Agendapunten voor nader gesprek over de Toekomst
Lezing en overweging van de bijdrage die broeder Willem Ouweneel aan ons gesprek heeft geleverd onder de titel Wat zegt de Schrift. - en wie zal het zeggen heeft mij enigszins in verlegenheid gebracht. Zijn beschouwingen en vragen brengen ons als gesprekspartners namelijk op een punt waar we ofwel moeten beslissen echt diepgaand met elkaar in gesprek te gaan. Dan zouden we echter niet genoeg hebben aan enkele artikelen in dit blad, maar zou de neerslag van onze ontmoeting al gauw uitdijen tot een boek. Ofwel we moeten eigenlijk een stap terug doen en ons beperken tot het samen opstellen van de agenda waarover de echte gespreksronde zou moeten gaan. We hebben geen keus, denk ik, en daarom bepaal ik ik mij tot het aangeven van enkele agendapunten,
De beschuldiging van de crypto-vervangingstheologie
Eerst maar iets wat mij hoog zit. Als voorbeeld van een theologisch uitgangspunt dat leidt tot bevooroordeelde lezing van de Schrift noemt Ouweneel de overtuiging dat christenen uit de heidenen in Israël zijn ingelijfd. Hij verwerpt deze gedachte volstrekt vanuit zijn eigen theologische concept dat er twee volken van God zijn die in het heilsplan van God niet en nooit met elkaar tot één volk, één kudde onder één Herder, verenigd zullen worden. Deze opvatting heeft hij breder uiteengezet in zijn boek Israël en de Kerk. Dat boek is trouwens een te waarderen poging om de kaders voor een goed gespek, met name tussen GB-ers en GV-ers, helder aan te geven. GB-ers betekent in dit verband: gematigde aanhangers van de bedelingenleer. En GV-ers: gematigde aanhangers van de verbondenleer. Dit verschil van benadering is dus bekend en we weten wat dat betreft wat we aan elkaar hebben. Maar toch merk ik dat ik onaangenaam getroffen ben door de wijze waarop Ouweneel op dit verschilpunt ingaat. Hij wil namelijk koste wat het kost Van Wingerden en mij in de schoenen schuiven dat wij een vervangingstheologie aanhangen. Hiertegen teken ik protest aan. Ik vind het onjuist om te spreken van 'crypto-aanhangers van de vervangingstheologie'. Onder vervangingstheologie wordt algemeen de opvatting verstaan dat de christelijke kerk in de plaats van het volk Israël is gekomen en dat daarmee de bijzondere plaats van het etnische Israël, het volk der Joden, in het heilsplan van God definitief achterhaald is. Het zou nu helemaal niets meer uitmaken of men jood is of heiden. Prof. dr. R. Kuiper gaf laatst in het Nederlands Dagblad een kernachtige omschrijving van de vervangingsleer: 'Deze leer houdt in dat de beloften die eens Israël golden, op de christenen uit de heidenen zijn overgegaan. Het Joodse volk heeft afgedaan, we hebben nog slechts te letten op de kerk'. Deze opvatting verwerp ik, en voorzover ik weet geldt dat evenzeer voor broeder Van Wingerden, met klem. Wij zijn van overtuiging dat Israël nog steeds een heel bijzondere plek heeft in Gods hart en daarmee ook in Gods toekomstplannen. We nemen daarmee beslist afstand van iedere vorm van vervangingstheologie. Deze heeft immers geleid tot verachting en verguizing van het Joodse volk.
Ik vind het niet helemaal correct wanneer mijn visie op de toekomst vereenzelvigd wordt met die van de kerkvader Augustinus. Ik denk bijvoorbeeld veel genuanceerder dan de gewaardeerde kerkvader over de uitleg van Openbaring 20, zoals ik dat, ook in mijn boek Nabij de Toekomst uiteengezet heb. Maar als hoofdlijn onderschrijf ik: God is niet met Israël begonnen, maar Hij is met de wereld begonnen. Genesis gaat aan Exodus vooraf en Genesis 1-11 gaat aan Genesis 12 vooraf. Gods nieuwe inzet bij Abraham is daarmee overigens geen tijdelijke fase, maar blijk van Zijn onberouwelijke keuze, Zijn genadige verkiezing van Abraham en diens zaad. Gods weg met het Joodse volk is geen interimfase, evenmin als Gods weg met de christelijke gemeente een interimfase is! Maar via de terugtrekkende beweging van Genesis 12 blijft de hele volkerenwereld in het vizier, hetgeen ook in het Oude Testament op verschillende plaatsen duidelijk blijkt.
Kunnen we als calvinisten geen plaats geven aan de landbelofte voor het volk der Joden in zijn actuele betekenis? Hoe kan broeder Ouweneel deze vraag in alle ernst stellen? Hem is toch ongetwijfeld het geschrift Israël, volk, land en staat bekend waarin de hervormde synode in 1970 onomwonden gekozen heeft voor de blijvende betekenis van de landbelofte? Ik wijs ook op de bijdragen van hervormd-gereformeerde theologen als dr. M. J. Paul en dr. P. Siebesma in het boek Land voor vrede? Een studie over Israëls landsgrenzen, Kampen 1993.
Ouwerteel zegt dat wie niet gelooft dat het aardse Sion het hart zal zijn van het toekomende Messiaanse rijk, maar daarvoor in de plaats het hemelse Sion stelt, nog steeds gewoon de vervangingstheologie huldigt, 'ook al zouden eens alle joden tot bekering komen'. Ik vat dit niet. Wanneer de joden in de toekomst, zoals ik geloof, massaal tot bekering zullen komen, dan zal dat ongetwijfeld een wereldwijde geestelijke opwekking ten gevolge hebben. Ongetwijfeld zal Jeruzalem dan opnieuw een centrale plaats innemen: zoals sinds de grote pinksterdag het evangelie van Jeruzalem is uitgegaan, zo zal het in het laatste der dagen daarheen terugkeren. De joden zullen dan een veel substantiëler deel uitmaken van de christelijke kerk dan ooit het geval is geweest. De verhoudingen binnen de ene kudde onder de ene Herder zullen dan eindelijk weer recht getrokken worden. Maar er kan naar mijn overtuiging geen onduidelijkheid over bestaan dat de middelmuur van afscheiding tussen Israël en de volkeren definitief is neergehaald en verwijderd (Efeze 2 : 14). De nieuwtestamentische gemeente is onder de Joden gestart en bestond ook na de uitstorting van de Heilige Geest nog steeds uit Joden! Pas in Handelingen 10 komen de eerste heidenen erbij! Wie als Jood christen werd, legde daarmee toch zijn Jood-zijn niet af? En wie als 'godvrezende' uit het heidendom in het voorportaal van het jodendom stond, mocht nu door het geloof in Christus helemaal met de Joden verenigd worden in de nieuwe verbondenheid, waarbij de Jood Jood blijft en de heiden heiden en het tegelijkertijd heerlijk waar is: Daarin is nog Jood noch Griek... want gij allen zijt één in Christus Jezus. En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen (Galaten 3 : 28, 29). Kan het nog duidelijker gezegd worden? Als heiden behoef ik niet besneden te worden om in Israël te worden ingelijfd (of desgewenst: om wezenlijk één te zijn met joodse medegelovigen). Neen, door het geloof in Christus ben ik samen met mijn joodse broeder of zuster die uit hetzelfde geloof leeft, waarachtig één. Het gaat hier om een diepe eenheid die verscheidenheid allerminst uitsluit, maar wel beslissend overstijgt. Achter die eenheid teruggrijpen en weer een tweesporigheid invoeren, is de heilshistorische voortgang willen terugdraaien en daarmee wezenlijk tekortdoen aan het volbrachte werk van Christus. Ik weet dat ik nu ver ga, maar op mijn beurt schrijf ik: Vergeef me dat ik het zo stel maarzo zie ik het eerlijk.
Hoe lezen we de Schrift?
Dr. Ouweneel eindigt zijn bijdrage met een aantal concrete vragen naar de uitleg van bijbelgedeelten. Het is niet mogelijk in de toegemeten ruimte op deze vragen dieper in te gaan. Ik moet daarom volstaan met enkele aanduidingen. Maakt Christus in Openbaring 3 : 21 onderscheid tussen 'Zijn' troon waarop Hij zal zitten, en de troon van Zijn Vader waarop Hij nu zit? Met alle respect: dit is volgens mij nu een typisch voorbeeld van de Bijbel lezen door een dogmatische bril. De dogmatiek schrijft Ouweneel hier voor, dat er een duidelijk onderscheid moet zijn tussen de messiaanse troon van Jezus op aarde die nog in de toekomst ligt en de goddelijke troon in de hemel waarop Hij nu gezeten is. Ik deel deze dogmatiek niet en ik lees de woorden naar mijn overtuiging heel onbevangen als volgt (in parafrase), 'Wie overwint, die zal Ik te zijner tijd doen delen in Mijn regering, zoals Mijn Vader Mij sinds Pasen en Hemelvaart doet delen in Zijn regering.' Dus zoals Christus door de Vader gegeven is alle macht in hemel en op aarde, zo zal Hij zelf aan Zijn wettige strijders na de aardse loopbaan geven dat ze met Hem als koningen zullen heersen. Waar? Eerst in de hemel, later op de nieuwe aarde.
Het is een kwestie van uitlegmethode van het boek Openbaring of we Openbaring 20 chronologisch laten volgen op Openbaring 19. Ik volg de opvatting van onder andere dr. William Hendriksen: progressief parallellisme. Openbaring 20 geeft dan een nieuwe dwarsdoorsnede door de geschiedenis, dit keer onder het gezichtspunt van Jezus' overwinning en in het teken van Pasen, terwijl eerdere dwarsdoorsneden meer in het teken van Goede Vrijdag en van het lijden in verbondenheid met Christus stonden. Ik blijf ook bij deze uitleg met vragen en onzekerheden zitten, maar dat heb ik tot nog toe bij elke uitleg.
Ouweneel wijst voorts op de 'reusachtige detaillering' in Ezechiël 40-46 wat betreft tempel en offerdienst. Ik vind het inderdaad moeilijk hoe we deze detaillering moeten duiden, maar op grond van het nieuwtestamentisch getuigenis (het scheuren van het voorhangsel in de tempel, de aanduiding van de christelijke gemeente uit Israël en de volkeren als Gods tempel) zie ik geen ruimte voor de herbouw van de letterlijke tempel in Jeruzalem, althans niet in Gods gunst en als vervulling van de profetie. Zou het niet zo zijn dat de Geest Ezechiël, die in hart en nieren een man van de tempel was, dromen heeft laten dromen binnen zijn eigen context? Het mooiste wat de priester-profeet zich kon voorstellen was een luisterrijk herbouwde tempel. Welnu, het nieuwe Jeruzalem, het voltooide koninkrijk kent weliswaar geen tempel, maar is tegelijkertijd zelf één en al tempel. Openbaring 21 is de glorieuze vervulling van Ezechiël 40-46.
Hoe te denken over de Egyptenaren in Zacharia 14 : 16-19? Zijn er op de nieuwe aarde nog ongelovige Egyptenaren? Hier hebben we te maken met de meerdimensionaliteit van de profetieën. In de refor-. matorische traditie zijn hoofdstukken als Zacharia 12-14 veel te snel vergeestelijkt of te eenzijdig betrokken op de voleinding, dus op de nieuwe hemel en aarde. We zijn in deze traditie met dank aan evangelische medegelovigen begonnen te leren dat het heel goed mogelijk is dat deze profetie een partiële vervulling zal vinden in de eindtijd, wanneer de volkeren samen met Israël het Loofhuttenfeest zullen vieren. Tegelijkertijd moeten we recht blijven doen aan het eigene van het profetische spreken: het is geen reportage van toekomstige gebeurtenissen, maar expressie van gegronde verwachting. Dus of er letterlijk een droogte in het letterlijk te nemen Egypte komt, is niet gezegd. Bedoeld zou kunnen zijn dat er nog voor de jongste dag een toekomst zal aanbreken waarin alle rollen zijn omgekeerd: de verachte minderheid van gelovigen is de heersende meerderheid geworden en wie zich onttrekt aan het feest van de Heere zal daarvan de nadelige gevolgen ondervinden. Uiteindelijk vindt ook Zacharia 14 zijn vervulling pas op de nieuwe aarde, waar de werkelijkheid nog heerlijker zal zijn dan aan Zacharia is geopenbaard. Dan zal er niemand meer zijn die zich onttrekt aan het eeuwige Loofhuttenfeest!
Kwetsbaar en zuiver
Door zo - al te kort - in te gaan op enkele concrete teksten, stel ik mij kwetsbaar op. Dat doe ik welbewust. Ik meen niet de wijsheid in pacht te hebben en geef mijn benadering voor beter. Maar dan moet ik wel op exegetische en bijbels-theologische gronden overtuigd worden van dat betere. Ten slotte wil ik zeggen, dat het bij concretisering en intensivering van de discussie moeilijk is de toon zuiver te houden. Dat blijkt wel uit Ouweneels vraag: 'Is het dan niet consequent de wederkomst zelf ook maar te vergeestelijken?' Deze vraag is buiten de orde! Tegenover opvattingen van vrijzinnigen staat het geloof in de zichtbare wederkomst van Christus bij alle orthodoxe gelovigen vast. Juist vanuit de verbondenheid in die verwachting wil Ouweneel en willen Van Wingerden en ik met elkaar in gesprek zijn. We hebben behoefte aan diepgaande studie. We zouden zeer geholpen zijn met een dogmatische studie over de eschatologie, geschreven door zowel een evangelische als een reformatorische broeder of zuster, waarin eerlijk aangegeven wordt waar en waarom wegen uiteengaan, terwijl beiden toch de enige Weg kennen!
Veenendaal J. Hoek
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 2000
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 2000
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's