De ene toekomst van Christus en de vele opvattingen
Van een lezer van ons blad ontvingen we een brief inzake de vele verwachtingen aangaande Israël, waarin met name publicaties van prof. dr. W. J. Ouweneel en dr. J. Hoek werden genoemd. Op ons verzoek werkt de briefschrijver zijn brief om tot een artikel, dat vooral gericht was op de publicaties van genoemde theologen. Bijgaand is dat artikel afgedrukt. Hierna volgen artikelen van dr. J. Hoek en prof. dr. W. J. Ouweneel, waarin zij op de brief en op elkaar reageren.Red.
Een gesprekskring in verwarring
Het gesprek over de toekomst van kerk en wereld staat op gesprekskringen en gemeente-avonden volop in de belangstelling. Niet zelden blijkt dat de visies over de toekomstverwachting nogal uiteen lopen en dat de discussie hierover de gemoederen flink in beweging kan brengen. Het lijkt erop alsof de verscheidenheid aan visies binnen de kerken sterker dan ooit tot uitdrukking komt en dat een belangrijke oorzaak hiervan ligt in de toenemende invloed van de opvattingen die in evangelische en adventistische kringen min of meer gemeengoed zijn. Via diverse verbanden (EO), boeken (van Lindsey, Verweij, Glashouwer, Ouweneel e.a.) en bladen als o.a. Het Zoeklicht en Christen voor Israël bereiken deze opvattingen kennelijk een breed kerkelijk publiek en ze hebben, hetgeen niet ontkend kan worden, een grote aantrekkingskracht. Over welke opvattingen gaat het dan? In feite betreft het een heel complex van gedachten maar ik volsta hier met het noemen van de volgende zaken:
1. Er wordt een sterke tegenstelling aangebracht tussen Israël en de kerk en tussen de beloften en het heil die voor beiden gelden.
2. De leer van de opname van de gemeente met de verschijning van Christus voordat de grote verdrukking zal aanvangen.
3. De verwachting van een duizendjarig vrederijk op aarde met hierin een centrale plaats voor Israël.
Het zal duidelijk zijn dat bij deze opvattingen de uitleg van het boek Openbaring een zeer centrale rol speelt. Op onze gesprekskring zijn we al enige tijd diepgaand bezig met de bespreking van het boek Openbaring en in de context daarvan komen alle hierboven aangeduide zaken regelmatig aan de orde. En dan gaat het er nogal eens spannend aan toe. En er zijn vanzelfsprekend ook vragen genoeg. Hier ligt dan ook de aanleiding om aandacht te vragen voor deze materie in de Waarheidsvriend. Nu gaat het er mij niet om hier de diverse gedachtestelsels aan de orde te stellen. Daar zijn boeken genoeg over geschreven en voor de lezers van de Waarheidsvriend, die zich daarin willen verdiepen, mag zeker verwezen worden naar de recent verschenen boeken van dr. Hoek 'Nabij de toekomst' en van prof. dr. Van Genderen 'De Bijbel en Toekomst'.
Waar het mij wel om gaat is om wat dieper door te dringen tot de bron die de verschillende visies voedt en dan zal het duidelijk zijn dat de kernvragen cirkelen rondom de wijze van exegetiseren en theologiseren. Het zou m.i. heel fijn en goed zijn als daar eens een pittig gesprek over zou plaatsvinden tussen vertegenwoordigers van de verschillende tradities. Mijn voorstel is om daar in de Waarheidsvriend ruimte voor te bieden. In ieder geval om er een begin mee te maken.
Noodzaak tot gesprek
Zowel in zijn 'Israël en de Kerk' als in 'De Openbaring van Jezus Christus' nodigt dr. Ouweneel op vele plaatsen de lezer uit tot meedenken en gesprek en om 'eens de moeite te nemen om eerst eens te proberen te begrijpen wat chiliasme en ook de leer van de opname van de gemeente werkelijk inhouden'. Ook dr. Hoek geeft in zijn 'Nabij de Toekomst' aan dat 'het goed is dat vertegenwoordigers van beide benaderingswijzen of denkkaders goed naar elkaar leren luisteren en samen indringend in gesprek blijven om de rechte zin van de Schriften te verstaan'. We zouden dus kunnen concluderen dat de tijd er rijp voor is en dat de noodzaak tot gesprek ook gevoeld wordt. We leven immers in een tijd van grote openheid en van vele contacten tussen de verschillende tradities.
Gespreksstof aangereikt
Zoals eerder gezegd vormt de aanleiding tot dit schrijven de bestudering van het boek Openbaring. Dat we als gesprekskring aan het boek Openbaring begonnen zijn - overigens pas na 25 jaar samenkomen - hangt weer samen met het feit dat we verschillende malen gesproken hebben over het heilsplan van God met Israël, de kerk en de volken en dat daarbij nogal eens 'gemakkelijk' verwezen werd naar het boek Openbaring. Er ontstond dus als vanzelf de wens om nu eens 'echt' te weten waarover het in dit boek gaat. Om ons zo breed mogelijk te oriënteren zijn commentaren op Openbaring geraadpleegd van Visser, v. d. Meulen, Duvekot, Wall (New International Biblical Commentary), Morris (Tyndale N.T. commentaries), Pohl (Wuppertaler Studienbibel) en niet te vergeten van Ouweneel.
Het gehele boek Openbaring hebben we weliswaar nog niet behandeld, maar toch voldoende om aanmerkelijke verschillen in benadering te zien. Ik zal proberen wat kernzaken puntsgewijs weer te geven en tevens als gespreksstof aan te reiken.
1. Het is altijd interessant en soms leerzaam om de lijst met geraadpleegde werken door te lopen. Zo heb ik eens naast elkaar gezet de werken die door Wall, Morris en Ouweneel zijn aangehaald. Laat men bij Ouweneel de werken van 'De Broeders' buiten beschouwing dan vindt men een grote overeenkomst in geraadpleegde commentaren, echter, heel opmerkelijk, van de andere aangehaalde werken is er geen één die op beide overzichten voorkomt. Zowel Wall als Morris kennen Walvoord, wiens publicaties voor vele dispensationalisten richtinggevend zijn, en Ouweneel kent Morris. Kijkt men wat meer inhoudelijk dan ontstaat de indruk dat men toch nauwelijks met elkaars visie bezig is, laat staan dat men naar elkaar luistert. Zijn het dan toch twee stromingen die op theologisch vlak langs elkaar heen leven, in benadering te ver uiteenlopen en dientengevolge geen boodschap voor en aan elkaar hebben?
2. Een van de meest ervaren moeilijkheden in de onderlinge communicatie was dat de opvattingen van Ouweneel zo weinig direct door de tekst zelf ondersteund worden. Hiervan geef ik twee voorbeelden:
a. Ouweneel gaat ervan uit dat de brieven aan de zeven gemeenten corresponderen met zeven opeenvolgende perioden van de kerkgeschiedenis. Dit past in zijn model omdat dan de laatste brief, die de laatste periode beschrijft, aansluit aan de beschrijving - de hoofdstukken 4 t/m 19 van de allerlaatste fase: de in de hemel opgenomen gemeente en het duizendjarig rijk. Onbevangen lezing van de brieven aan de zeven gemeenten geeft echter in het geheel geen aanleiding tot deze opvatting van periodisering. De indeling in fasen met de karakterisering daarvan kan niet anders dan een volkomen willekeurig karakter dragen en heeft daarom weinig zeggingskracht. Bovendien leidt het af van de ernstige boodschap die concreet aan elk van de zeven gemeenten en daarin aan de gehele gemeente van Christus is gericht.
b. Een tweede voorbeeld betreft de opname van de gemeente die afgeleid wordt van het begin van Openbaring 4. Wie echter niet is opgevoed bij de leer van de opname van de gemeente zal op grond van de tekst zelf nooit tot de gedachte gekomen zijn. Ouweneel gaat er in zijn inleiding gewoon van uit en doet verder geen moeite aan te tonen dat de tekst tot deze uitleg dwingt. Op zich lijken bovengenoemde voorbeelden tamelijk onschuldig, maar er zit meer aan vast. Dat hangt daarmee samen dat deze uitleg-methodiek naar mijn gevoel nogal eens haaks staat op de geestelijke strekking van de Schrift. In het boek Openbaring gaat het er m.i. om dat de kerk onder het kruis wordt toegerust om in de strijd staande te blijven en niet om ze een vluchthouding aan te praten. De kernboodschap is: wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens. In zijn 'Das Kommen Gottes' wijdt Moltmann hier indrukwekkende gedeelten aan: 'Es ist eine Theologie der Kampfenden, nicht der Zuschauenden'.
3. Als derde punt wil ik aan de orde stellen hoe we op een min of meer consistente wijze kunnen omgaan met het spanningsveld tussen de symbolische en letterlijke uitleg van symbolen en getallen. De indruk bestaat dat Ouweneel hier toch tamelijk willekeurig mee omgaat en het laat afhangen van wat binnen zijn model het beste past. Volgt Ouweneel hier de lijn van Walvoord die stelt dat de letterlijke verklaring zolang het kan moet worden gevolgd? Maar wat als het de bedoeling van de schrijver is geweest om juist de symbolische overdrachtsmethode te kiezen? Dan zitten we er in onze uitleg toch mooi naast! Een illustratief voorbeeld hiervan is te vinden in Ouweneels boek 'Godsverlichting' waarin hij de opvatting van v. d. Kamp in diens 'Israël in Openbaring' op een m.i. minder waardige manier kritiseert. Ik citeer: 'Bij mij betekent Israël in het boek Openbaring gewoon Israël, maar bij v. d. Kamp die zogenaamd "eerst leest wat Gods Woord zelf biedt" blijkt Israël helemaal niet Israël te betekenen, maar op grond van een lange traditie waarin hij middenin staat, de kerk... Maar de benadering van v. d. Kamp is een zuivere vorm van biblicisme, bovendien van een irrationalistische soort'.
Wat v. d. Kamp in zijn analyse doet is niets anders dan ons er opmerkzaam op maken dat we niet op de klank van de woorden af moeten gaan. Voor een verantwoorde uitleg moeten we letten op de bedoeling van de schrijver, het gebruikte referentiekader, op de samenhang met context en met de totale Schrift.
Moet dan toch niet erkend worden dat de uitleg van v. d. Kamp sterke papieren heeft en dat in Openbaring namen als Israël, Jeruzalem, Babylon een duidelijk theologische betekenis hebben? Men leze het prachtige hoofdstuk 21 over het hemelse Jeruzalem. Maar nu het punt waarop het aankomt. Als Ouweneel aan v. d. Kamp verwijt dat zijn uitleg door de traditie bepaald is en als v. d. Kamp dan weer aan Ouweneel zou verwijten dat zijn zicht op de juiste uitleg door zijn traditie geblokkeerd is, dan komen we niet veel verder.
4. Wie zich werkelijk in het boek Openbaring inleest, zal kunnen ervaren dat veel van de raadselachtigheid rond dit boek als was voor de zon verdwijnt. Natuurlijk is op detail-niveau niet alles duidelijk, maar de gouden draad die door het boek loopt is helder en diep eenvoudig. En de betekenis van de beelden die rond deze kern gegroepeerd zijn, is ook helder. Ouweneel staat naar eigen zeggen de futuristisch-pretribulationistische-prechiliastische uitleg voor. Deze uitleg gaat terug op die van de 'Broeders van de Vergadering', die weer teruggaat op die van J. N. Darby. De vraag die we hierbij hebben is de volgende: Met deze methode van uitleg wordt weliswaar een hoofdlijn aangebracht, maar krijgt de uitleg van de verschillende beelden niet een enorm fragmentarisch karakter? Gaat de samenhang van de beelden met het geheel in veel gevallen niet verloren? Wij hebben de ervaring dat dit heel duidelijk het geval is als men bv. in de hoofdstukken 11 en 12 informatie over de toekomst van Israël wil lezen. Men houdt alleen de samenhang van het eigen denkmodel over, maar die had men toch al.
5. Al langere tijd heb ik het gevoel dat ook onder ons niet meer op een gezonde manier over de relatie Israël en de Kerk wordt gesproken. Hoek wijdt aan dit onderwerp het 3e hoofdstuk van zijn boekje 'Nabij de toekomst'. Met wat hij hierin schrijft heb ik geen enkel probleem. Meer met wat hij niet schrijft en dan bedoel ik dat in relatie met het werkelijke niet te onderschatten spanningsveld dat hier ligt. Dat de vervangingstheologie resoluut af te wijzen is en dat Gods werk niet tot voltooiing zal komen voordat ook Israël in het volle heil zal delen, dat mag zo langzamerhand bekend geacht worden. Maar dat met de geforceerde scheiding tussen Israël en de kerk, die er in de praktijk op neerkomt dat het God eigenlijk alleen om Israël gaat en de gemeente er maar een beetje bijhangt, juist de onthulling van Gods geheimenis wordt aangetast, grijpt diep in en vraagt om waakzaamheid. Weliswaar wijst Hoek de opvatting over twee volken en de kerk als een zijspoor naast de tijdelijk afgesloten hoofdroute af, maar het gaat me te luchtig in de zin van te onbezorgd. Opvallend dat hij in dit verband Ouweneels boekje 'Israël en de Kerk' aanhaalt, maar er verder geen woord aan besteedt. Het lijkt mij boeiend om zowel Hoek als Ouweneel het hoofdstuk 'De kerk als volk van God' uit 'Paulus' van Ridderbos, die hierin een systematische bijbelse analyse biedt, te laten becommentariëren.
6. Ten slotte nog een vraag over de interpretatie van de oudtestamentische profetieën. Ligt de kern van ons worstelen hiermee niet hierin dat we er veel te mechanisch-rationalistisch mee om gaan? Alsof het voorspellingen zijn die wij met onze beperkte inzichten op realisatiegraad kunnen controleren. Alsof God niet vrij is om te zeggen: Ik heb dit wel beloofd, maar jullie hebben er zo'n chaos van gemaakt, dat Ik een nieuwe weg ga inslaan. Zeer leerzaam vind ik in dit verband de studie van dr. Vriezen in 'Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament' waarin hij aangeeft hoe de profetieën als het ware meegroeien met de geschiedenis van Israël en met de worsteling van God om het behoud van zijn volk. Uiteindelijk loopt dat uit op het diepe inzicht dat Gods volle heil niet meer binnen de kaders van deze oude wereld past en dat God belooft: Zie Ik ga iets nieuws scheppen, er komt een NIEUW VERBOND· Hiermee verliest alle geredeneer over het herstel van de tempel, inclusief de offerdienst zijn waarde. Voor ons christenen is deze gedachte toch absurd. We hebben toch het LAM GODS, voor Gods troon, staande als geslacht. Ik begrijp best dat met het bovenstaande niet alles is gezegd, maar de vraag blijft; moeten we niet verlost worden van onze voorspellingsdrang en van een te hoog opgeven van onze interpretatiebekwaamheid als het er werkelijk op aankomt? Ondanks alle profetieën omtrent het grote heilsfeit van de komst van onze Heiland: wie had verwacht dat het zo zou gaan als het gegaan is?
Van groot belang voor de gemeenten
Bij bovenstaande vragen en opmerkingen wil ik het laten. Het onderwerp is zo omvattend dat er nog veel aan de orde zou kunnen worden gesteld. Maar voor de zaak waarom het mij gaat is dat niet nodig. Waar het mij om te doen is, is nog niet zo eenvoudig onder woorden te brengen. Toch wil ik daar een poging toe wagen.
* Binnen het grote huisgezin van God past ons een ruimheid en mildheid in het beoordelen van elkaars opvattingen. Laten we elkaar als broeders en zusters, ook al komen we uit verschillende tradities, aanvaarden en respecteren. Elkaar met respect behandelen betekent ook dat we elkaar mogen bevragen op onze omgang met het Woord van God.
* Dit elkaar bevragen heeft voor mij als achtergrond dat ik zie dat de hier aan de orde gestelde opvattingen en de daarmee corresponderende omgang met de Schrift steeds meer aanhang vindt binnen de kerken. Daarbij merk ik ook dat dit in veel gevallen het resultaat is van een vorm van bewuste 'zendingsijver' soms niet geheel vrij van fanatieke trekken alsof het evangelie alleen bestaat uit een stelsel opvattingen over de toekomst. Het Zoeklicht gaat van hand tot hand. Eenzelfde ontwikkeling is de laatste tijd nogal eens op te meren bij en binnen commissies Kerk en Israël. Als gemeente net doen alsof er niets aan de hand is, helpt niet. Wie eenmaal op deze lijn zit, wil het ook in de kerk horen. Het resultaat is voorspelbaar, men raakt geïrriteerd en vertrekt.
* Om heel eerlijk te zijn moet ik zeggen dat ik er toch wat moeite mee heb om een aantal van de aangeduide opvattingen tot de gezonde leer te rekenen. De vraag die zeker mag worden gesteld is of de gemeente van Christus, heel breed gezien, erdoor wordt opgebouwd. De methode van omgang met de Schrift - op dit gebied - leidt in ieder geval niet tot de eenvoud van het geloof. Het creëert een groot aantal opvattingen en stromingen. In de USA spreekt men van premils, postmils, pretrib premils, midtrip premil, posttrip premils etc. Is dat iets waar we in deze toch al zo moeilijke tijd als gemeente met een missionaire roeping mee gediend zijn? Mijn voorstel is dan ook om daar maar eens goed met elkaar over na te denken.
Hendrik Ido Ambacht A. van Wingerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 2000
De Waarheidsvriend | 15 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 2000
De Waarheidsvriend | 15 Pagina's