Johann Sebastian Bach als vertolker van het evangelie (1)
Bachjaar
Op 28 juli 1750, 250 jaar geleden dus, overleed in Leipzig de componist Johann Sebastian Bach. Zoals met grote namen in de geschiedenis het geval is, is de herdenking van dit feit aanleiding de betekenis van de persoon en het werk van de betrokkene onder de aandacht te brengen. Velen spreken dan ook over het jaar 2000 als het Bachjaar. Het kenmerkt zich door een veelheid aan projecten: Bachfestivals, Bachconcerten, congressen over Bach, boeken en artikelen, en niet te vergeten een stortvloed aan cd's. Je behoeft er tegenwoordig niet alleen voor naar een platenzaak te gaan. Wie tien jaar geleden gezegd had dat je in de toekomst bij de drogist cd-uitgaven met werken van Bach en andere componisten zou kunnen kopen, zou meewarig aangekeken zijn. Maar inmiddels gaan de cd's van de zogenoemde 'Kruidvateditie', een uitgave van Bachs complete oeuvre, als warme broodjes over de toonbank. Johann Sebastian Bach blijkt ongekend populair te zijn. Is dat een modegril, of zoals we tegenwoordig zeggen: een hype die weer snel kan overgaan? Ik denk het niet. Bachs muziek blijkt nog altijd velen aan te spreken. En dat betreft dan niet alleen zijn meest beroemde werk, de Mattheüspassion die in ons land al tientallen jaren lang in de weken voor Pasen op vele plaatsen wordt uitgevoerd en duizenden boeit, maar ook zijn cantates, zijn orkestwerken, zijn kamermuziek en niet te vergeten zijn vele composities voor orgel.
Bachbeelden
Bach mag binnen en buiten de kerk op grote belangstelling rekenen. Je kunt hem kennelijk vanuit heel verschillende gezichtshoeken benaderen. Niet alleen muziekwetenschappers, ook theologen, filosofen, cultuurhistorici en literatoren houden zich met hem bezig. Over Bach is dan ook enorm veel geschreven: Van Albert Schweitzer, de man van Lambarene, tot en met de schrijver Maarten 't Hart. De eerste, zelf ook een vermaard organist, schreef bijna een eeuw geleden een biografie over hem die nog altijd bewondering wekt, ook al worden Schweitzers inzichten door velen niet meer gedeeld. Schweitzer, zelf door de Verlichting heengegaan, benaderde Bach vooral als mysticus en had weinig oog voor de lutherse confessionele kanten van Bach. Maarten 't Hart schreef een persoonlijk getint document, dat in feit meer zegt over hem, dan dat we er Bach uit leren kennen. Ook bij 't Hart komt de kerkmuzikale kant weinig naar voren. Over het leven van Bach zijn ook de laatste jaren verschillende uitvoerige werken verschenen. Ik denk onder andere aan een boek van Guido van Hoof, Johann Sebastian Bach, Cultuurhistorisch portret (Kapellen 1996) en aan de onlangs in vertaling verschenen levensbeschrijving van de hand van Klaus Eidam, Het ware leven van Johann Sebastian Bach.
Nu doet zich hier wel een probleem voor. Want wat weten we eigenlijk van dat leven? Op de keper beschouwd kennen we maar weinig details. De bronnen zijn schaars. En biografen verliezen zich nogal eens in gissingen, hoe het gegaan kan zijn. De mens Bach gaat schuil achter zijn muziek. Neem nu het hierboven genoemde boek van Klaus Eidam. De titel is wel erg pretentieus. Wie is in staat om het ware leven van Bach te boek te stellen waar de bronnen zoveel vragen openlaten? Zo'n titel wekt bij voorbaat argwaan en maakt een auteur kwetsbaar. Het boek van Eidam is bijzonder boeiend geschreven, maar het is ook een zeer eigenzinnig boek, waarin de auteur fel van leer trekt tegen andere auteurs over Bach. Maar je loopt dan natuurlijk wel gevaar dat de kritiek als een boemerang terugslaat op jezelf. Niemand schrijft onbevooroordeeld. Als ik de verschillende studies die me onder ogen kwamen, vergelijk, blijkt dat ieder over Bach schrijft vanuit zijn of haar eigen visie. Wat hen verbindt is de bewondering voor zijn geniale muziek die hem tot een van de grootste componisten van alle tijden maakt.
Vanuit kerk en theologie
In een korte artikelenreeks wil ik in dit blad aandacht vragen voor Bach en zo een bescheiden bijdrage leveren aan het Bachjaar. Ik schrijf niet met de pretentie een deskundige te zijn. Ik schrijf als geïnteresseerde leek en muziekliefhebber die al vanaf de middelbare school geboeid ben door Bach. Ieder heeft zo zijn eigen ingang tot Bach. Voor mij waren dat de koralen uit de Mattheüs die ik zo goed en zo kwaad als dat ging probeerde na te spelen. En van daaruit ontdekte ik de schoonheid van dit muzikale landschap. De vraag kan gesteld worden: Waarom aandacht voor Bach in een weekblad als De Waarheidsvriend? Het antwoord kan kort zijn: de relatie tussen geloof, kerk en cultuur komt met name in het werk van Bach helder naar voren. Bach neemt een belangrijke plaats in in een cultuurgeschiedenis van het christendom. Vele composities van Bach hebben een nauwe relatie tot de eredienst en de liturgie. Dat wordt niet door iedereen beaamd. De meningen lopen zeer uiteen. Was hij primair vakmusicus en vakman, zij het ook een gelovig vakman? Of was hij in de eerste plaats dienaar van de kerk en vertolker van het evangelie? Of overstijgt Bach dit dilemma en moeten we hier geen tegenstelling tussen zoeken. De zaak is gecompliceerd. Voor Eidam is het duidelijk. Met name zij die Bach vanuit de theologie benaderen moeten het bij hem ontgelden. Ik geef toe, dat je op dit punt moet oppassen voor een vorm van heiligenvererering en idealisering van de ware stand van zaken. De uitspraak dat Bachs leven in dienst van de kerk zijn vervulling gevonden heeft, klopt niet helemaal met de feiten. De verhouding tot zijn kerkelijke 'bazen' was vaak gespannen. Bovendien is een heel deel van zijn werk verbonden met de muzikale praktijk van de vorstenhoven van zijn tijd of bestemd als concertmuziek.
Meer dan de helft van zijn muziek, zegt Eidam, is geen kerkmuziek. Dat is waar, maar die kleinere andere helft vormt dan toch een bewijs dat de betrekking tot de eredienst en de liturgie er wel degelijk, is. Bach heeft zijn plaats in de muziekwetenschap, maar ook in de geschiedenis van het lutheranisme en in de liturgiek. Zijn vakmanschap is onlosmakelijk verweven met de kerk en haar eredienst. Van daaruit is het ook verklaarbaar dat met name in Duitsland theologen zich diepgaand bezighouden met de betekenis van Bach als 'uitlegger van de bijbel'. Het is dat aspect dat ik in deze artikelenreeks naar voren wil brengen.
Levensgang
Ik volsta wat Bachs leven betreft met enkele korte flitsen. De levensbeschrijving van Bach voert ons langs verschillende steden. Bach werd in 1685 geboren in het stadje Eisenach, bekend van de Wartburg, als zoon van de stadsmusicus Johann Ambrosius Bach. In Ohrdruf kwam hij als jonge wees bij zijn broer in huis. In Lüneburg ging hij op het gymnasium en werd hij zanger in het school- en kerkkoor. Van 1703 tot 1707 is hij werkzaam in Arnstadt. Daar begon hij zijn organistenloopbaan in wat nu de Bachkerk heet. Een korte tijd, ongeveer een jaar, is hij organist in Mühlhausen, in Luthers dagen een centrum van de boerenopstand. Maar dat is verleden tijd. Bach zal er wel een andere 'opstand' meemaken: het verzet van een piëtistische en weinig op muziek gestelde predikant tegen de gangbare muziekpraktijk in de lutherse eredienst. Van 1708 tot 1717 is hij werkzaam in Weimar als cembalist, violist, hofconcertmeester en hoforganist aan het hof van de hertog Wilhelm Ernst van Saksen-Weimar. Van Hoof typeert hem als een kunstzinnig despoot. Bach heeft dat despotische aan den lijve ervaren. Toen hij na 9 jaar ontslag vroeg, liet de hertog hem niet gaan, maar sloot hem op in de gevangenis. Despoten nemen het niet als hun ondergeschikten - en zo beschouwde de hertog zijn musici - zonder zijn toestemming een benoeming aannemen en dan pas ontslag vragen. Pas na een maand liet de hertog hem gaan als ontslagen 'in ongenade'. Zo kwam Bach in 1717 in Köthen als hofkapelmeester in dienst van de hertog van Anhalt-Köthen. De lutheraan Bach werkte hier in een goeddeels calvinistische omgeving. Aan liturgische muziek had hij niet veel te doen. Toch waren het vruchtbare en goede jaren, waar evenwel in 1720 een einde aan kwam. In dat jaar overleed plotseling zijn eerste vrouw Maria Barbara met wie hij ongeveer 12 jaar gelukkig getrouwd was. Anderhalf jaar bleef hij weduwnaar. Hij hertrouwde met Anna Magdalena Wikken, dochter van een hoftrompettist en zangeres aan het hof. Anna Magdalena was 16 jaar jonger dan Bach. Zij nam de zorg voor het grote gezin op zich en schonk zelf het leven aan 10 kinderen, waarvan er zeven jong stierven. Het jaar 1720 bleek ook in ander opzicht een kentering. De belangstelling van vorst Leopold voor de muziek nam af. Hij was in 1721 getrouwd met een vrouw die geen gevoel had voor muziek. Bach noemde haar een 'amusa'.
Leipzig
In 1723 kwam er een eind aan de periode Köthen. Bach werd benoemd in Leipzig als cantor aan de Thomaskerk. Hij was overigens bepaald niet de eerste keus. Men had aanvankelijk anderen op het oog. Uiteindelijk werd hij er toch benoemd. Hij heeft er van 1723 tot aan zijn dood in 1750 gewerkt. Leipzig was in die tijd een belangrijke stad met een eigen universiteit. Bach kreeg er anders dan in het gereformeerde Köthen weer gelegenheid muziek te componeren voor de lutherse eredienst. Aan Leipzig dankt Bach zijn meest bekende titel: Thomascantor. Een naam die overigens maar ten dele de betekenis van zijn Leipziger periode uitdrukt. De cantor was in feite niets anders dan onderwijzer in de muzikale vakken, maar ook in het Latijn aan de Thomasschool, oorspronkelijk een kloosterschool die met de Reformatie in andere handen was overgegaan en met lutherse geest gevuld werd. Het schoolleven aan een school die bovendien in een slechte staat verkeerde moet men bepaald niet idealiseren. Bach heeft er genoeg mee te stellen gehad. Als Thomascantor stond Bach in de school op de derde plaats, na de rector en de conrector. Maar veel belangrijker dan deze onderwijstaak was zijn verantwoordelijkheid als 'director musices' belast met de zorg voor de kerkmuziek in de vier hoofdkerken van Leipzig, op de zon- en feestdagen, maar ook bij huwelijksinzegeningen en begrafenissen, en bij verschillende andere gelegenheden in de stad en de universiteit. In zijn Leipziger jaren zijn naast vele andere werken de meeste cantates van Bach alsmede zijn passionen ontstaan. Bach heeft er overigens moeten werken onder vaak ongunstige omstandigheden, die gekenmerkt werden door moeilijkheden en conflicten met de stadsraad, het consistorie en de school. Wie dat verhaal op zich laat inwerken - Eidam geeft er een uitvoerige beschrijving van waarin hij Bachs superieuren zijn kritiek niet spaart - kan zich er alleen maar over verbazen hoe het mogelijk is dat iemand onder zulke spanningen zoveel prachtige muziek gecomponeerd heeft. De laatste jaren voor zijn dood leed hij aan een ernstige oogziekte, de grauwe staar, die hem praktisch blind maakte. Een operatie die herstel moest brengen, bracht geen baat, maar leidde tot het einde op 28 juli 1750. Het verhaal gaat dat hij kort voor zijn dood aan zijn schoonzoon Altnikol vanaf zijn ziekbed het koraal dicteerde Vor deinen Thron tret' ich hiermit. Het is wel een persoonlijke belijdenis genoemd van een man die in zijn arbeid als musicus en componist zijn geloof beleed en beleefde.
Ede A. Noordegraaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's