De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat zegt de Schrift - en wie zal het zeggen?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat zegt de Schrift - en wie zal het zeggen?

11 minuten leestijd

Het doet mij deugd aan een gesprek te mogen deelnemen dat niet alleen de 'laatste dingen', maar ook de kerkvisie en het heil, ja, mij persoonlijk heel existentieel raakt. Het doet mij ook goed dat te mogen doen met broeders die ik in alle wezenlijke opzichten als geestverwanten herken: A. van Wingerden en J. Hoek. Samen met hen verwacht ik de persoonlijke, lichamelijke, zichtbare komst des Heeren op de wolken des hemels. Maar, zoals Hoek zegt: deze verwachting verenigt niet alleen, maar verdeelt ook. Samen met de broeders lijd ik aan deze verdeeldheid. Ik meen dat te doen met respect voor hun standpunten. Ik zou inderdaad nooit zeggen (in antwoord op Hoek) dat je, om bijbelgetrouw te zijn, chiliast moet zijn. Ik zou trouwens evenmin het tegendeel zeggen. Daarom moet Van Wingerden er voorzichtig mee zijn om opvattingen van ernstige medegelovigen niet tot de 'gezonde leer' te rekenen. Ook hij is uiteindelijk postmil, amil of prèmil (mil[lennialisme] = chiliasme)! Ook hij is pretrib, midtrib, posttrib of atrib (trib[ulatie] = grote verdrukking). Zo liggen de dingen nu eenmaal. Dat soort termen is alleen maar handig om verschillende opvattingen snel te onderscheiden, meer niet.

De voorvragen
Het punt illustreert trouwens hoezeer Van Wingerden gelijk heeft als hij zegt: 'de kernvragen cirkelen rondom de wijze van exegetiseren en theologiseren', d.w.z. rondom de 'denkschema's' en de 'brillen' waardoor wij de bijbeltekst bezien (hij heeft het over 'de bron die de verschillende visies voedt'). Ik betrap zowel mezelf als anderen er steeds weer op hoezeer men vertrouwd is met het eigen, met de paplepel ingegoten theologisch denkkader, terwijl men in het denken van een medegelovige, die van een heel ander denkkader doordrenkt is, die 'bevooroordeeldheid' zomaar weet 'aan te wijzen'. Dat is het jezelf voor de gek houden dat ik destijds bij v. d. Kamp meende te signaleren: tegenover de - ismen' van de één plaatst de ander het onbevangen lezen van de Schrift! Was het maar zo eenvoudig...
Dit soort blikvernauwingen (bij de ander én bij mezelf!) zijn het die de gelovige communicatie zo moeilijk maken. Tegenover verschillende eschatologische opvattingen die ik in mijn boeken gepresenteerd heb, plaatst Van Wingerden uitdrukkingen als: 'Onbevangen lezing...', 'De indruk bestaat....!, 'Wie zich werkelijk in het boek Openbaring inleest...', 'Wij hebben de ervaring', 'Voor ons christenen is deze gedachte toch absurd...' enzovoort. Dezelfde stelligheden vind ik bij Hoek: 'Het gaat niet om allerlei van elkaar gescheiden bedelingen...', 'Zo werkt dat niet met Gods beloften...'. Zijn de broeders hier niet net zo stellig als ze bij mij menen te signaleren? En laat het (vermeende) vooroordeel van de ander zich ooit zinvol met de eigen (vermeende) gezonde intuïtie bestrijden? Ik zou daarop willen antwoorden wat Van Wingerden mij verwijt: op zo'n manier 'komen we niet veel verder'. En als Hoek vraagt: 'Is Ouweneel voldoende van het gevaar doordrongen dat zijn benadering de bijbelse beelden en visioenen geweld aan kan doen? ', dan antwoord ik: ik hoop van wel. Maar wat kán ik verder met de vraag? Ik doe mijn best, maar eschatologie blijft een moeilijk vak.
Niet dit soort methodologische vragen helpen mij, maar een diepgaande, volstrekt eerlijke bezinning op de theologische uitgangspunten. Mag ik een voorbeeld noemen van één zo'n vooroordeel? Waar lezen we (behalve in de berijming van Ps. 87...) dat wij, gelovigen uit de heidenen, in Israël zijn ingelijfd (zoals Hoek zegt)? In Rom. 11 lees ik dat in elk geval niet! Ik vermoed dat 95% van de lezers daarvan opkijkt. Maar pas als we dit soort 'evidenties' eens onder de loep zouden durven te nemen, zouden we misschien verder komen (ik heb dat geprobeerd in mijn Israël en de Kerk).

Toch vervangingstheologie?
Bovendien lijkt Van Wingerden toch oppervlakkig gelezen te hebben. Niet voor niets heb ik mijn Openbaringscommentaar vooraf laten gaan door zo'n 130 (!) bladzijden inleiding, en daarin doe ik wel degelijk mijn best verschillende opvattingen die ik volgens Van Wingerden nauwelijks onderbouw, uitvoerig aannemelijk te maken. Maar tegelijk vraag ik mij af, als ik zijn bezwaren lees, of ik mij wel duidelijk genoeg heb uitgedrukt. Heb ik mij misschien toch te veel achter '-ismen' verstopt? Daartegenover vraag ik echter: maar Van Wingerden dan? Zoals ik t.a.v. v. d. Kamp vroeg, vraag ik hem nu ook: in hoeverre is hij zich van zijn eigen theologische 'paradigma' bewust? Bestáát er wel zoiets als 'onbevangen lezen' of een veilig afgaan op 'indrukken' en 'ervaringen', als je van kinds af aan in heel je christelijk denken zelf gestempeld bent door de verbondstheologie? Waarom noemt hij zijn eigen verbondsmatig denken in zijn hele stuk met geen woord? Waarom zou de verbondstheologie - met in mijn optiek haar vele theologismen - minder een 'schema' zijn dan bijv. de bedelingenleer? (vraag ik Hoek). En dit is toch de 'bron' die de gereformeerde 'visies voedt'? (vraag ik Van Wingerden).
In dat verband vraag ik mij af of Van Wingerden het kan waar maken dat het 'bekend' geacht mag worden dat 'de vervangingstheologie resoluut af te wijzen is'. Zelfs Augustinus, de vader van de vervangingstheologie, hield wel degelijk rekening met de mogelijkheid van een massale bekering van Israël in de eindtijd. Die twee noties zijn dus best combineerbaar (zoals ook Hoek zich niet lijkt te realiseren). Wie echter stelt dat de Kerk vandaag het volk van God is en dat een jood die Jezus als Messias aanneemt, zich bij déze Kerk heeft te voegen en zijn jodendom de facto heeft af te zweren, is nog steeds een aanhanger van 'dé' vervangingstheologie, al gelooft hij nog zo zeer dat uiteindelijk 'ook Israël in het volle heil zal delen' (Van Wingerden). Augustinianen zeggen dat de gelovigen uit de volken in Israël zijn ingelijfd - maar in de praktijk werden vanaf de tweede eeuw gelovigen uit Israël altijd bij de kerk-uit-de-volken ingelijfd. Mijn theologische uitgangspunten staan mij toe beide standpunten af te wijzen. Ik geloof van harte in het hemelse Jeruzalem en de nieuwe hemel en aarde; maar ik geloof ook van harte in het Messiaanse vrederijk dat gecentreerd zal zijn in het aardse Jeruzalem. Wie dat niet gelooft, huldigt toch gewoon de vervangingstheologie; het aardse Sion is vervangen door het hemelse Sion, ook al zouden eens alle joden tot bekering komen.
Ik vraag zowel Van Wingerden als Hoek eens op de volgende stellingen in te gaan:
(1) Het calvinisme is onlosmakelijk met de vervangingstheologie (in genoemde zin verbonden, en
(2) wie consequent calvinist is, kan niet tegelijk in een letterlijke landbelofte voor Israël geloven.
Menige Geref. Vrijgemaakte en Ned. Gereformeerde zal deze stellingen onmiddellijk van harte beamen! Hoe staat het met mijn Geref. Bondsbroeders? Ik heb nog wat andere stellingen: Er zijn vandaag (volgens recente berichten) meer dan 600 miljoen evangelicalen op aarde (11% van de mensheid), en zij vormen de snelst groeiende van alle religieuze bewegingen (elke dag komen er zo'n 90.000 bij, als ik goed ben ingelicht). Verreweg de meesten van hen zijn prechiliasten. Ik geloof dat het Augustinianisme op z'n retour is en dat God in deze eindtijd bezig is met een massale opwekking, waarin velen de ogen voor het naderende Messiaanse rijk in Sion geopend worden.
Dé discussie gaat m.i. helemaal niet over de vraag of er nog eens een massale bekering van Israël komt of niet. Menige Augustiniaan wil daar nog wel aan. De discussie gaat veeleer over kwesties als de letterlijke landbelofte voor Israël en over de vraag of de Messias, die letterlijk in Bethlehem geboren werd, eenmaal even letterlijk zal zitten op de troon van David in het aardse Jeruzalem en of de Tora zal uitgaan uit het letterlijke Sion tijdens het Messiaanse vrederijk. Vergeten we nu eens alle '-ismen' (foederalisme, dispensationalisme, chiliasme enz.) en stellen we ons déze vragen! Als ik dan Van Wingerden hoor zeggen: 'Moet dan toch niet erkend worden dat (...) in Openbaring namen als Israël, Jeruzalem, Babyion een duidelijk theologische (lees: kerkelijke! WJO) betekenis hebben? ' en hoor suggereren dat Openb. 11 en 12 geen 'informatie over de toekomst van Israël' bieden, dan zeg ik: dit is gewoon de aloude vervangingstheologie. Maar ik geloof dat God bezig is verandering te brengen. Zoals de Reformatie wat de heilsleer betreft, een bevrijding van Rome betekende, zo betekende het nieuwe zicht op Israël (1e helft 19e eeuw, Reveil en evangelicale afscheidingen) wat de eschatologie betreft, een bevrijding van het Augustinianisme (inclusief dat van Calvijn, Voetius e.d.). Nog elke dag worden tallozen van dit '-isme' bevrijd. Vergeef me dat ik het zo stel, maar zo zie ik het eerlijk.

Tegenvragen
Ten slotte wil ik Hoeks vraag naar concrete voorbeelden beantwoorden met enkele tegenvragen:
(a) Staat de troon van David op aarde of in de hemel? Indien het laatste, wanneer heeft dan de verhuizing plaatsgevonden? Maakt Christus in Openb. 3 : 21 niet onderscheid tussen 'zijn' troon (vgl. Luk. 1 : 32!), waarop Hij zal zitten, en de troon van zijn Vader, waarop Hij nu zit?
(b) Maken Openb. 20 en 21 geen onderscheid tussen de 'duizend jaren' van de Christusregering (20 : 4c), die op de wederkomst volgen (19: 11-16), en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die op de 'duizend jaren' volgen (21 : 1)? Als de chronologische zingevingsverbanden hier worden losgelaten, gaan mijn waarde gesprekspartners dan zelf niet 'enorm fragmentarisch' te werk (Van Wingerden)? 
(c) Vanwaar de reusachtige detaillering in Ezech. 40-46 wat betreft tempel en offerdienst, als dat allemaal moet worden 'vergeestelijkt'? Wie zijn de zonen van Zadok die weer vele brand- en zondoffers zullen brengen op een nauwkeurig beschreven altaar op precies aangeduide sabbatten en joodse feestdagen? Is het niet slechts het Augustiniaanse vooroordeel dat wel van offers (in het Oude Testament) wil weten die vooruitzien, maar niet van offers (in het Vrederijk) die terugzien op het werk van Christus?
(d) Wat betekent de hereniging van de twee en de tien stammen in het Messiaanse rijk en hun vereniging onder koning 'David' in het land Israël (zie bijv. Jer. 3 : 18; 50 : 4; Ezech. 37 : 15-28; Hos. 1 : 4, 2 : 2)? Is dat nú? Is dat op de nieuwe aarde? Of moet dat vergeestelijkt worden, waarbij Juda Israël, en Israël de gelovigen uit de volken wordt? Is dat dan 'gezonde leer'? Waaróm eigenlijk mag het niet gewoon betekenen dat straks de (letterlijke) twee en tien stammen weer herenigd worden? (En zeg niet: hoe kan dat dan? want zulke kleingeloofsvragen helpen ons ook niet verder.)
(e) Straks daalt de Heere neer op de Olijfberg en dan breekt zijn openbare koningschap aan (Zach. 14 : 3-9). Is dat al vervuld? Of is dat op de nieuwe aarde? Maar hoe zit het dan met die Egyptenaren die, als ze weigeren naar Sion op te trekken, voor straf geen regen krijgen (vs. 16-19)? Nieuwe aarde? Vergeestelijken, net zoals Olijfberg, Jeruzalem, Loofhuttenfeest en 'huis des Heeren' hier vergeestelijkt worden? Is het dan niet consequenter de wederkomst zélf ook maar te vergeestelijken? Dit is maar een kleine selectie. Maar ik zou echt wel eens grondig antwoord op dit soort vragen willen. Laten de broeders van mij aannemen dat ik geen 'reportage-eschatologie' wil en de Bijbel ook niet als 'puzzelboek' zie. Het spijt me als ik in het verleden die indruk gewekt heb. Maar hebben de broeders t.a.v. genoemde vragen een betere benadering? Óf de broeders zijn toch crypto-aanhangers van de Vervangingstheologie ('het etnische volk van God [Israël] is vervangen door een geestelijk volk van God [de Kerk]'), óf zij lezen de genoemde en talloze andere profetieën in grote lijnen net zo letterlijk als zij dat met de profetieën over de geboorte en het lijden, het sterven en de opstanding van Christus doen. Of weten zij een derde weg?
Wij zijn samen op reis naar Christus' Toekomst (aldus Hoek), en dat is ook voor mij een grote troost en vreugde. De Schrift geeft onnoemelijk veel bijzonderheden over hoe die Toekomst er uit zal zien. We kunnen allemaal erg uitglijden bij de interpretatie van die bijzonderheden, ik ook. Maar ik zou het heerlijk vinden als we, vóórdat die Toekomst aanbreekt, toch wat meer overeenstemming over die bijzonderheden zouden mogen ontvangen - juist vanwege de 'missionaire roeping' van de Kerk (Van Wingerden), zodat we als één man/vrouw naar buiten toe over die Toekomst kunnen getuigen. Ik hoop op Christus' Toekomst, maar ook op die broederlijke overeenstemming. Ik geloof dat Van Wingerden en Hoek daar ook op hopen. En dat geeft perspectief voor het eventuele verdere gesprek.

W. J. Ouweneel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wat zegt de Schrift - en wie zal het zeggen?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's