De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verwachting die vooral verenigt, toch ook verdeelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verwachting die vooral verenigt, toch ook verdeelt

9 minuten leestijd

Met grote waardering heb ik het artikel van broeder Van Wingerden over 'De ene toekomst van Christus en de vele opvattingen' gelezen. Hij geeft een heldere analyse van wat in veel gemeenten gaande is: een positieve toename van de aandacht voor de grote Toekomst van onze Heere Christus, maar tegelijkertijd een toenemende, verwarring: hoe te denken over de plaats van Israël, de opname van de gemeente, de grote verdrukking, de antichrist, het duizendjarig rijk enzovoorts. De verwachting van Christus' komst verenigt evangelischen en reformatorischen, maar verdeelt anderzijds toch ook. In mijn boeken over de christelijke toekomstverwachting Voorbij de dood en Nabij de Toekomst heb ik beklemtoond dat hetgeen de gelovigen die de levende Christus tegemoet zien, verenigt onvergelijkelijk meer is dan wat hen verdeelt. Tegelijkertijd kwam ik er niet omheen en wilde ik er ook niet omheen keuzen te maken die in de lijn van de reformatorische traditie liggen, hetgeen mij trouwens enkele zeer negatieve recensies uit evangelische kring heeft opgeleverd. Kennelijk worden de tegenstellingen toch als heel pijnlijk ervaren. Voor iemand als H. J. Verwoerd uit Driebruggen is het duidelijk dat wie hem niet volgt in zijn inzichten aangaande de toekomst zo ongeveer de Heilige Geest tegenstaat en zich moedwillig blind houdt voor het geestelijke licht dat via hem is opgegaan. Anderen zullen het minder scherp stellen, maar vinden toch dat je chiliast moet zijn om bijbelgetrouw te kunnen heten. Tegen dergelijke verabsoluteringen protesteer ik met klem. Ik wens geen enkele evangelische of chiliastische broeder of zuster af te schrijven die met mij de Heere verwacht, maar dan wens ik van mijn kant ook serieus genomen te worden als gelovige die in elk geval oprecht tracht de Schriften te verstaan. Van reformatorische zijde schort het overigens ook vaak aan deze echte openheid. Zo wordt in het onlangs verschenen werk Eschatologie. Handboek over de christelijke toekomstverwachting (onder redactie van prof. dr. W. van 't Spijker) het gesprek met de verschillende evangelische opvattingen inzake de toekomst niet gevoerd. Ik vind dat een gemiste kans en een onbegrijpelijke omissie. Spreekt er onderschatting van een toch zeer belangrijke en invloedrijke theologische stroming uit? Wederkerige aanvaarding en respect is absolute voorwaarde voor een gesprek dat ons werkelijk verder kan voeren. Van broeder Ouweneel weet ik dat hij de openheid heeft om zo een gesprek aan te gaan.

Vragen aan Ouweneel
In de indringende vragen die Van Wingerden aan Ouweneel stelt, kan ik mij heel goed vinden. Het voornaamste bezwaar komt neer op de constatering dat Ouweneel een harmoniserend en systematiserend bijbelgebruik laat zien, waarbij een veelheid van bijbelse gegevens wordt verwerkt in een uitgebreid schema. Doet zo'n schema recht aan het eigene van de bijbelse profetie? Doet het recht aan het specifieke van apocalyptiek (profetie in code), zoals we deze met name in het boek Openbaring aantreffen? Moeten we niet veelmeer de verschillende bijbelse beelden en impressies van de toekomst in al hun variatie naast elkaar laten staan in het besef dat ze samen verwijzen naar een werkelijkheid die ons nu nog maar zeer ten dele bekend kan zijn. Het bijbelse spreken over de Toekomst is een verwijzend spreken, vergelijkbaar met een gedicht dat diepe waarheid aanduidt door te cirkelen om het geheim. Wanneer we het zo zeggen, verdampen we de christelijke toekomstverwachting niet, want deze vindt zijn concretisering in de Persoon van Christus. Mijn toekomst is dat Hij op mij toekomt. En Hij is niet een vage idee, maar Mens met een verheerlijkt lichaam, wezenlijk identiek met Jezus van Nazareth zoals Deze op aarde heeft geleefd. De christelijke toekomstverwachting is dus volstrekt christocentrisch en in deze concentratie op de kern en het hart van de verwachting ligt ook de eenheid van de verwachting. Of het nu gaat om verwachting nog binnen de wanden van de wereldgeschiedenis (bekering van Israël, geestelijke opwekking), direct na de dood (de hemel) of in de voleinding, (de wederopstanding van het vlees en het eeuwige leven), het is de ene verwachting van de Komende. Het gaat niet om allerlei van elkaar gescheiden bedelingen, maar het gaat om de ene verwachting die telkens weer nieuwe horizonnen openbreekt.
Het lijkt mij fundamenteel in strijd met de bijbelse beloften-prediking om een 'reportage-eschatologie' te ontwikkelen, waarbij we successievelijk kunnen wegstrepen wat al vervuld is en voorts in kaart kunnen brengen (in schema zetten) wat ons achtereenvolgens nog te wachten staat. Zo werkt dat niet met
Gods beloften. Dat zijn geen voorspellingen die uitkomen, maar levende woorden die een nieuwe werkelijkheid scheppen, telkens weer, totdat eenmaal alles nieuw zal zijn. Inderdaad, de Bijbel is geen puzzelboek. Is Ouweneel voldoende van het gevaar doordrongen dat zijn benadering de bijbelse beelden en visioenen geweld aan kan doen? Of vindt hij dat de hier ingenomen positie te vaag is en te weinig recht doet aan de variatie en detaillering in de bijbelse voorzeggingen van de toekomst? Zou hij dat dan aan enkele voorbeelden kunnen illustreren?

Israël = Israël?
Een ander aangelegen punt is het zicht op de plaats en betekenis van het volk Israël in het voortgaande heilshandelen van God, met name in verhouding tot de kerk die uit joden en heidenen is samengebracht. Op dit punt vindt Van Wingerden mijn positie te weinig uitgesproken en geprofileerd tegenover Ouweneels opvatting dat er niet één, maar twee volken van God zouden zijn. In Nabij de Toekomst heb ik echter op bladzijde 34 nadrukkelijk gesteld dat de tijd van de nieuwtestamentische kerk geen interim-periode is, geen zijspoor naast de tijdelijk afgesloten hoofdroute die dan Gods weg met Israël zou zijn. Als ik mij een citaat uit eigen werk mag veroorloven: 'Dit kerkvergaderend werk van Christus vond eerst wereldwijd plaats, daarna kwam er een versmalling en concentratie tot Abraham en zijn zaad, maar sinds de pinksterdag is die tijdelijke versmalling weer ongedaan gemaakt en is de heilsstroom weer buiten de oevers van Israël getreden' (blz. 34). Dit betekent dus dat ik geen sticker met 'Israël = Israël' op mijn auto of koffer zou willen plakken. Ik denk namelijk dat dit een simplificatie is. Petrus past toch de oudtestamentische benamingen voor het volk van God, Israël, in 1 Petrus 2 : 9 heel duidelijk op de gemeente toe? Wil ik hiermee zeggen dat de kerk in plaats van Israël is gekomen? Zeker niet, want die benadering, die tegenwoordig als 'vervangingstheologie' te boek staat, acht de specifieke rol van het volk der joden in de heilsgeschiedenis sinds Pinksteren uitgespeeld. Ik daarentegen ben met vele evangelischen en reformatorischen overtuigd van de bijzondere bedoelingen die God met Zijn oude verbondsvolk nog altijd heeft en in de toekomst zal realiseren. Ik verwacht een volksbekering van Israël. Binnen de ene Kerk van God, waarin heidenen in Israël zijn ingelijfd, zullen in de eindtijd de joden numeriek veel meer gaan voorstellen en een veel invloedrijker factor vormen dan tot nog toe door de eeuwen heen het geval is geweest. De joden die tot nog toe tot het christelijk geloof bekeerd zijn, mogen gezien worden als eerstelingen en voorboden van de grote oogst die nog zal volgen.

Ridderbos over de kerk als volk Gods
Van Wingerden vraagt hoe ik denk over het hoofdstuk 'De kerk als volk van God' uit het boek Paulus van dr. Herman Ridderbos (blz. 364 - 403). Welnu, ik stem van harte in met diens grondstelling dat de kerk de voortzetting en vervulling van het historische volk Gods is, zoals blijkt uit de benaming ekklesia, die overeenkomt met het oudtestamentische qehal adonaj, volk of gemeente des HEEREN. Heel mooi vind ik de uitspraak van Ridderbos op blz. 401- 403: 'Er is dus geen tegenstrijdigheid tussen de wezensbepaling van de nieuwtestamentische gemeente als het volk van God en het vasthouden van Israël als het voorwerp van Gods onberouwelijke genadegave en roeping... Zo kan Paulus enerzijds de gemeente uit de heidenen met alle voorrechten en zegeningen van Israël begiftigd zien, haar ook de plaats van het ongelovige Israël zien innemen, en toch anderzijds de voortzetting van Gods oorspronkelijke heilsbedoelingen met Israël als het historische volk van God ten volle handhaven. En dit alles vanwege het genadekarakter van Gods verkiezing en vanwege Christus. Die zowel het zaad van Abraham als ook de tweede Adam is...'
Het is duidelijk dat Ouweneel hierover heel anders denkt. Zie ik het goed dat hij zich heel goed zou kunnen vinden in de opvatting die door mr. H. P. Medema in het blad Visie in een tweegesprek met ds. Chr. Van Andel is vertolkt: "Voor mij is het heil van Israël weliswaar gefundeerd op het verzoeningswerk van Christus - want er bestaat geen ander heil - maar het is wel een heil dat speciaal voor Israël is... Mijn visie op Israël leidt voor mij tot de conclusie dat het 'Duizendjarig Rijk' - het Vrederijk - de vervulling is van de oudtestamenische profetieën. Dat moet dus op aarde plaatsvinden met een letterlijk Jeruzalem als middelpunt'. Het wonderlijke is nu voor mij dat ik vanuit het luisteren naar Romeinen 9-11 ook geloof in een historische vervulling van de profetieën in een tijd van opwekking, geconcentreerd rondom Jeruzalem! Maar tegelijkertijd ben ik van overtuiging dat diezelfde profetische woorden wijzen op de nieuwe aarde en op het nieuwe volk van God dat, nu de middelmuur der afscheiding is neergehaald (Eféze 2 : 14), uit joden en heidenen is tezamen gebracht.
Met belangstelling zie ik Ouweneels reactie tegemoet. We hebben natuurlijk niet de illusie dat we zomaar even een brug kunnen slaan tussen twee zozeer verschillende benaderingen. We zijn al een heel eind wanneer we over en weer geen karikaturen maken, en oprecht pogen elkaar te verstaan. Het belangrijkste is dat we ons samen onderweg weten naar Christus' Toekomst.

Veenendaal              J. Hoek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verwachting die vooral verenigt, toch ook verdeelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's