De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Stress op de kerkvloer
In de Volkskrant van 17 juli stond het prominent op de voorpagina vermeld. 'Onderzoek: priesters en predikanten lopen verhoogd risico op burn-out'. Men putte uit twee recente onderzoeken. De Open Universiteit laat binnenkort een onderzoek onder predikanten verschijnen onder de titel 'Burn Out'. 'Het predikantenwerk staat hoog op de stressladder, net zo hoog als de meest stressgevoelige werkterreinen: de verpleging, de politie en het onderwijs'. Onderzoeker G. Alblas, aldus het krantenbericht, constateert dat vijf procent van de predikanten een reëel risico loopt op een burn-out. Meer dan tien procent heeft last van emotionele uitputting. 'Zij zijn aan het eind van de dag opgebrand en zien de volgende ochtend op tegen een nieuwe werkdag. Velen hebben het gevoel dat ze niet toekomen aan zaken die wel zouden moeten gebeuren. Men erkent vaak half voorbereid op een bijeenkomst te komen. En predikanten betreuren het dat ze nauwelijks aan normale huisbezoeken toekomen', aldus de Volkskrant. Het schijnt in de kring van pastoraal werkenden in de katholieke kerk niet anders te zijn. In het bisdom Roermond verscheen een rapport onder de titel 'Aan het eind van z'n Latijn' en daarin worden vergelijkbare klachten beschreven.
Nu zou je de laatste tijd al moe worden van de vele publicaties over dit thema en je zou bijna op een idee gebracht woiden, maar wie zelf met dit uitputtingsprobleem te kampen heeft (gehad), weet hoe verpletterend en ingrijpend de ervaring zelf is. Eén van hen is prof. dr. J. A. B. Jongeneel, hoogleraar missiologie aan de RU Utrecht. In de Kroniek van Kerk en Theologie, jaargang 51 nr. 3, juli 2000, doet hij verslag van zijn ervaring onder het opschrift Chronische oververmoeidheid in kerk en school. Het is een moderne ziekte, aldus prof. Jongeneel, die wereldwijd miljoenen slachtoffers vergt. Hij vertelt hoe hij zelf zomer 1999 tijdens vakantie na een ongeluk hardhandig met de neus op de feiten werd gedrukt: een halfjaar geheel buiten dienst geraakt. In de hier geciteerde kroniek reflecteert hij over ervaringen in die periode opgedaan. Omdat een mens een lichaam, een ziel en een geest heeft, betreft de crisis zijn somatisch, zijn psychisch en zijn pneumatisch bestaan, aldus dr. Jongeneel. Ik citeer het gedeelte waarin hij op deze drie aspecten breder ingaat.

'Een chronisch oververmoeide ervaart in de eerste plaats, somatisch, een energiecrisis: na één uur arbeid thuis of elders heeft hij/zij het gevoel tien uur gewerkt te hebben. Vanwege deze klacht is een bezoek aan de huisarts, en in voorkomende gevallen ook aan de arbo-arts, onvermijdelijk. Deze inventariseert de invloed van het werk op de gezondheid en vice versa en stuurt de getroffene zo nodig voor een aantal maanden naar huis (in sommige kringen is een halfjaar standaard). Sommige oververmoeiden worden tevens doorverwezen naar een specialist. In mijn geval is. dit niet geschied. Ook heb ik geen medicijnen voorgeschreven gekregen. De beide artsen schreven mij wel rust, rust en nog eens rust voor, alsmede geduld, geduld, en nog eens geduld. Tegelijkertijd hebben zij mij ook aan het werk gezet: hervinden van de balans in het eigen leven. Merkwaardigerwijs spraken zij ook over dankbaarheid: dankbaarheid omdat mij niet iets ergers overkomen was; en dankbaarheid omdat de verschijnselen van oververmoeidheid zich bij mij pas in het 60ste levensjaar voordeden, terwijl de meesten die deze ziekte krijgen dertigers en veertigers zijn.
In de tweede plaats ervaart een chronisch oververmoeide, 'psychisch, een identiteitscrisis: ken ik mijzelf dan zo slecht dat ik de chronische oververmoeidheid (helemaal) niet heb zien/voelen aankomen? In aanvulling op de medische begeleiding is daarom professionele hulp van psychologen/psychiaters geboden: om tot meer zelfkennis te komen. In gesprek met deze experts dienen de pijnlijke vragen van het waarom en hoe van de ontstane chronische oververmoeidheid besproken te worden. Ik formuleer hier zo maar een paar vragen die mij gesteld zijn: heeft niemand je gewaarschuwd? waarom heb je naar gegeven waarschuwingen (in mijn geval: van niemand op het werk, maar wel van mijn vrouw thuis) niet geluisterd? waarom werk je, jaar in jaar uit, meer dan 40 uur per week? voor wie doe je dit "meer dan het gewone" eigenlijk? waarom zeg je geen "nee" tegen al wat boven de 40 uur per week uitgaat? heb je soms last van een minderwaardigheidscomplex? of van een overdreven roepingbesef (het befaamde Messiascomplex)? of van een competitiegeest? moet je jezelf nog steeds waar maken? En verder: hoeveel deuken heb je in de loop der tijden opgelopen? is het verleden van al die deuken al verwerkt? En ten slotte: in hoeverre leef je in onmin met mensen (thuis en/of op het werk)? kun je mensen vergeven die jou problemen bezorgd hebben? Het toelaten van al deze existentiële vragen vergt uiteraard veel energie. Beleefd, maar dringend word je uitgenodigd om deze vragen aan jezelf te stellen, en wel op een moment dat je juist weinig tot geen energie hebt. Toch moeten deze vragen juist nu gesteld en tevens beantwoord worden, omdat voor herstel en herintegratie in het werk een wezenlijke verandering van levens- en werkhouding nodig is.
Straks moet er immers niet primair minder, maar vooral anders gewerkt worden.
Ten derde is er, pneumatisch, een relatiecrisis: van het ene op het andere moment wordt de chronisch oververmoeide uit zijn/haar werkkring gehaald en zit hij/zij thuis. De gewone relatie tot God, en ook tot geliefden, vrienden en bekenden komt daardoor "onder druk" te staan. De wereld van contacten is nu tot een klein kringetje van mensen beperkt geworden: huisgenoten, familie, en een enkele goede vriend. Degenen met wie tot voor kort intensief samengewerkt werd, reageren verdeeld op het isolement waarin de oververmoeide plotseling terechtgekomen is: sommigen doen niets —mogelijk om geen belasting te zijn; anderen worden juist actief. Ikzelf heb beleefd, dat de plaatselijke predikant op huisbezoek kwam (nadat de bloemen op zondagmorgen na de kerkdienst eerder al thuis bezorgd waren); ook anderen gingen ineens, op eigen initiatief, geestelijke zorg dragen, een promovendus die oververmoeid geweest was en een hoofdvakstudent die dezelfde ervaring opgedaan had, kwamen bij mij langs - nu niet om over hun studie te praten, maar om te bemoedigen en met mij te bidden. Ook collegae (hoogleraren en predikanten) hebben soortgelijke bezoeken afgelegd. Verder zijn er vrij veel mensen geweest die mij per brief(kaart) en/of telefoongesprek hebben laten weten dat zij voorbede doen. Zodoende heb ik mij in deze tijd "op de vleugelen van het gebed" gedragen geweten.'

Nog één fragment geef ik door uit wat dr. Jongeneel schrijft over zijn herstelperiode.

'Door lezing van meditatieve literatuur ben ik enkele rust-gevende en geduld-schenkende bijbelteksten, versregels en gezegden op het spoor gekomen die mij houvast geboden hebben in een periode waarin ik geheel op mijzelf teruggeworpen was (depressiviteit is mij gelukkig bespaard gebleven): "Komt tot mij allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven" (Mt. 11 : 28); "Veilig in Jezus' armen, veilig aan Jezus' hart, daar in zijn mild erbarmen, daar rust mijn ziel van smart" (bundel van J. de Heer); en "Mijn ziel is onrustig in mij, totdat zij rust vindt in God" (Augustinus).
Bij het begin heb ik, evenals de meeste chronisch oververmoeiden, heel veel moeite gehad met de acceptatie van een ziekteverlof van ca. een halfjaar en de noodzaak om alles uit handen te geven, doch gaandeweg ben ik het nut hiervan gaan inzien. En zo heb ik gaandeweg bijgeleerd: immers wanneer er veel gewandeld, gezwommen, gefietst en getuinierd wordt (somatisch herstel), en wanneer bovendien het eigen leven, op zoek naar eventuele onverwerkte zaken, nog eens uitgespit en via stukjes autobiografie in kaart gebracht wordt (psychisch herstel), en wanneer ten slotte de zoektocht naar gezonde relaties hernieuwd wordt (pneumatisch herstel), vliegt de tijd zo om; ten slotte: zodra de lust om weer naar de kerk te gaan en andere bijeenkomsten bij te wonen groeit, vraagt ook het sociale leven weer de nodige tijd.'

Dr. Jongeneel sluit zijn persoonlijke Kroniek af met een tweetal aanbevelingen voor de kerken in Nederland. We laten die voor wat ze zijn. Ik citeer alleen de slotregel: 'Zijn de kerken in Nederland soms zo wereldgelijkvormig geworden dat ook zij hun werkers continu opjagen om én meer én beter te gaan presteren (met bonuspunten voor predikanten die in prediking, pastoraat, catechese en politiek hoog 'scoren')?'

Nuchter commentaar
In 'In de Waagschaal' van 1 juli 2000 plaatst dr. A. A. Spijkerboer een nuchter commentaar bij het verschijnsel burn-out. Na het bovenstaande is het goed dat óók te lezen. Dr. Spijkerboer hoort tot de gelukkige meerderheid van hen die weerstand wisten te bieden aan de verleiding van het 'Messiascomplex' waardoor burn-out vaak ontstaat.

'Ik lees in de krant dat veel predikanten last hebben van burn-out. Waar zou dat aan liggen? Een telefoon heb je wel nodig, maar heb je een antwoordapparaat, of een apparaat dat meldt wie er in je afwezigheid gebeld heeft, echt nodig? Je komt thuis, je beluistert die apparaten en je staat meteen weer onder druk; je moet weer wat! Als die apparaten je onder druk zetten, zou ik zeggen: weg met die dingen! - Gemeenteleden die je nodig hebben weten je heus wel te vinden en het spreekt vanzelf dat je, wanneer je hoort dat je ergens wordt verwacht, daar met bekwame spoed heengaat.
Of ligt die burn-out hieraan dat sommige kerkenraden zichzelf als werkgever en hun predikant als werknemer zien? Als dat het geval is, zou ik visitatie aanvragen, in de hoop dat visitatoren duidelijk zullen maken waar een kerkenraad in een, in de klassieke zin van het woord, gereformeerde kerk goed voor is. Zolang visitatoren niet verschijnen, zou ik lid 3 van artikel IV van de altijd nog vigerende kerkorde van 1951 als richtlijn nemen. Je bent bezig met de Bijbel, je kunt steun vinden bij kundige theologen, je doet wat je opgedragen is en dan - ga je slapen. Toen ik in 1953 eens met Probst Grüber (in de nazi-tijd de man van het bureau van de Belijdende Kerk voor hulp aan Joden) in een auto zat, draaide hij zich plotseling naar mij om en zei: "Je bent dienaar van het Woord, niets anders dan dienaar van het Woord, zul je dat niet vergeten, Spijkerboertje? " Ik heb dat inderdaad niet vergeten en daar ben ik wel bij gevaren.
Of ligt die burn-out aan de zware nadruk die in het huidige klimaat in de kerk is komen te liggen op ervaren en doen? Ja, wat zou je niet allemaal moeten wezen en doen! Iemand met een nieuwe spiritualiteit en een niet aflatende betrokkenheid op de kerk, én op de wereld? Ik zou daar binnen de korste keren onder bezwijken. Dat hoeft dan ook allemaal niet: het is helemaal genoeg als jij wat je van het Woord hebt gehoord aan de gemeente doorgeeft. Die zware nadruk op ervaren en doen geeft mij het gevoel dat er helemaal aan het begin al iets is overgeslagen, namelijk dat je je door het Woord je plaats laat aanwijzen, tegenover God en te midden van de mensen. Als je die plaats leert kennen, komt dat met ervaren en doen wel in orde.
Ik ben veertig jaar predikant geweest en heb toch nooit last gehad van een burn-out. Nu zou men mij voor kunnen houden: Ja, maar jij stelde als predikant dan ook niet veel voor! Dat is best mogelijk: veel had ik niet te bieden, maar alles wat ik had heb ik, zoals de weduwe in Lucas 21 : 1-4, in het offerblok gegooid. Wat ons predikantswerk betreft: Jezus Christus is de enige die bevoegd is om daarover te oordelen, en dat doet Hij dan ook. Dat geeft rust: we zijn bij Hem in zeer goede handen.'

Hier zijn, wat mij betreft, geen woorden meer aan toe te voegen. Nu straks na de 'zomerrust' het 'winterwerk' er weer aan komt, moeten we de woorden van dr. Spijkerboer maar een zichtbare plaats in ons werkvertrek geven.

J. Maasland

P.S. Rectificatie. Ik citeerde de vorige keer uit de publicatie van drs. W. Dekker 'Langs de rand'. Als u de Waarheidsvriend van 20 juli nog hebt, dan ziet u in de elfde regel van het citaat het woord 'gemeente' staan. Dat moet echter 'geraamte' zijn. Het citaat wordt zo ineens begrijpelijker: 'Een verzorgde liturgie is ook in een reformatorische eredienst zeer belangrijk, maar zonder preek is deze niet meer dan een geraamte...'. Met excuus voor de vergissing.

J.M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's