De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een dissertatie over dr. J. G. Woelderink

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een dissertatie over dr. J. G. Woelderink

5 minuten leestijd

Van de hand van dr. H. J. C. C. J. Wilschut verscheen een zeer uitvoerige dissertatie (704 blz.): J. G. Woelderink: om de 'vaste grond des geloofs'. De ontwikkeling in zijn theologisch denken, met name ten aanzien van verbond en verkiezing (Uitgeverij Groen, Heerenveen 2000), verdedigd te Kampen (Broederweg). Waarom zo omvangrijk? Zonder tekstverwerker was het zeker niet zo dik geworden. Had de promotor niet moeten zeggen: 'breng het eerst maar tot de helft of tot een derde terug'? Dat had ook zonder bezwaar gekund. Niet alles wat er in staat is even relevant, en het minutieuze nagaan van elk artikel en elke variant tussen artikel en boekuitgave is vermoeiend en had wat mij betreft in de keuken mogen blijven, om zodoende een gerecht op tafel te krijgen dat beter te verteren is. Overigens is het wel een leesbaar boek en ondanks de enorme omvang zeker niet duur: ƒ 49, 95.
Woelderinks ontwikkeling wordt in drie fasen (1914-1938, blz. 40-229; 1939-1949, blz. 230-393; 1949/50-1956, blz. 394-597) beschreven telkens voorafgegaan door enkele summiere biografische gegevens. Daarbij houdt de auteur zich strikt aan het thema 'verbond en verkiezing'. Dat betekent bijv. dat zodoende de activiteit van Woelderink in de Conventbeweging samen met Severijn en Kievit, met wie hij later in conflict zou komen, in de twintiger jaren buiten deze scopus valt, terwijl hier wel een ecclesiologie aan de orde was die op gespannen voet staat met de latere inzichten van Woelderink inzake het verbond. De bijdragen van Woelderink in de periodiek 'Het Convent' ontbreken ook in de bibliografie van Woelderink. Deel I omvat na een inleiding 17 hoofdstukken. Elk onderdeel wordt gevolgd door een nadere analyse en elk hoofdstuk wordt afgesloten met een conclusie. Deel II (blz. 598 - 655) is gewijd aan de evaluatie. Bij zijn descriptie voert Wilschut voortdurend polemiek met anderen, o.a. met Berkouwer en vooral met Graafland over de interpretatie van Woelderink. De verhouding van Woelderink met Karl Barth komt uitvoerig aan de orde en de discussies met Van Genderen, R.H. Bremmer en C. Trimp. Duidelijk wordt hoe Woelderink een ontwikkeling doormaakt waarin hij niet alleen kritisch staat tegenover allerlei misvattingen ten aanzien van de verkiezing (de zog. verkiezingsidee), maar ook gaandeweg een kritischer houding aanneemt ten opzichte van het leerstuk van de verkiezing zelf. Helaas heeft Woelderink door de verwording van de rijkdom van de gereformeerde leer in de zog. 'gemeente-theologie' het lied in het dogma niet gehoord.
Uit de studie komt Woelderink naar voren als een echte pastor, die vanuit de vragen in zijn pastorale praktijk tot theologische bezinning komt. Hij doet dat op integere wijze, en daarom temeer is het beschamend hoe hij in de dertiger jaren op grove wijze werd 'afgemaakt' door prof. Visscher in het Gereformeerde Weekblad. Hoewel ds. I. Kievit in hetzelfde blad Woelderinks opvattingen bestreed, is diens kritiek zakelijker en minder persoonlijk dan die van Visscher. Ds. Kersten sloot zich zakelijk bij Visscher aan. Het zijn zwarte bladzijden in de geschiedenis van de Gereformeerde Bond, waarbij men ook in rekening moet brengen, dat zeker niet het geheel maar toch wel een belangrijk deel van het gedachtegoed van Woelderink later vrijwel algemeen geaccepteerd werd binnen deze kringen.
Hoewel Woelderink volstrekt hervormd was en bleef, hield hij zich in zijn artikelen ook bezig met de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken, die geleid hebben tot de vrijmaking in 1944. Dat alles komt in deze studie zeer uitvoerig aan de orde.
Het geheel overziend kan men zich aan een gevoel van een zekere tragiek niet onttrekken. Zo herinner ik mij ook Woelderink in zijn nadagen (ik was toen student): een lange, sympathieke figuur, zoals hij zich oprichtte om aan de discussie deel te nemen tijdens een vergadering. Ik zie hem daar nog staan met een waas van tragiek om hem heen. In de kring waarin hij zich bewoog, waarin hij op de daar aanwezige problemen pastoraal reageerde en waarin hij thuishoorde, was hij beschadigd en een vreemde geworden. Over de verhouding van Woelderink tot Barth heeft de auteur mij niet kunnen overtuigen. M.i. is de verkiezingsleer van Barth wezenlijk verschillend van de gedachtegangen van Woelderink. Natuurlijk heeft Woelderink wel iets van Barth opgesnoven. Dat hing in de lucht na de Tweede Wereldoorlog. Maar de auteur wijst zelf op Woelderinks kritiek op Barth.
Ondanks zijn levenslange worsteling is Woelderink niet tot helderheid gekomen inzake de spanning tussen verbond en verkiezing. Als een mogelijke oorzaak van Woelderinks ontwikkelingsgang noemt Wilschut het feit dat Woelderink een solist was, een typische 'Einzelgänger', en ook enigszins eigenzinnig. Uit deze studie blijkt m.i. duidelijk hoe onvruchtbaar het is om zich zo geïsoleerd te richten op de 'loci' van verbond en verkiezing, die slechts binnen het geheel van de theologie, vooral in samenhang met de Christologie en Pneumatologie, tot hun recht kunnen komen. Woelderink was en bleef een bevindelijk theoloog. Alles wat hij schreef was een stuk van zijn persoonlijke worsteling. Daarom was hij ook zo kwetsbaar. Opmerkelijk is wat Wilschut opmerkt in zijn evaluatie: 'Het blijft merkwaardig, dat Woelderink tijdens zijn zoektocht niet werkelijk oog heeft gehad voor onderwijs van Calvijn over Christus als de 'spiegel der verkiezing'. Hier had hij de basis en de zekerheid kunnen vinden, waarnaar hij op zoek was, zonder afscheid te hoeven nemen van de klassiek-gereformeerde verkiezingsleer'... 'Was Woelderink hier echter bij Calvijn in de leer gegaan, dan had hij bij hem gevonden, waarnaar hij steeds zocht, het antwoord op de vraag: Hoe krijg ik zekerheid over mijn verkiezing?' (blz. 639, 646). Terecht wijst Wilschut Woelderinks opvatting over de scholastiek bij Calvijn af.
Het boek is niet voorzien van registers, en dat kan eigenlijk niet voor een dergelijk omvangrijk werk. Het is nu uitermate lastig om een bepaalde uitspraak terug te vinden, temeer omdat telkens dezelfde problematiek aan de orde is. Wie zich wil orienteren over Woelderink vindt in dit boek vrijwel alles bijeen wat daartoe dienstig is.

W. Balke

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 2000

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een dissertatie over dr. J. G. Woelderink

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 2000

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's