, maar wel dat het gegeven bepaalde omstandigheden (bijv. als iemand het hard op de grond laat vallen) waarschijnlijk is dat het breekt. Helemaal zeker is dat echter nooit, aldus Labooy (ik zou zeggen: als je het maar hard genoeg op de grond laat vallen is het wel zeker, maar Labooy lijkt dat te ontkennen: de werkelijkheid is opener en onvoorspelbaarder dan we denken). Op vergelijkbare wijze heeft ook de mens allerlei disposities, die onder meer veroorzaakt worden door stofwisselingsprocessen in het lichaam. Iemand kan bijv. als dispositie "prikkelbaarheid' hebben. Daar is hij in principe niet zelf voor verantwoordelijk - het heeft te maken met de relatief hoge concentraties adrenaline die zijn bijnieren in stressvolle situaties afscheiden. Maar zo'n natuurlijke dispositie leidt nooit noodzakelijkerwijs tot een bepaald type gedrag. Stel dat deze persoon zich door zijn prikkelbaarheid er voortdurend toe laat brengen agressief op anderen te reageren. Dan is hij daar wel voor verantwoordelijk. Want "agressief reageren' is een handelingsdispositie, zo onderscheidt ds. Labooy, d.w.z. een in de praktijk gegroeide neiging om op een bepaalde manier met je natuurlijke disposities om te gaan. En hoe begrijpelijk het ook is dat iemand die prikkelbaar is agressief reageert - hij voelt immers een sterke aandrang om dat te doen! - hij heeft wel degelijk de mogelijkheid om voor een andere reactie te kiezen. Er is altijd een "dispositioneel alternatief, om Labooy's jargon te citeren. Toegepast op de psychiatrie: iemand die lijdt aan een dwangstoornis (bijv. smetvrees, of perverse gedachten) kan zijn gedachten bij tijden, niet of nauwelijks op iets anders richten dan op zijn obsessie. Maar hij kan deze krachtige dispositie wel ofwel sterk betreuren (en bijv. in therapie gaan), ofwel juist omhelzen en er helemaal in opgaan! In die zin houdt hij toch een eigen verantwoordelijkheid. Hij is weliswaar niet materieel vrij - hij kan eigenlijk niet anders handelen c.q. denken - maar hij is wel formeel vrij: hij kan wel anders willen.
Op deze manier ziet Labooy overal in de werkelijkheid momenten van vrijheid en anders-kunnen, en hij dankt dit inzicht aan de Middeleeuwse christelijke denker Johannes Duns Scotus. Vandaar dat hij dit inzicht ook als specifiek christelijk bestempelt. Nu kan men de vraag stellen of "christelijk' inderdaad zonder meer samenvalt "scotistisch' (de andere christen-filosoof die ter sprake komt, H. Dooyeweerd, vervult slechts een bijrol in het boek). Hoe dat ook zij, voor de psychiatrie, m.n. voor de biologische psychiatrie die allerlei psychische ziekten tot lichamelijke (genetische, biochemische etc.) oorzaken probeert te herleiden, is dit "vrijheidsdenken' wel een belangrijk gegeven. Het weerspreekt nl. de dominante stroming van het determinisme, volgens welke het gedrag van de mens puur het resultaat is van de wijze waarop diens omgeving inwerkt op diens erfelijke bepaaldheid. Binnen zó'n perspectief blijft er van de menselijke verantwoordelijkheid weinig meer over.
Het zal duidelijk zijn dat rondom Labooy's centrale inzicht tal van interessante psychologische en theologische vragen aan de orde zijn. Psychologisch bijv. deze: brengt het accent op blijvende vrijheid en verantwoordelijkheid je als psychiatrisch patiënt onbedoeld niet in een positie waarin je je schuldig voelt terwijl je in feite niets aan je situatie kunt doen? (Nee, zegt Labooy, je verantwoordelijkheid kan ook inhouden dat je net als bij lichamelijke ziekten of handicaps je psychische kwetsbaarheid accepteert, 244). En theologisch bijv. deze: is de (erf)zonde wellicht ook te beschouwen als een verlies van onze materiële, maar niet van onze formele vrijheid? De auteur beantwoordt deze vraag - onder verwijzing naar de Dordtse Leerregels - bevestigend, maar ik zou denken: tast de zonde ook niet het vermogen om anders te willen aan? En hoe zit het met het ingeschapen verlangen van de mens naar God waar Augustinus over sprak- is dat ook een soort dispositie, maar dan één die door de mens onderdrukt wordt? Opnieuw antwoordt Labooy bevestigend, en hij ziet in die onderdrukking o.m. de diepste oorzaak van vitale depressies. Op deze wijze werkt Labooy zijii thema zeer bekwaam naar allerlei kanten uit. Het kost wel de nodige moeite om zijn complexe betoog goed te volgen, want hij schuwt de nuances niet en drukt zich graag - geheel volgens de traditie van de Utrechtse School waarbinnen hij zich beweegt - zo precies mogelijk uit. Zijn studie is bovendien voluit wetenschappelijk van aard, en heeft de literatuur tot en met de laatste jaargangen van allerlei filosofische tijdschriften bijzonder knap verwerkt. Af en toe prikkelt Labooy tot tegenspraak; zijn afwijzing van de mogelijkheid dat in bepaalde situaties ook van demonische beïnvloeding sprake kan zijn bijv. acht ik niet alleen exegetisch slecht onderbouwd, maar ook merkwaardig gezien Labooy's sterke nadruk op de openheid van de werkelijkheid. Maar in het algemeen biedt dit boek toch een keur aan rake observaties, en getuigt het van diep theologisch en psychologisch inzicht in het mens-zijn, toegepast op een buitengewoon boeiend en actueel terrein, nl. dat van de (biologische) psychiatrie. Hulde daarom ook aan de begeleiders (theoloog H. W. de Knijff, psychiater G. Glas en filosoof/theoloog A. Vos), die voor de schrijver merkbaar belangrijke gesprekspartners geweest zijn op de diverse terreinen die zijn onderzoek bestrijkt.

Bilthoven               G. v. d. Brink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's